Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2018:8300
2018-09-19
Civiel recht
C/13/654170 / HA RK 18/296
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verzoek niet ontvankelijk verklaard omdat het verzoek tot wraking is gedaan nadat uitspraak is gedaan in de hoofdzaak
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (3.023 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
Wrakingskamer
Beslissing op het op bij brief van 12 september 2018 schriftelijk gedane en onder rekestnummer C/13/654170 / HA RK 18/296 ingeschreven verzoek van:
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker,
welk verzoek strekt tot wraking van mr. A.C. Loman, bestuursrechter te Amsterdam, hierna: de rechter.
1Verloop van de procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende stukken:
Het schriftelijke wrakingsverzoek van 12 september 2018;
Een uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 september 2018 op een door verzoeker ingesteld beroep in de zaak met nummer AMS 18/3948 en een verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak met nummer AMS 18/3787.
2De ontvankelijkheid van het verzoek
2.1
In artikel 8:16 van de Algemene Wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt, op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2.2
Uit voornoemd artikel 8:16 Awb blijkt dat een wrakingsverzoek slechts de rechter kan betreffen die een zaak van de betrokken partij in behandeling heeft. Dit brengt mee dat geen wrakingsverzoek meer kan worden gedaan nadat de rechter in de zaak definitief heeft beslist. De rechter heeft dan immers geen zaak van verzoeker meer in behandeling.
2.3
Het verzoek tot wraking is gedaan bij brief van 12 september 2018 Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.2 is overwogen, kan, nu het verzoek is gedaan na einduitspraak, verzoeker niet in het door hem ingediende verzoek worden ontvangen. Voor een mondelinge behandeling als bedoeld in artikel 8:18 Awb bestaat geen aanleiding. Het in deze bepaling als vanzelfsprekend opgenomen recht op hoor en wederhoor is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek. Aan dat onderzoek komt de rechtbank niet toe omdat het verzoek aanstonds niet-ontvankelijk moet worden verklaard aangezien het na de uitspraak is gedaan en de rechter geen zaak van verzoeker in behandeling heeft.
2.4
Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.
BESLISSING
De rechtbank:
verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking.
Aldus gegeven door mrs. N.C.H. Blankevoort, voorzitter, A.W.J. Ros en P.B. Martens, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 september 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Wrakingskamer
Beslissing op het op bij brief van 12 september 2018 schriftelijk gedane en onder rekestnummer C/13/654170 / HA RK 18/296 ingeschreven verzoek van:
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker,
welk verzoek strekt tot wraking van mr. A.C. Loman, bestuursrechter te Amsterdam, hierna: de rechter.
1Verloop van de procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende stukken:
Het schriftelijke wrakingsverzoek van 12 september 2018;
Een uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 september 2018 op een door verzoeker ingesteld beroep in de zaak met nummer AMS 18/3948 en een verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak met nummer AMS 18/3787.
2De ontvankelijkheid van het verzoek
2.1
In artikel 8:16 van de Algemene Wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt, op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2.2
Uit voornoemd artikel 8:16 Awb blijkt dat een wrakingsverzoek slechts de rechter kan betreffen die een zaak van de betrokken partij in behandeling heeft. Dit brengt mee dat geen wrakingsverzoek meer kan worden gedaan nadat de rechter in de zaak definitief heeft beslist. De rechter heeft dan immers geen zaak van verzoeker meer in behandeling.
2.3
Het verzoek tot wraking is gedaan bij brief van 12 september 2018 Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.2 is overwogen, kan, nu het verzoek is gedaan na einduitspraak, verzoeker niet in het door hem ingediende verzoek worden ontvangen. Voor een mondelinge behandeling als bedoeld in artikel 8:18 Awb bestaat geen aanleiding. Het in deze bepaling als vanzelfsprekend opgenomen recht op hoor en wederhoor is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek. Aan dat onderzoek komt de rechtbank niet toe omdat het verzoek aanstonds niet-ontvankelijk moet worden verklaard aangezien het na de uitspraak is gedaan en de rechter geen zaak van verzoeker in behandeling heeft.
2.4
Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.
BESLISSING
De rechtbank:
verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking.
Aldus gegeven door mrs. N.C.H. Blankevoort, voorzitter, A.W.J. Ros en P.B. Martens, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 september 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.