Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2019:3022

2019-05-03 Civiel recht 7382542
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2019-05-03
Publicatiedatum
2019-04-26
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
7382542
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Bemiddeling bij kunst op internet. Geen consument. Geen dwaling. Beëindigingsvergoeding niet onredelijk bezwarend en inroepen van de bepaling niet onaanvaardbaar.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (31.512 tekens)
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM


afdeling privaatrecht



Zaaknummer en rolnummer: 7382542 / CV EXPL 18-26967
Uitspraak: 3 mei 2019




Vonnis van de kantonrechter

in de zaak van:




de vennootschap naar Belgisch recht

VISION ON ART BVBA,
gevestigd te Sint-Niklaas (België),
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
gemachtigde: mr. J.J.F.M. Konings,



t e g e n





[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
gemachtigde: mr. E.J.M. van der Lans.



Partijen zullen hierna Vision en [gedaagde] worden genoemd.





VERLOOP VAN DE PROCEDURE




Het verloop van de procedure blijkt uit:



de dagvaarding van 7 november 2018, met producties,


de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie, met producties,


het tussenvonnis van 11 januari 2019, waarbij een comparitie is bevolen,


de brief van de zijde van Vision van 27 februari 2019, met producties,


de brief van de zijde van [gedaagde] van 4 maart 2019, met één productie.




Op 7 maart 2019 heeft de comparitie plaatsgevonden. Namens Vision is verschenen de heer [naam 1] , [functie] van Vision, vergezeld door mr. W. Boeters als gemachtigde. [gedaagde] is verschenen tezamen met haar gemachtigde. Partijen hebben een toelichting gegeven en vragen van de kantonrechter beantwoord. Na een korte schorsing hebben partijen aangegeven geen regeling bereikt te hebben. Ten slotte is vonnis gevraagd en is een datum voor vonnis bepaald.





GRONDEN VAN DE BESLISSING






1Feiten en omstandigheden


Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staan de volgende feiten en omstandigheden vast:



1.1.
Vision is een vennootschap naar Belgisch recht die bemiddelt in de verkoop van kunstwerken.



1.2.

[gedaagde] maakt schilderijen en hoopt op termijn door verkoop daarvan in haar levensonderhoud te kunnen voorzien maar doet dat nog niet. Zij ontvangt een bijstandsuitkering.



1.3.
Op 2 november 2016 hebben Vision en [gedaagde] een overeenkomst gesloten onder de naam ‘Consignatieovereenkomst’ (hierna: de overeenkomst), waarbij Vision zich verbond om in opdracht van [gedaagde] een aantal van haar kunstwerken te koop aan te bieden, te promoten en bij verkoop te bemiddelen.



1.4.
In de overeenkomst is, voor zover relevant, het volgende opgenomen waarbij Vision ‘galerie’ wordt genoemd en [gedaagde] ‘kunstenaar’:


“De kunstenaar kan zijn werk in consignatie voor verkoop aanbieden aan de galerie vanaf ondertekening van deze overeenkomst.

De galerie zal in opdracht van de kunstenaar deze werken vanaf deze datum in consignatie te koop aanbieden en hiervoor de volgende inspanningen leveren:


- Publicatie van de door de kunstenaar opgegeven werken via elektronische veiling (in samenwerking met Artprice), volgens modaliteiten van Bijlage 4.


- Publicatie van deze werken op professionele kunstsites in samenwerking met o.a. Artprice, ArtSlant, Saatchi, Galeries.nl


De galerie hanteert een commissie voor verkoopsbemiddeling zoals opgegeven in Bijlage 1 en Bijlage 4 van deze overeenkomst.


De kunstenaar aanvaardt dat de galerie, als onderhandelingsbasis, een korting tot 10% kan toestaan op de in bijlage opgegeven prijzen, zonder verdere verantwoording. (…)”




1.5.
In de bijzondere verkoopsvoorwaarden, die onderdeel uitmaken van de overeenkomst, is voor zover relevant het volgende opgenomen:


“Kosten en vergoedingen
(…) Kosten voor publicatie en mailing, via welk medium ook, zijn ten laste van de galerie, tenzij anders in het contract overeengekomen. (…)

Promotie

Gedurende de volledige periode dat de goederen in consignatie zijn bij de galerie, al dan niet tentoongesteld in de galerie, verplicht de galerie er zich toe deze werken, individueel, te promoten op internet en dit minstens voor een periode van 4 maanden. Alle kosten hiermee verbonden zijn ten laste van de galerie. (…)”




1.6.
In bijlage 4 bij de overeenkomst is, voor zover relevant, het volgende opgenomen:



“
SAMENWERKINGSOVEREENKOMST Nr. Bijlage 4



OVEREENKOMST VOOR HET INDIENEN VAN KUNSTWERKEN VOOR INTERNET PROMOTIE
”


(…)


Voorwaarden waaraan deze verkoop moet voldaan worden :


- de galerie zal enkel gebruik maken van internetsites die zich essentieel richten tot kunstverzamelaars (bv. Artprice, Saatchi, Artslant, Artnet, … en niet Kapaza of Ebay)


(…)


- De kunstenaar levert alle foto’s van de werken voor de galerie

(…)

Einde van de overeenkomst bepaald in deze bijlage:

(…)


- Indien de galerie de overeenkomst opzegt binnen de 12 maand na de ondertekening van de overeenkomst, dient zij aan de kunstenaar een opzeggingsvergoeding te betalen van 10% van de waarde van de nog niet verkochte werken op Bijlage 3 van deze overeenkomst.


- Indien de kunstenaar de de overeenkomst opzegt, en minder dan de helft van de werken vermeld op Bijlage 3 van deze overeenkomst zijn verkocht, dan dient de kunstenaar aan de galerie een opzegvergoeding te betalen overeenkomstig 10% van de waarde van de nog niet verkochte werken opgesomd in Bijlage 3 van deze overeenkomst.


- Indien de galerie de overeenkomst opzegt, dan dient de kunstenaar nooit een opzegvergoeding te betalen.


- Aan de overeenkomst komt impliciet een einde wanneer een van beide partijen definitief zijn zijn artistieke of handelsactiviteiten stopzet. In dit geval kan er geen commissie of opzegvergoeding worden aangerekend.


- Het opzeggen van de overeenkomst is onherroepelijk.

(…)”




1.7.

[gedaagde] heeft na ondertekening van de overeenkomst in totaal 14 foto’s van haar kunstwerken, inclusief een beschrijving, aan Vision verzonden.



1.8.
Vision heeft de door [gedaagde] aangeleverde foto’s van kunstwerken op het internet geplaatst.



1.9.

[gedaagde] heeft op 14 november 2016 per e-mail het volgende geschreven aan Vision:


“Op mijn verkooppagina van je website. Staat er een paar keer onder mijn werk – painting-. Dat klopt niet. Zoals je ook wel weet, zijn het drawings. Mixed media on paper.”




1.10.
Op 23 januari 2017 heeft [gedaagde] , voor zover relevant, het volgende geschreven aan Vision:


“(…)

Mijn mening is dat, door je aanbod van alle kunstenaars tegelijk op internet, verkoop van mijn werk op deze wijze daarom niet zo’n vaart zal lopen. Maar dat had je van te voren zelf ook al aan mij duidelijk gemaakt. Saatchi heb ik nog niet voorbij zien komen. Er is persoonlijke promotie nodig voor de kunstenaar om verder te komen, dat is evident natuurlijk.


(...)


De samenwerking met je galerie zou ik graag willen continueren.


(…)


NB: doordat twee verschillende series, ‘Being an artist’ en landschappen door elkaar op één pagina worden aangeboden vind ik mijn aanbod op de auction pagina wat onduidelijk overkomen. Om die reden heb ik op mijn website de series aparte pagina’s gegeven. Het tonen op de auction pagina van 1 serie komt sterker over volgens mij.”




1.11.


[gedaagde] heeft bij brief van 9 augustus 2017 aan Vision geschreven, voor zover relevant:

“Hierbij wil ik het contract opzeggen van 2 / 11/ 2016.


(…)”.




1.12.
Op 11 augustus 2017 heeft Vision de opzegging door [gedaagde] bevestigd. Vision heeft [gedaagde] daarbij gewezen op de in bijlage 4 van de overeenkomst opgenomen bepaling inzake de opzegvergoeding (zie 1.6, hierna: de opzegvergoedingsbepaling).



1.13.
Op 7 september 2017 heeft Vision de opzegvergoeding van in totaal € 4.452,80 gefactureerd aan [gedaagde] . [gedaagde] heeft de opzegvergoeding niet betaald.






2Vordering en verweer



in conventie




2.1.
Vision vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 5.247,08, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 november 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, waaronder de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.



2.2.

Vision heeft haar vordering als volgt gespecifieerd:
a. € 4.452,80 aan hoofdsom;
b. € 570,28 aan buitengerechtelijke incassokosten;
c. € 119,76 aan BTW over buitengerechtelijke incassokosten;
d. € 104,24 aan rente over voornoemde hoofdsom, berekend tot en met 6 november 2018.




2.3.
Vision stelt, kort weergegeven, dat [gedaagde] de overeengekomen opzegvergoeding is verschuldigd van in totaal € 4.452,80, nu zij de overeenkomst heeft opgezegd en minder dan de helft van haar kunstwerken zijn verkocht. [gedaagde] heeft de opzegvergoeding niet betaald en is inmiddels in verzuim, aldus Vision.



2.4.

[gedaagde] voert verweer tegen de vordering en voert primair aan dat de overeenkomst door haar is ontbonden als gevolg van de wanprestatie van Vision. Subsidiair beroept zij zich op vernietigbaarheid van de opzegvergoedingsbepaling in verband met dwaling/misbruik van omstandigheden. Meer subsidiair voert [gedaagde] aan dat de opzegvergoedingsbepaling onredelijk bezwarend is in de zin van artikel 6:233 sub a van het Burgerlijk Wetboek (BW) omdat de opzegvergoeding onredelijk (hoog) is. Uiterst subsidiair doet [gedaagde] een beroep op artikel 6:248 lid 2 BW.



2.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, verder ingegaan.



in reconventie





2.6.

[gedaagde] vordert veroordeling van Vision tot betaling van een schadevergoeding van € 5.100,00.



2.7.

[gedaagde] stelt, kort weergegeven, dat sprake is van wanprestatie van de zijde van Vision omdat Vision haar verplichtingen die voortvloeien uit de overeenkomst niet is nagekomen. Bij juiste uitvoering van de overeenkomst en daadwerkelijk verrichte verkoopinspanningen zouden twee kunstwerken zijn verkocht, aldus [gedaagde] .



2.8.
Vision voert verweer tegen de vordering.



2.9.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, verder ingegaan.






3Beoordeling



in conventie en in reconventie





forum- en rechtskeuze




3.1.
Partijen hebben tijdens de comparitie verklaard dat rechtbank Amsterdam, sector kanton, bevoegd is om van het onderhavige geschil kennis te nemen en hebben voor zover nodig een rechtskeuze uitgebracht voor Nederlands recht. Dit in afwijking van de rechts- en forumkeuze opgenomen in de overeenkomst. De kantonrechter stelt vast dat hij in lijn met deze stellingen bevoegd is van het geschil kennis te nemen nu [gedaagde] als gedaagde in conventie in [woonplaats] woonachtig is en Vision ervoor gekozen heeft de procedure hier aanhangig te maken. Aangezien het partijen vrij staat om een gewijzigde rechtskeuze te maken zal de kantonrechter het geschil beoordelen naar Nederlands recht.



in conventie





3.2.
De centrale vraag in conventie is of [gedaagde] verplicht is de opzegvergoeding te betalen. Vision heeft de opzegvergoeding in rekening gebracht wegens beëindiging van de overeenkomst door [gedaagde] nu minder dan de helft van de door [gedaagde] aangeleverde kunstwerken zijn verkocht. Vision heeft hieraan ten grondslag gelegd de opzegvergoedingsbepaling, opgenomen in bijlage 4 bij de overeenkomst (zie 1.6). [gedaagde] heeft niet betwist dat deze bepaling onderdeel uitmaakt van de door haar ondertekende overeenkomst, maar heeft verweren gevoerd die er op neerkomen dat de overeenkomst niet meer bestaat als gevolg van ontbinding/vernietiging danwel dat Vision geen beroep op de opzegvergoedingsbepaling toekomt. Deze verweren komen hierna aan de orde. Nu dat voor enkele verweren van belang is zal de kantonrechter eerst vaststellen of [gedaagde] als consument handelde zoals zij heeft gesteld maar Vision heeft betwist.



handelde [gedaagde] als consument bij het afsluiten van de overeenkomst?





3.3.
Onder consument wordt verstaan iedere natuurlijke persoon die handelt voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit vallen. Dit volgt uit de gehanteerde definitie van consument in verschillende Europese richtlijnen, waaronder Richtlijn 93/13 /EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten en wordt ook op verschillende plaatsen in het BW gehanteerd. Uit de rechtspraak van het hof van justitie van de EU volgt dat aan de hand van alle omstandigheden van het geval moet worden vastgesteld met welk doel de overeenkomst is aangegaan, waarbij de aard van het goed of de dienst waarop de overeenkomst betrekking heeft bepalend is. De subjectieve situatie van de persoon die de overeenkomst aangaat is daarbij niet van belang omdat eenzelfde persoon voor sommige verrichtingen als consument en voor andere verrichtingen als marktdeelnemer kan worden beschouwd. Alleen overeenkomsten die worden gesloten om te voorzien in de consumptiebehoeften van een persoon als particulier vallen onder de bepalingen ter bescherming van de consument die als de economisch zwakkere partij wordt beschouwd. Zie onder meer HvJEU 3 juli 1997, ECLI:EU:C:1997:337 (Benincasa), HvJEU 3 september 2015, ECLI:EU:C:2015:538 (Costea) en recent HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1800.



3.4.
Het gaat hier, kort samengevat, om een overeenkomst waarin Vision tegen een door [gedaagde] te betalen vergoeding een dienst verleent in de vorm van het naar eigen inzicht aanbieden, promoten en verkopen van kunstwerken van [gedaagde] . [gedaagde] wil met het sluiten van deze overeenkomst inkomsten verwerven. Tijdens de comparitie heeft [gedaagde] verklaard dat zij met de inkomsten als gevolg van de verkoop van haar kunstwerken nog niet in haar levensonderhoud kan voorzien maar dat zij hoopt dit te zijner tijd wel te kunnen doen.



3.5.
Gelet op deze aard en dit doel van de overeenkomst is de positie van [gedaagde] bij het sluiten van de overeenkomst niet aan te merken als die van een consument. [gedaagde] heeft zelf aangegeven dat zij met het verkopen van kunstwerken het doel heeft inkomsten te realiseren om uiteindelijk in haar levensonderhoud te voorzien. Het betreft daarmee een beroepsactiviteit. Dat dit beroep thans nog geen of onvoldoende inkomsten oplevert maakt niet dat het geen beroepsactiviteit betreft. Evenmin is van belang dat [gedaagde] op dit moment een bijstandsuitkering ontvangt nu het gaat om wat [gedaagde] met het sluiten van de overeenkomst beoogd heeft. Voor zover [gedaagde] heeft aangevoerd dat zij als consument handelt omdat zij zzp’er is en geen eenmanszaak, BTW-nummer of eigen website heeft, hetgeen Vision heeft betwist, is die stelling gelet op de hiervoor aangehaalde uitleg van het begrip consument niet relevant. Beoogd is immers zo veel mogelijk kunstwerken te verkopen en hiermee inkomsten te werven om daarmee uiteindelijk in het levensonderhoud te kunnen voorzien. Evenmin is relevant de positie van [gedaagde] ten opzichte van Vision, zoals door [gedaagde] aangevoerd, danwel het hobbymatig karakter van het schilderen aangezien deze omstandigheden de subjectieve situatie van [gedaagde] betreffen.



tekortkoming Vision





3.6.
Als eerste verweer voert [gedaagde] aan dat zij de overeenkomst heeft ontbonden met haar brief van 9 augustus 2017 (zie 1.11). Dit als gevolg van een gestelde wanprestatie (tekortkoming). De vereiste ingebrekestelling zou besloten liggen in de brief van 23 januari 2017 (zie 1.10). De kantonrechter verwerpt dit verweer. Naast het feit dat de brief van 23 januari 2017 niet duidelijk aangeeft welke verplichting Vision niet nakomt, wordt Vision geen termijn gesteld waarbinnen zij alsnog kan nakomen. Dat laatste geldt ook voor de eerdere e-mail van [gedaagde] van 14 november 2016 (zie 1.9). Nu [gedaagde] niet heeft aangevoerd dat nakoming blijvend of tijdelijk onmogelijk is ontbreekt verzuim, wat nodig is voor ontbinding. Dat [gedaagde] geen jurist is, zoals zij heeft aangevoerd, maakt dit niet anders: de regeling van de ingebrekestelling is juist bedoeld om ervoor te zorgen (i) dat het voor een wederpartij helder is welke verplichting niet wordt nagekomen en (i) de wederpartij de gelegenheid te geven alsnog aan zijn of haar verplichtingen te voldoen. Bij deze stand van zaken kan in het midden blijven of de brief van [gedaagde] van 9 augustus 2017 als ontbindingsverklaring kwalificeert ondanks dat in de brief de term “opzeggen” wordt gebruikt.



dwaling/misbruik van omstandigheden





3.7.

[gedaagde] beroept zich voorts op vernietiging van de opzegvergoedingsbepaling op grond van dwaling (artikel 6:228 lid 1 sub b BW). Dit artikel bepaalt dat een overeenkomst, die tot stand is gekomen onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, vernietigbaar is indien de wederpartij in verband met hetgeen zij omtrent de dwaling wist of behoorde te weten de dwalende had behoren in te lichten (spreekplicht). [gedaagde] heeft daartoe aangevoerd dat Vision haar voorafgaand en tijdens het ondertekenen van de overeenkomst niet heeft gewezen op de essentiële opzegvergoedingsbepaling en deze niet heeft toegelicht, terwijl dit wel had gemoeten. Vision betwist dat [gedaagde] heeft gedwaald.



3.8.
In het algemeen wordt aangenomen dat geen spreekplicht bestaat wanneer de wederpartij (in dit geval Vision) er redelijkerwijs vanuit mag gaan dat de feiten bij de dwalende bekend waren of voor het aangaan van de overeenkomst bekend hadden kunnen worden. Vast staat dat de opzegvergoedingsbepaling is opgenomen in de overeenkomst. De tekst van de overeenkomst heeft Vision voorafgaand aan het ondertekenen aan [gedaagde] toegestuurd. [gedaagde] had aldus door lezing van de overeenkomst bekend kunnen zijn met de opzegvergoedingsbepaling. Het verweer dat de bepaling achterin de overeenkomst is ‘weggestopt’ passeert de kantonrechter: Het onderdeel van de overeenkomst dat ziet op internet promotie (bijlage 4) bestaat uit drie bladzijden waarbij op de laatste bladzijde in normaal lettertype afspraken staan over het einde van de overeenkomst, waarvan de opzegvergoedingsbepaling een onderdeel is. Hiermee had [gedaagde] bij gewone lezing bekend kunnen worden. Dat [gedaagde] een leek is op juridisch gebied, dat zij geen financiële middelen had en dat partijen ongelijkwaardig zijn maakt dit niet anders. Vision is niet gehouden te onderzoeken of haar toekomstige contractspartij in staat is de opzegvergoeding te betalen in het geval deze toepasselijk wordt. Wanneer een persoon deelneemt aan het economisch verkeer mag er in beginsel van worden uitgegaan dat deze zelf kan beslissen of hij of zij in staat is een transactie aan te gaan en de mogelijke financiële gevolgen daarvan te dragen. Omstandigheden die maken dat dit in deze situatie anders zou zijn heeft [gedaagde] niet aangevoerd.


3.9.
Gelet op het bovenstaande slaagt het beroep op dwaling niet.



3.10.

[gedaagde] beroept zich ook op misbruik van omstandigheden, maar heeft dit verweer nauwelijks uitgewerkt. Uit de stukken en het verhandelde op de comparitie is ook niet gebleken dat sprake was van een situatie waarbij Vision wist of had moeten begrijpen dat [gedaagde] door een noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid werd bewogen tot het verrichten van een rechtshandeling en dat Vision had moeten begrijpen dat zij [gedaagde] daarvan had behoren te weerhouden. Het beroep van [gedaagde] op vernietiging wegens misbruik van omstandigheden slaagt derhalve niet.






opzegvergoedingsbepaling onredelijk bezwarend





3.11.

[gedaagde] voert verder aan dat de opzegvergoedingsbepaling onredelijk bezwarend is en daarom vernietigd dient te worden. Nu de kantonrechter heeft vastgesteld dat [gedaagde] niet als consument heeft gehandeld bij het aangaan van de overeenkomst is (Europees) consumentenrecht niet van toepassing en dient dit verweer beoordeeld te worden aan de hand van artikel 6:233 sub a BW. Dit artikel bepaalt dat een beding in algemene voorwaarden vernietigbaar is indien het, gelet op de aard en de overige inhoud van de overeenkomst en de wijze waarop de voorwaarden tot stand zijn gekomen, de wederzijds kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval, onredelijk bezwarend is voor de wederpartij (in dit geval [gedaagde] ). Nu partijen geen andersluidende stellingen hebben ingenomen gaat de kantonrechter ervan uit dat de opzegvergoedingsbepaling is opgesteld om in meerdere overeenkomsten te worden opgenomen, zodat sprake is van een algemene voorwaarde in de zin van artikel 6:231 sub a BW.



3.12.
Ter onderbouwing van haar stelling dat de opzegvergoedingsbepaling onredelijk bezwarend is heeft [gedaagde] aangevoerd dat de opzegvergoeding niet gelijk is voor partijen, dat de verschuldigde vergoeding niet in verhouding staat tot de ‘opstartkosten’ die Vision heeft gemaakt en dat de opzegvergoeding onredelijk is. Vision heeft daartegenover gesteld dat zij na het sluiten van de overeenkomst met [gedaagde] kosten heeft gemaakt die bestaan uit het aanbieden, publiceren en promoten van de kunstwerken. Als de overeenkomst wordt opgezegd zonder dat kunstwerken zijn verkocht ontvangt Vision in het geheel geen loon of vergoeding voor haar verrichte werkzaamheden zodat de opzegvergoedingsbepaling redelijk is.



3.13.
De opzegvergoedingsbepaling kent een wederkerig karakter, in die zin dat de opzegvergoeding van toepassing kan zijn op zowel [gedaagde] als Vision. Voor Vision bestaat de verplichting tot betaling van de opzegvergoeding indien Vision de overeenkomst opzegt binnen 12 maanden na ingangsdatum. Voor [gedaagde] bestaat de verplichting tot betaling van de opzegvergoeding indien [gedaagde] de overeenkomst opzegt en minder dan de helft van haar kunstwerken niet zijn verkocht. In beide gevallen wordt de hoogte van de opzegvergoeding berekend over 10% van de waarde van de nog niet verkochte kunstwerken van [gedaagde] welke op een bij de overeenkomst gevoegde bijlage zijn weergegeven. Tijdens de comparitie heeft [gedaagde] aangegeven dat juist dit verschil in wederkerigheid – voor haar is de opzegvergoeding niet in duur beperkt terwijl dit voor Vision wel het geval is – de bepaling onredelijk bezwarend maakt.



3.14.
De kantonrechter overweegt als volgt. Vision heeft toegelicht dat de opzegvergoeding te maken heeft met haar verdienmodel. De verplichtingen van Vision uit de overeenkomst moet zij nakomen direct na het ingaan van de overeenkomst: dan zorgt zij voor publicatie van de door [gedaagde] opgegeven werken via elektronische veilingen en op professionele kunstsites en worden de kunstwerken gepromoot. In de verdere looptijd behoudt [gedaagde] de voordelen van die verrichtingen van Vision. Vision financiert deze verplichtingen aan het begin van de looptijd zelf. Pas als een of meer kunstwerken van [gedaagde] zijn verkocht ontvangt Vision daarvoor een vergoeding door middel van vooraf overeengekomen commissie. Vandaar ook dat de opzegvergoeding alleen verschuldigd is als minder dan de helft van de kunstwerken zijn verkocht. Op basis van deze toelichting is de kantonrechter van oordeel dat de opzegvergoeding direct verband houdt met de geleverde inspanningen van Vision en daarmee niet onredelijk bezwarend is. Weliswaar heeft [gedaagde] ter comparitie nog aangevoerd dat de opzegvergoeding in hoogte niet in een redelijke verhouding staat tot de door Vision gemaakte kosten, maar deze stelling heeft zij in het geheel niet onderbouwd en evenmin heeft zij inzicht gegeven in wat in de markt gebruikelijk is, terwijl dit wel op haar weg had gelegen. Dit maakt dat de kantonrechter hieraan voorbijgaat.



3.15.
Gelet op het voorgaande komt de kantonrechter tot de conclusie dat de opzegvergoedingsbepaling niet onredelijk bezwarend is zodat het beroep van [gedaagde] op artikel 6:233 sub a BW niet slaagt.



beroep op de opzegvergoeding onaanvaardbaar





3.16.
Tot slot heeft [gedaagde] ter comparitie nog een beroep gedaan op artikel 6:248 lid 2 BW. Dit beroep slaagt alleen als het in rekening brengen van de opzegvergoeding door Vision in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De rechter behoort bij toepassing hiervan de nodige terughoudendheid te betrachten. [gedaagde] heeft aan dit beroep geen andere omstandigheden ten grondslag gelegd dan die zij bij het beroep op artikel 6:233 sub a BW heeft aangedragen. Bij die beoordelingen waren de omstandigheden niet voldoende om de opzegvergoedingsbepaling onredelijk bezwarend te laten zijn. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is het in rekening brengen van de opzegvergoeding evenmin onaanvaardbaar.



conclusie en afronding





3.17.
Op grond van het voorgaande zal de gevorderde hoofdsom van € 4.452,80 worden toegewezen. De gevorderde rente van € 104,24 is als niet weersproken eveneens toewijsbaar.



3.18.
Vision maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten vermeerderd met BTW. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is nu het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden. Verder heeft Vision voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht zodat het gevorderde bedrag in overeenstemming met de wettelijke staffel zal worden toegewezen.



3.19.
Bij deze uitkomst wordt [gedaagde] als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van Vision. Deze kosten worden tot op heden begroot op:


explootkosten € 101,89


griffierecht € 476,00


salaris gemachtigde € 600,00 (2 punten × tarief € 300,00)


totaal € 1.177,89



3.20.
De wettelijke rente over de proceskosten is als niet weersproken eveneens toewijsbaar. De nakosten worden begroot en zijn toewijsbaar op de wijze als bij de beslissing vermeld.



in reconventie





3.21.
De vordering van [gedaagde] ziet op een veroordeling van Vision tot betaling van een schadevergoeding. Deze vordering is gegrond op een toerekenbare tekortkoming van Vision in de nakoming van verbintenissen uit de overeenkomst. Daartoe is vereist dat Vision in verzuim verkeert tenzij nakoming blijvend of tijdelijk onmogelijk is, maar dat heeft [gedaagde] niet gesteld. Onder verwijzing naar hetgeen in conventie is geoordeeld onder 3.6, hetgeen als hier herhaald en ingelast moet worden beschouwd, is er in dit geval geen sprake van verzuim. In reconventie heeft [gedaagde] niets anders of aanvullends op dit punt gesteld. Dit betekent dat de vordering tot schadevergoeding zal worden afgewezen.



3.22.
Bij deze uitkomst van de procedure in reconventie wordt [gedaagde] als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van Vision. Nu het partijdebat in reconventie grotendeels gelijk is aan het debat in conventie worden de proceskosten in reconventie begroot op nihil.



BESLISSING




De kantonrechter:




in conventie




I. veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Vision van:- € 4.452,80 aan hoofdsom,
- € 690,04 aan buitengerechtelijke incassokosten,
steeds vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 7 november 2018 tot aan de voldoening, en
- € 104,24 aan rente,



II. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Vision tot op heden begroot op € 1.177,89 inclusief eventueel verschuldigde btw, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,



III. veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 120,00 aan salaris gemachtigde, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan dit vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris gemachtigde en de explootkosten van betekening van dit vonnis,



IV. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,




in reconventie




V. wijst de vordering af,



VI. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Vision tot op heden begroot op nihil.




Aldus gewezen door mr. M.L.S. Kalff, kantonrechter, bijgestaan door mr. M. Sahin, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 mei 2019.




De griffier De kantonrechter