Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2017:9373
2017-12-14
Strafrecht
13/751423-17
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
EAB Belgie, verweer detentieomstandigheden verworpen
Citeert (3)
- ECLI:NL:RBAMS:2017:6233 Rechtbank Amsterdam 29-08-2017
- ECLI:NL:RBAMS:2017:6234 Rechtbank Amsterdam 29-08-2017
- ECLI:NL:RBAMS:2017:7146 Rechtbank Amsterdam 26-09-2017
Geciteerd door (1)
- ECLI:NL:RBAMS:2018:369 Rechtbank Amsterdam 25-01-2018
Volledige tekst
Volledige tekst (6.430 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM,
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751423-17
RK-nummer: 17/3376
Datum uitspraak: 14 december 2017
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 24 mei 2017 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 5 mei 2017 door de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, Afdeling Antwerpen (België) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
wonende en verblijvende op het adres:
[adres] ,
hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.
1Procesgang
Zitting op 18 juli 2017
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 18 juli 2017. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. J.J.M. Asbroek.
De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. H. van Asselt, advocaat te Roosendaal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.
Tussenuitspraak van 1 augustus 2017
De rechtbank heeft bij tussenuitspraak van 1 augustus 2017 het onderzoek heropend om nader onderzoek te doen naar de detentieomstandigheden in België en daartoe de officier van justitie opdracht gegeven navraag te doen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit.
Zitting op 30 november 2017
De behandeling van de vordering is voortgezet op de openbare zitting van 18 juli 2017. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie,
mr. J.J.M. Asbroek.
De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.
3Tussenuitspraak van 1 augustus 2017 herhaald en ingelast
De tussenuitspraak van 1 augustus 2017 is als bijlage bij deze uitspraak gevoegd. Wat is vermeld in de rubrieken 3 ‘Grondslag en inhoud van het EAB’, 4 ‘Strafbaarheid’ en 5 ‘De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de OLW’ moet hier als herhaald en ingelast worden beschouwd.
4Detentieomstandigheden
De rechtbank heeft na de tussenuitspraak in de onderhavige zaak in verschillende overleveringszaken met betrekking tot EAB’s uit België geoordeeld dat de detentieomstandigheden in België niet in de weg staan aan het toestaan van overlevering naar dat land. De rechtbank verwijst naar haar uitspraken van 29 augustus 2017 (ECLI:NL:RBAMS:2017:6233 en ECLI:NL:RBAMS:2017:6234) en 26 september 2017 (ECLI:NL:RBAMS:2017:7146).
De raadsman heeft ter zitting van 30 november 2017 verklaard op de hoogte te zijn van voornoemde uitspraken van de rechtbank over de detentieomstandigheden in België en zich vervolgens gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De officier van justitie heeft, onder verwijzing naar de jurisprudentie van de rechtbank, geconcludeerd dat de detentieomstandigheden in België geen reden tot weigering van de verzochte overlevering van de opgeëiste persoon opleveren.
Onder verwijzing naar voormelde jurisprudentie overweegt de rechtbank als volgt.
De aard en de ernst van (vooral) de Openbare verklaring van 13 juli 2017 van het CPT heeft de rechtbank aanleiding gegeven om nadere inlichtingen te vragen aan de Belgische autoriteiten. Daarbij moet worden opgemerkt dat de beschikbare informatie ten tijde van de tussenuitspraak nog niet de conclusie rechtvaardigde dat sprake was van een (algemeen) reëel gevaar in Belgische gevangenissen op een onmenselijke of vernederende behandeling.
De algemene aanvullende informatie die de rechtbank nadien in verschillende zaken heeft ontvangen en welke ook wordt genoemd in de eerdergenoemde uitspraken, rechtvaardigt deze conclusie nog minder.
De detentieomstandigheden in België vormen dan ook geen reden de overlevering van de opgeëiste persoon naar België niet toe te staan.
5Slotsom
Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.
6Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 47 en 140 Wetboek van Strafrecht, 2 en 10 Opiumwet en 2, 5, 6 en 7, van de OLW.
7Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, Afdeling Antwerpen ten behoeve van het in België tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.
Aldus gedaan door
mr. A.J. Dondorp, voorzitter,
mrs. R.A.J. Hübel en M.J. Alink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 14 december 2017.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751423-17
RK-nummer: 17/3376
Datum uitspraak: 14 december 2017
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 24 mei 2017 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 5 mei 2017 door de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, Afdeling Antwerpen (België) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
wonende en verblijvende op het adres:
[adres] ,
hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.
1Procesgang
Zitting op 18 juli 2017
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 18 juli 2017. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. J.J.M. Asbroek.
De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. H. van Asselt, advocaat te Roosendaal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.
Tussenuitspraak van 1 augustus 2017
De rechtbank heeft bij tussenuitspraak van 1 augustus 2017 het onderzoek heropend om nader onderzoek te doen naar de detentieomstandigheden in België en daartoe de officier van justitie opdracht gegeven navraag te doen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit.
Zitting op 30 november 2017
De behandeling van de vordering is voortgezet op de openbare zitting van 18 juli 2017. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie,
mr. J.J.M. Asbroek.
De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.
3Tussenuitspraak van 1 augustus 2017 herhaald en ingelast
De tussenuitspraak van 1 augustus 2017 is als bijlage bij deze uitspraak gevoegd. Wat is vermeld in de rubrieken 3 ‘Grondslag en inhoud van het EAB’, 4 ‘Strafbaarheid’ en 5 ‘De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de OLW’ moet hier als herhaald en ingelast worden beschouwd.
4Detentieomstandigheden
De rechtbank heeft na de tussenuitspraak in de onderhavige zaak in verschillende overleveringszaken met betrekking tot EAB’s uit België geoordeeld dat de detentieomstandigheden in België niet in de weg staan aan het toestaan van overlevering naar dat land. De rechtbank verwijst naar haar uitspraken van 29 augustus 2017 (ECLI:NL:RBAMS:2017:6233 en ECLI:NL:RBAMS:2017:6234) en 26 september 2017 (ECLI:NL:RBAMS:2017:7146).
De raadsman heeft ter zitting van 30 november 2017 verklaard op de hoogte te zijn van voornoemde uitspraken van de rechtbank over de detentieomstandigheden in België en zich vervolgens gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De officier van justitie heeft, onder verwijzing naar de jurisprudentie van de rechtbank, geconcludeerd dat de detentieomstandigheden in België geen reden tot weigering van de verzochte overlevering van de opgeëiste persoon opleveren.
Onder verwijzing naar voormelde jurisprudentie overweegt de rechtbank als volgt.
De aard en de ernst van (vooral) de Openbare verklaring van 13 juli 2017 van het CPT heeft de rechtbank aanleiding gegeven om nadere inlichtingen te vragen aan de Belgische autoriteiten. Daarbij moet worden opgemerkt dat de beschikbare informatie ten tijde van de tussenuitspraak nog niet de conclusie rechtvaardigde dat sprake was van een (algemeen) reëel gevaar in Belgische gevangenissen op een onmenselijke of vernederende behandeling.
De algemene aanvullende informatie die de rechtbank nadien in verschillende zaken heeft ontvangen en welke ook wordt genoemd in de eerdergenoemde uitspraken, rechtvaardigt deze conclusie nog minder.
De detentieomstandigheden in België vormen dan ook geen reden de overlevering van de opgeëiste persoon naar België niet toe te staan.
5Slotsom
Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.
6Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 47 en 140 Wetboek van Strafrecht, 2 en 10 Opiumwet en 2, 5, 6 en 7, van de OLW.
7Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, Afdeling Antwerpen ten behoeve van het in België tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.
Aldus gedaan door
mr. A.J. Dondorp, voorzitter,
mrs. R.A.J. Hübel en M.J. Alink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 14 december 2017.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.