Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2018:2263
2018-03-14
Civiel recht
C/13/643353 / KG ZA 18-153
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Kort geding Vordering ontruiming na overlijden huurster toegewezen. Geen duurzame gemeenschappelijke huishouding grootmoeder met kleinzoon. Beroep op artikel 7:268 lid 2 BW slaagt niet.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (14.096 tekens)
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel
zaaknummer / rolnummer: C/13/643353 / KG ZA 18-153 MvW/MB
Vonnis in kort geding van 14 maart 2018
in de zaak van
de vereniging
[eiseres]
,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eiseres bij dagvaarding van 19 februari 2018,
advocaat mr. P.P. Otte te Limmen,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde,
advocaat mr. M. de Boorder te Den Haag.
Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] worden genoemd.
1De procedure
Ter zitting van 28 februari 2018 heeft [eiseres] gesteld en gevorderd overeenkomstig de in kopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. [gedaagde] heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening. Beide partijen hebben producties in het geding gebracht en [eiseres] heeft haar standpunt doen toelichten aan de hand van een pleitnota.Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.
Ter zitting waren aanwezig:
aan de zijde van [eiseres] : bestuursleden [naam 1] ( [functienaam 1] ) en [naam 2] ( [functienaam 2] ), met mr. Otte;
aan de zijde van [gedaagde] : [gedaagde] en mr. De Boorder.
2De feiten
2.1.
Met ingang van 1 februari 2000 heeft [eiseres] de woning aan het adres [adres] (hierna: de woning) verhuurd aan de oma van [gedaagde] , [oma] (hierna: [oma] ), geboren [geboortedatum 1] 1927 . [gedaagde] is geboren op [geboortedatum 2] 1996 .
De woning is een sociale huurwoning met drie kamers en een oppervlakte van
67 m².
2.2.
[gedaagde] is medio 2014 bij zijn oma ingetrokken en rond die tijd heeft hij zich op het adres van de woning ingeschreven.
2.3.
Bij brief van 8 april 2014 heeft [eiseres] , naar aanleiding van brieven van [oma] van 9 januari en 3 maart 2014 aan haar meegedeeld geen bezwaar te hebben tegen de inwoning van [gedaagde] bij haar, noch tegen de inschrijving. In deze brief staat ook dat [gedaagde] daaraan geen rechten kan ontlenen en dat hij niet zal worden opgenomen in het huurcontract van [oma] .
2.4.
Op [overlijdensdatum] 2017 is [oma] overleden. Op 16 november 2017 heeft [gedaagde] [eiseres] per e-mail verzocht of hij als hoofdhuurder in de woning zou kunnen blijven. Op 18 november 2017 heeft [eiseres] verwezen naar de brief van 8 april 2014, inhoudend dat [gedaagde] aan de inwoning geen rechten kan ontlenen.
2.5.
Er heeft verdere correspondentie plaatsgevonden tussen partijen, waarbij [gedaagde] zijn verzoek heeft herhaald en [eiseres] zich op het standpunt heeft gesteld dat hij zonder recht of titel in de woning verblijft en deze dient te ontruimen, (uiterlijk) op 31 januari 2018. Onderdeel van deze correspondentie is een e-mail van 9 januari 2018 waarin [gedaagde] aan [eiseres] heeft verzocht de huurovereenkomst te mogen voortzetten op basis van een gevoerde duurzame gemeenschappelijke huishouding. Op 16 januari 2018 heeft [eiseres] daar negatief op gereageerd.
2.6.
Onder de gedingstukken (productie 1 van [gedaagde] ) bevinden zich verklaringen van onder anderen de moeder en tante van [gedaagde] van februari 2018 waarin kort gezegd staat dat [gedaagde] bij [oma] woonde, haar met alles hielp, mede de kosten van de huishouding droeg en haar liefdevol verzorgde.
3Het geschil
3.1.
[eiseres] vordert samengevat - ontruiming van de woning, binnen drie dagen na de betekening van het te wijzen vonnis, althans binnen een door de voorzieningenrechter te bepalen andere termijn, alsmede veroordeling van [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 576,16 voor iedere maand of gedeelte daarvan dat hij na 31 januari 2018 nog in de woning verblijft, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten en in de nakosten.
3.2.
[gedaagde] voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
Voorop staat dat [gedaagde] geen medehuurder is van de woning. Bij brief van 8 april 2014 heeft [eiseres] hem ondubbelzinnig laten dat hij aan de inwoning bij [oma] geen rechten kan ontlenen. [gedaagde] en [oma] hebben vervolgens geen verzoek bij de kantonrechter ingediend om medehuurderschap af te dwingen.
4.2.
[gedaagde] heeft een beroep gedaan op artikel 7:268 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW), waarin staat dat de persoon die geen medehuurder is maar wel in de woonruimte zijn hoofdverblijf heeft en met de overleden huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gehad de huur voortzet gedurende zes maanden na het overlijden van de huurder en ook nadien, indien de rechter dit heeft bepaald op een daartoe strekkende binnen die termijn ingediende vordering en in elk geval gedurende de loop van een daartoe aangevangen procedure. Een van de gronden om een dergelijke vordering af te wijzen is (in het geval het woonruimte betreft waarop de hoofdstuk 2 van Huisvestingswet van toepassing is, wat, naar niet in geschil is hier het geval is) dat de eiser geen huisvestingsvergunning over kan leggen (artikel 7:268 lid 3 onder 2c BW).
4.3.
Anders dan [gedaagde] heeft gesteld kan niet tot uitgangspunt worden genomen dat [eiseres] pas bij de mondelinge behandeling in dit kort geding de stelling heeft betrokken dat [gedaagde] geen beroep op artikel 7:268 toekomt omdat van een duurzame gemeenschappelijke huishouding geen sprake is geweest. Weliswaar heeft [eiseres] in de voorliggende correspondentie en in de dagvaarding dit standpunt niet met zoveel woorden benoemd, maar uit haar (herhaalde) stelling dat [gedaagde] de woning thans zonder recht of titel bewoont en dat hij deze dient te ontruimen kan impliciet worden afgeleid dat [eiseres] van meet af aan van oordeel is dat een duurzame gemeenschappelijke huishouding van [gedaagde] met [oma] niet aan de orde is (geweest). [gedaagde] stelt daar tegenover dat dit wel het geval was, maar heeft tot heden niet op deze grond een verzoek tot voortzetting van de huur ingediend bij de kantonrechter.
4.4.
De vraag of [gedaagde] met [oma] een duurzame gemeenschappelijke huishouding had in de zin van voornoemde bepaling moet worden beoordeeld aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval. Dienaangaande wordt het volgende overwogen.
4.5.
[gedaagde] is op 17 à (net) 18-jarige leeftijd gaan inwonen bij zijn toen 86-jarige oma, die, zoals [gedaagde] zelf heeft verklaard, weliswaar niet terminaal ziek, maar wel hulpbehoevend was. Haar zorgbehoefte is in de loop der jaren toegenomen, mede in verband met dementieklachten. [gedaagde] heeft in deze zorgbehoefte voorzien. Alleen al tegen de achtergrond van het leeftijdsverschil tussen partijen, de gevorderde leeftijd van [oma] en haar medische situatie bij de aanvang van de samenwoning, ligt het niet voor de hand deze samenwoonsituatie als ‘duurzaam’ aan te merken, noch naar objectieve, noch naar subjectieve maatstaven.
4.6.
De samenwoning van [gedaagde] met zijn oma heeft uiteindelijk 3,5 à 4 jaar geduurd. Op zichzelf is voldoende aannemelijk – [eiseres] heeft dat als zodanig ook niet betwist – dat [gedaagde] zijn oma gedurende die periode intensief heeft verzorgd, de boodschappen deed en daaraan ook een (financiële) bijdrage leverde. Voorzienbaar was echter dat dit een tijdelijke situatie was. Op zichzelf zijn deze factoren voor het aannemen van een duurzame gemeenschappelijke huishouding in de gegeven omstandigheden van onvoldoende gewicht. Aannemelijk is dat van meet af aan voor [gedaagde] en zijn oma duidelijk was dat [gedaagde] gezien zijn leeftijd op afzienbare termijn zijn eigen weg zou gaan. De periode dat de samenwoning heeft geduurd is niet dusdanig lang dat daarvan niet (meer) zou kunnen worden uitgegaan. [gedaagde] was ten tijde van het overlijden van zijn oma ook pas 21 jaar oud.
4.7.
Op grond van het voorgaande wordt geoordeeld dat geen sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding, zodat een beroep van [gedaagde] op artikel 7:268 lid 2 geen reële kans van slagen heeft. Onvoldoende aannemelijk is dan ook dat de rechter in een nog door [gedaagde] aan te spannen bodemprocedure de vordering tot voortzetting van de huur op basis van een duurzame gemeenschappelijke huishouding zal toewijzen. Daaraan kan nog worden toegevoegd dat voorshands twijfelachtig is of aan [gedaagde] als alleenstaande
21-jarige voor de woning een huisvestingsvergunning zal worden verstrekt, aangezien de woning relatief groot is en passend voor een meerpersoonshuishouden. Ook dat zal een grond voor afwijzing van een eventueel door [gedaagde] in te dienen vordering kunnen zijn. Voorshands wordt de stelling van [eiseres] dat [gedaagde] jegens haar geen recht op de woning kan doen gelden dan ook onderschreven.
4.8.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering tot ontruiming in beginsel toewijsbaar is. Anders dan [gedaagde] heeft bepleit, heeft [eiseres] daarbij een spoedeisend belang, gelet op hetgeen zij heeft verklaard over haar wachtlijst voor een dergelijke woning, ondanks dat zij de wachtlijst zelf niet in het geding heeft gebracht. Het is een feit van algemene bekendheid dat de woning behoort tot een categorie (zeer) schaarse woningen en er is vooralsnog geen aanleiding om aan te nemen dat de verklaring van [eiseres] over het bestaan van een wachtlijst binnen haar organisatie niet juist is. Van [eiseres] kan niet worden gevergd de uitkomst van een nog door [gedaagde] aan te spannen procedure bij de bodemrechter af te wachten. Dat de termijn van zes maanden na het overlijden van [oma] nog niet is verstreken, maakt dat niet anders. [gedaagde] wist in ieder geval op 16 januari 2018 dat [eiseres] hem niet als ‘samenwoner’ accepteerde. Als hij zich thans op het standpunt stelt dat ontruiming pas aan de orde zou kunnen zijn, nadat de rechter zich onherroepelijk over zijn vordering heeft uitgesproken (in het licht van artikel 7:268 lid 2 BW laatste zin), terwijl hij een dergelijke procedure al aanhangig had kunnen maken, wordt hij, gezien het grote belang van [eiseres] om zo spoedig mogelijk over de woning te kunnen beschikken en de niet reële kans van slagen van die procedure, daarin niet gevolgd.
4.9.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de ontruimingsvordering van [eiseres] zal worden toegewezen, waarbij een ontruimingstermijn van 14 dagen redelijk voorkomt.
4.10.
Ook de vordering tot betaling van een bedrag ter hoogte van de maandelijkse huur voor de periode dat [gedaagde] nog in de woning verblijft na
31 januari 2018 zal worden toegewezen. [gedaagde] heeft daartegen op zichzelf geen verweer gevoerd. Vanzelfsprekend zullen de reeds door hem betaalde huurtermijnen (volgens [gedaagde] heeft hij de huur tot op heden betaald) op het te vorderen bedrag in mindering dienen te worden gebracht.
4.11.
Als de in het ongelijk gestelde partij zal [gedaagde] worden veroordeeld in de kosten van het geding.
5De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om de woning aan het adres [adres] , binnen veertien (14) dagen na de betekening van dit vonnis met al de zijnen en het zijne te ontruimen en te verlaten en onder afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van [eiseres] te stellen, welke ontruiming zo nodig door de deurwaarder bewerkstelligd kan worden met behulp van de sterke arm conform het in artikel 555 e.v. jo. 444 van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalde;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] , indien hij niet vrijwillig aan de hiervoor gegeven veroordeling tot ontruiming voldoet en [eiseres] de ontruiming met inschakeling van een gerechtsdeurwaarder zelf bewerkstelligt, aan [eiseres] de kosten van de ontruiming te voldoen op vertoning van en conform de specificatie van die kosten in het proces-verbaal van ontruiming;
5.3.
veroordeelt [gedaagde] tot voldoening aan [eiseres] van een bedrag van € 576,16 voor iedere maand of gedeelte daarvan dat hij de woning na 31 januari 2018 in gebruik houdt, althans niet ontruimd en ter vrije beschikking aan [eiseres] overdraagt, vermeerderd met de wettelijke rente daarover te rekenen vanaf de eerste dag van de maand;
5.4.
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van dit geding, tot heden aan de zijde van [eiseres] begroot op:
– € 99,58 € 99,58 aan explootkosten,
– € 99,58 € 626,- aan griffierecht en
– € 99,58 € 816,- aan salaris advocaat;
5.5.
veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,- voor salaris advocaat, te vermeerderen met € 68,- en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit vonnis plaatsvindt;
5.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Walraven, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Balk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2018.
type: MB
coll: EB
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel
zaaknummer / rolnummer: C/13/643353 / KG ZA 18-153 MvW/MB
Vonnis in kort geding van 14 maart 2018
in de zaak van
de vereniging
[eiseres]
,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eiseres bij dagvaarding van 19 februari 2018,
advocaat mr. P.P. Otte te Limmen,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde,
advocaat mr. M. de Boorder te Den Haag.
Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] worden genoemd.
1De procedure
Ter zitting van 28 februari 2018 heeft [eiseres] gesteld en gevorderd overeenkomstig de in kopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. [gedaagde] heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening. Beide partijen hebben producties in het geding gebracht en [eiseres] heeft haar standpunt doen toelichten aan de hand van een pleitnota.Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.
Ter zitting waren aanwezig:
aan de zijde van [eiseres] : bestuursleden [naam 1] ( [functienaam 1] ) en [naam 2] ( [functienaam 2] ), met mr. Otte;
aan de zijde van [gedaagde] : [gedaagde] en mr. De Boorder.
2De feiten
2.1.
Met ingang van 1 februari 2000 heeft [eiseres] de woning aan het adres [adres] (hierna: de woning) verhuurd aan de oma van [gedaagde] , [oma] (hierna: [oma] ), geboren [geboortedatum 1] 1927 . [gedaagde] is geboren op [geboortedatum 2] 1996 .
De woning is een sociale huurwoning met drie kamers en een oppervlakte van
67 m².
2.2.
[gedaagde] is medio 2014 bij zijn oma ingetrokken en rond die tijd heeft hij zich op het adres van de woning ingeschreven.
2.3.
Bij brief van 8 april 2014 heeft [eiseres] , naar aanleiding van brieven van [oma] van 9 januari en 3 maart 2014 aan haar meegedeeld geen bezwaar te hebben tegen de inwoning van [gedaagde] bij haar, noch tegen de inschrijving. In deze brief staat ook dat [gedaagde] daaraan geen rechten kan ontlenen en dat hij niet zal worden opgenomen in het huurcontract van [oma] .
2.4.
Op [overlijdensdatum] 2017 is [oma] overleden. Op 16 november 2017 heeft [gedaagde] [eiseres] per e-mail verzocht of hij als hoofdhuurder in de woning zou kunnen blijven. Op 18 november 2017 heeft [eiseres] verwezen naar de brief van 8 april 2014, inhoudend dat [gedaagde] aan de inwoning geen rechten kan ontlenen.
2.5.
Er heeft verdere correspondentie plaatsgevonden tussen partijen, waarbij [gedaagde] zijn verzoek heeft herhaald en [eiseres] zich op het standpunt heeft gesteld dat hij zonder recht of titel in de woning verblijft en deze dient te ontruimen, (uiterlijk) op 31 januari 2018. Onderdeel van deze correspondentie is een e-mail van 9 januari 2018 waarin [gedaagde] aan [eiseres] heeft verzocht de huurovereenkomst te mogen voortzetten op basis van een gevoerde duurzame gemeenschappelijke huishouding. Op 16 januari 2018 heeft [eiseres] daar negatief op gereageerd.
2.6.
Onder de gedingstukken (productie 1 van [gedaagde] ) bevinden zich verklaringen van onder anderen de moeder en tante van [gedaagde] van februari 2018 waarin kort gezegd staat dat [gedaagde] bij [oma] woonde, haar met alles hielp, mede de kosten van de huishouding droeg en haar liefdevol verzorgde.
3Het geschil
3.1.
[eiseres] vordert samengevat - ontruiming van de woning, binnen drie dagen na de betekening van het te wijzen vonnis, althans binnen een door de voorzieningenrechter te bepalen andere termijn, alsmede veroordeling van [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 576,16 voor iedere maand of gedeelte daarvan dat hij na 31 januari 2018 nog in de woning verblijft, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten en in de nakosten.
3.2.
[gedaagde] voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
Voorop staat dat [gedaagde] geen medehuurder is van de woning. Bij brief van 8 april 2014 heeft [eiseres] hem ondubbelzinnig laten dat hij aan de inwoning bij [oma] geen rechten kan ontlenen. [gedaagde] en [oma] hebben vervolgens geen verzoek bij de kantonrechter ingediend om medehuurderschap af te dwingen.
4.2.
[gedaagde] heeft een beroep gedaan op artikel 7:268 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW), waarin staat dat de persoon die geen medehuurder is maar wel in de woonruimte zijn hoofdverblijf heeft en met de overleden huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gehad de huur voortzet gedurende zes maanden na het overlijden van de huurder en ook nadien, indien de rechter dit heeft bepaald op een daartoe strekkende binnen die termijn ingediende vordering en in elk geval gedurende de loop van een daartoe aangevangen procedure. Een van de gronden om een dergelijke vordering af te wijzen is (in het geval het woonruimte betreft waarop de hoofdstuk 2 van Huisvestingswet van toepassing is, wat, naar niet in geschil is hier het geval is) dat de eiser geen huisvestingsvergunning over kan leggen (artikel 7:268 lid 3 onder 2c BW).
4.3.
Anders dan [gedaagde] heeft gesteld kan niet tot uitgangspunt worden genomen dat [eiseres] pas bij de mondelinge behandeling in dit kort geding de stelling heeft betrokken dat [gedaagde] geen beroep op artikel 7:268 toekomt omdat van een duurzame gemeenschappelijke huishouding geen sprake is geweest. Weliswaar heeft [eiseres] in de voorliggende correspondentie en in de dagvaarding dit standpunt niet met zoveel woorden benoemd, maar uit haar (herhaalde) stelling dat [gedaagde] de woning thans zonder recht of titel bewoont en dat hij deze dient te ontruimen kan impliciet worden afgeleid dat [eiseres] van meet af aan van oordeel is dat een duurzame gemeenschappelijke huishouding van [gedaagde] met [oma] niet aan de orde is (geweest). [gedaagde] stelt daar tegenover dat dit wel het geval was, maar heeft tot heden niet op deze grond een verzoek tot voortzetting van de huur ingediend bij de kantonrechter.
4.4.
De vraag of [gedaagde] met [oma] een duurzame gemeenschappelijke huishouding had in de zin van voornoemde bepaling moet worden beoordeeld aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval. Dienaangaande wordt het volgende overwogen.
4.5.
[gedaagde] is op 17 à (net) 18-jarige leeftijd gaan inwonen bij zijn toen 86-jarige oma, die, zoals [gedaagde] zelf heeft verklaard, weliswaar niet terminaal ziek, maar wel hulpbehoevend was. Haar zorgbehoefte is in de loop der jaren toegenomen, mede in verband met dementieklachten. [gedaagde] heeft in deze zorgbehoefte voorzien. Alleen al tegen de achtergrond van het leeftijdsverschil tussen partijen, de gevorderde leeftijd van [oma] en haar medische situatie bij de aanvang van de samenwoning, ligt het niet voor de hand deze samenwoonsituatie als ‘duurzaam’ aan te merken, noch naar objectieve, noch naar subjectieve maatstaven.
4.6.
De samenwoning van [gedaagde] met zijn oma heeft uiteindelijk 3,5 à 4 jaar geduurd. Op zichzelf is voldoende aannemelijk – [eiseres] heeft dat als zodanig ook niet betwist – dat [gedaagde] zijn oma gedurende die periode intensief heeft verzorgd, de boodschappen deed en daaraan ook een (financiële) bijdrage leverde. Voorzienbaar was echter dat dit een tijdelijke situatie was. Op zichzelf zijn deze factoren voor het aannemen van een duurzame gemeenschappelijke huishouding in de gegeven omstandigheden van onvoldoende gewicht. Aannemelijk is dat van meet af aan voor [gedaagde] en zijn oma duidelijk was dat [gedaagde] gezien zijn leeftijd op afzienbare termijn zijn eigen weg zou gaan. De periode dat de samenwoning heeft geduurd is niet dusdanig lang dat daarvan niet (meer) zou kunnen worden uitgegaan. [gedaagde] was ten tijde van het overlijden van zijn oma ook pas 21 jaar oud.
4.7.
Op grond van het voorgaande wordt geoordeeld dat geen sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding, zodat een beroep van [gedaagde] op artikel 7:268 lid 2 geen reële kans van slagen heeft. Onvoldoende aannemelijk is dan ook dat de rechter in een nog door [gedaagde] aan te spannen bodemprocedure de vordering tot voortzetting van de huur op basis van een duurzame gemeenschappelijke huishouding zal toewijzen. Daaraan kan nog worden toegevoegd dat voorshands twijfelachtig is of aan [gedaagde] als alleenstaande
21-jarige voor de woning een huisvestingsvergunning zal worden verstrekt, aangezien de woning relatief groot is en passend voor een meerpersoonshuishouden. Ook dat zal een grond voor afwijzing van een eventueel door [gedaagde] in te dienen vordering kunnen zijn. Voorshands wordt de stelling van [eiseres] dat [gedaagde] jegens haar geen recht op de woning kan doen gelden dan ook onderschreven.
4.8.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering tot ontruiming in beginsel toewijsbaar is. Anders dan [gedaagde] heeft bepleit, heeft [eiseres] daarbij een spoedeisend belang, gelet op hetgeen zij heeft verklaard over haar wachtlijst voor een dergelijke woning, ondanks dat zij de wachtlijst zelf niet in het geding heeft gebracht. Het is een feit van algemene bekendheid dat de woning behoort tot een categorie (zeer) schaarse woningen en er is vooralsnog geen aanleiding om aan te nemen dat de verklaring van [eiseres] over het bestaan van een wachtlijst binnen haar organisatie niet juist is. Van [eiseres] kan niet worden gevergd de uitkomst van een nog door [gedaagde] aan te spannen procedure bij de bodemrechter af te wachten. Dat de termijn van zes maanden na het overlijden van [oma] nog niet is verstreken, maakt dat niet anders. [gedaagde] wist in ieder geval op 16 januari 2018 dat [eiseres] hem niet als ‘samenwoner’ accepteerde. Als hij zich thans op het standpunt stelt dat ontruiming pas aan de orde zou kunnen zijn, nadat de rechter zich onherroepelijk over zijn vordering heeft uitgesproken (in het licht van artikel 7:268 lid 2 BW laatste zin), terwijl hij een dergelijke procedure al aanhangig had kunnen maken, wordt hij, gezien het grote belang van [eiseres] om zo spoedig mogelijk over de woning te kunnen beschikken en de niet reële kans van slagen van die procedure, daarin niet gevolgd.
4.9.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de ontruimingsvordering van [eiseres] zal worden toegewezen, waarbij een ontruimingstermijn van 14 dagen redelijk voorkomt.
4.10.
Ook de vordering tot betaling van een bedrag ter hoogte van de maandelijkse huur voor de periode dat [gedaagde] nog in de woning verblijft na
31 januari 2018 zal worden toegewezen. [gedaagde] heeft daartegen op zichzelf geen verweer gevoerd. Vanzelfsprekend zullen de reeds door hem betaalde huurtermijnen (volgens [gedaagde] heeft hij de huur tot op heden betaald) op het te vorderen bedrag in mindering dienen te worden gebracht.
4.11.
Als de in het ongelijk gestelde partij zal [gedaagde] worden veroordeeld in de kosten van het geding.
5De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om de woning aan het adres [adres] , binnen veertien (14) dagen na de betekening van dit vonnis met al de zijnen en het zijne te ontruimen en te verlaten en onder afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van [eiseres] te stellen, welke ontruiming zo nodig door de deurwaarder bewerkstelligd kan worden met behulp van de sterke arm conform het in artikel 555 e.v. jo. 444 van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalde;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] , indien hij niet vrijwillig aan de hiervoor gegeven veroordeling tot ontruiming voldoet en [eiseres] de ontruiming met inschakeling van een gerechtsdeurwaarder zelf bewerkstelligt, aan [eiseres] de kosten van de ontruiming te voldoen op vertoning van en conform de specificatie van die kosten in het proces-verbaal van ontruiming;
5.3.
veroordeelt [gedaagde] tot voldoening aan [eiseres] van een bedrag van € 576,16 voor iedere maand of gedeelte daarvan dat hij de woning na 31 januari 2018 in gebruik houdt, althans niet ontruimd en ter vrije beschikking aan [eiseres] overdraagt, vermeerderd met de wettelijke rente daarover te rekenen vanaf de eerste dag van de maand;
5.4.
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van dit geding, tot heden aan de zijde van [eiseres] begroot op:
– € 99,58 € 99,58 aan explootkosten,
– € 99,58 € 626,- aan griffierecht en
– € 99,58 € 816,- aan salaris advocaat;
5.5.
veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,- voor salaris advocaat, te vermeerderen met € 68,- en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit vonnis plaatsvindt;
5.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Walraven, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Balk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2018.
type: MB
coll: EB