Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2017:4274

2017-03-08 Civiel recht 4741904 EA 16-30 en 4813152 EA 16-142
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2017-03-08
Publicatiedatum
2017-06-20
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
4741904 EA 16-30 en 4813152 EA 16-142
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

-

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.164 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM


Afdeling privaatrecht



Clusternummer: 103536
zaaknummers: 4741904 EA 16-30 en 4813152 EA 16-142
beschikking van: 8 maart 2016
func.: 394



beschikking van de kantonrechter


I n z a k e



[verzoekster]


gevestigd te [plaats]
verzoekster in de zaak met nummer EA 16-30
verweerster in de zaak met nummer EA 16-142
nader te noemen: [verzoekster]
gemachtigde: mr. M. Drolsbach



t e g e n



[verweerster]


wonende te [plaats]
verweerster in de zaak met nummer EA 16-30
verzoekster in de zaak met nummer EA 16-142
nader te noemen: [verweerster]
gemachtigde: mr. D.H. Stibbe


VERLOOP VAN DE PROCEDURE in beide zaken



[verzoekster] heeft op 8 januari 2016 een verzoek ingediend dat strekt tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen partijen.




[verweerster] heeft een verweerschrift ingediend. [verweerster] verzoekt voor het geval tot ontbinding wordt overgegaan, rekening te houden met de wettelijke opzegtermijn. Voorts verzoekt [verweerster] [verzoekster] te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding van € 5.845,00 en een billijke vergoeding toe te kennen van € 40.000,00.

[verzoekster] heeft een verweerschrift op de zelfstandige verzoeken van [verweerster] ingediend.
De verzoeken zijn mondeling behandeld ter terechtzitting van 23 februari 2016. [verzoekster] is verschenen bij [naam 1] , [functie] , en haar gemachtigde. [verweerster] is in persoon verschenen, vergezeld door [naam 2] en haar gemachtigde. Tevens is verschenen [naam 3] , arbeidsdeskundige van Remplooi. Beide gemachtigden hebben het woord gevoerd aan de hand van een overgelegde pleitnotitie. Hierna hebben partijen vragen van de kantonrechter beantwoord. Na verder debat is een datum voor beschikking bepaald.



GRONDEN VAN DE BESLISSING



Uitgangspunten


1. Uitgegaan wordt van het volgende.


1.1.

[verweerster] , geboren op [geboortedatum] 1963 , is sedert 1 september 2007 in dienst van verzoekster, laatstelijk in de functie van administratief medewerkster voor 30 uur per week. Het bruto salaris bedraagt € 1.444,16 per maand exclusief vakantietoeslag.


1.2.

[verweerster] is op 4 september 2013 met psychische klachten uitgevallen. Sinds begin januari 2014 heeft [verweerster] aangepast werk gedaan, bestaande uit het nabellen van debiteuren. Dit werk heeft zij tot en met oktober 2014 gedaan.


1.3.
In het kader van de verzuimbegeleiding van [verweerster] is op enig moment aan de orde gekomen dat sprake was van een arbeidsconflict. Dit is ook vermeld is de adviezen van de bedrijfsartsen [naam 4] en [naam 5] van respectievelijk 27 oktober 2014, 20 november 2014 en 5 december 2014.


1.4.
Op 2 december 2014 heeft een interventiegesprek plaatsgevonden tussen [verweerster] en [verzoekster] in aanwezigheid van [naam 3] . In dat gesprek heeft [verzoekster] gesteld niet op de hoogte te zijn van het bestaan van een arbeidsconflict noch te weten waar het conflict op zag.


1.5.

[verweerster] heeft eind 2014 één week 4 x 3 uur gewerkt in plaats van de door de bedrijfsarts geadviseerde 3 x 2 uur per week. Daarna heeft zij geen werkzaamheden meer verricht.


1.6.

[verzoekster] heeft in januari 2015 re-integratie in Spoor 2 in gang gezet via Percuris. In april 2015 heeft mediation tussen partijen plaatsgevonden. Op verzoek van [verweerster] is nog re-integratie bij [verzoekster] geprobeerd, maar uiteindelijk niet gelukt.


1.7.
De bedrijfsarts heeft in zijn rapportage van 21 december 2015 gesteld dat re-integratie in spoor 2 het doel is aangezien het re-integratietraject in spoor 1 niet meer als realistisch wordt gezien.


1.8.
Bij beslissing van 5 augustus 2015 heeft het UWV [verzoekster] een loonsanctie opgelegd. Het door [verzoekster] ingediende bezwaar is bij beslissing van 7 januari 2016 ongegrond verklaard. [verzoekster] is van deze beslissing in beroep gegaan bij de rechtbank.


1.9.
Vanaf 1 november 2014 betaalt [verzoekster] aan [verweerster] 70% van haar salaris.



zaaknummer EA VERZ 16-30


Verzoek

2. [verzoekster] verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerster] te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel a jo. 7:669 lid 3, onderdeel g van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Aan dit verzoek legt [verzoekster] ten grondslag dat sprake is van - kort gezegd - een verstoorde arbeidsverhouding, zodanig dat van haar als werkgever redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Hoewel [verweerster] thans wegens ziekte arbeidsongeschikt is, houdt het verzoek van [verzoekster] geen verband met omstandigheden waarop het opzegverbod betrekking heeft.

[verzoekster] stelt hiertoe - kort weergegeven - dat [verweerster] sinds haar indiensttreding regelmatig en langdurig wegens ziekte uitgevallen is. De laatste ziekmelding dateert van 14 september 2013. In augustus 2014 heeft [verweerster] korte tijd op basis van re-integratie 3 dagen van 3 uur per dag bij [verzoekster] gewerkt. Zij viel echter wederom uit met schouderklachten, waarvoor zij in februari 2015 is geopereerd. Tijdens haar revalidatie kwam zij ten val en moest zij opnieuw geopereerd worden. Daarna heeft [verweerster] herniaklachten gemeld, waarvoor zij in november 2015 is geopereerd. In de loop van november/december 2014 rapporteerde de bedrijfsarts plotsklaps dat er sprake was van een arbeidsconflict, waarvan [verzoekster] niet eerder op de hoogte was. Zij had nooit een dergelijk signaal van [verweerster] gekregen. [verweerster] kon ook niet aangeven wat het conflict in haar beleving inhield. Naar de mening van [verzoekster] was van een conflict geen sprake. Volgens de adviezen van de bedrijfsarts en een deskundigenoordeel diende het veronderstelde arbeidsconflict echter eerst opgelost te zijn alvorens van re-integratie en werkhervatting sprake zou kunnen zijn. Daarom is re-integratie tweede spoor ingezet. Omdat [verweerster] toen aangaf dat zij toch bij haar eigen werkgever wilde re-integreren, is mediation gestart. Pas uit het UWV-WIA dossier heeft [verzoekster] begrepen dat [verweerster] tegenover derden toen al veelvuldig had laten weten dat zij weg wilde bij [verzoekster] , omdat de werksfeer haar niet beviel en zij nachtmerries van de directie kreeg. In verschillende stukken geeft [verweerster] er blijk van dat zij in werkelijkheid niet bij [verzoekster] terug wenst te keren. Dit heeft zij tegenover [verzoekster] steeds verzwegen. Daar komt bij dat [verweerster] zonder overleg vanaf 22 juli 2015 vakantie heeft opgenomen. [verzoekster] kan niet anders concluderen dan dat er sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding. Het conflict dat zou moeten worden opgelost, is onoplosbaar gebleken. Een vruchtbare samenwerking is binnen de kleine organisatie - een familiebedrijf - van [verzoekster] niet meer mogelijk.




Verweer
3. [verweerster] verweert zich tegen de verzochte ontbinding, onder meer op de gronden die hierna (voor zover voor de beslissing van belang) bij de beoordeling aan de orde komen.


Beoordeling
4. De kantonrechter stelt voorop dat uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. De kantonrechter heeft zich ervan vergewist dat het verzoek geen verband houdt met een opzegverbod.
5. De kantonrechter is met [verzoekster] van oordeel dat de arbeidsovereenkomst moet worden ontbonden. [verweerster] bestrijdt weliswaar dat daar aanleiding voor is, maar dit standpunt overtuigt niet. De verstandhouding tussen partijen is klaarblijkelijk zodanig verstoord geraakt dat verdere samenwerking niet meer valt te verwachten. Wat daarvan concreet de oorzaak is geweest, heeft de kantonrechter ook ter zitting niet kunnen achterhalen. Meer dan een enkele verkeerd gevallen opmerking van de directeur van [verzoekster] is niet naar voren gekomen. Hoe dan ook is evident dat partijen, beiden vanuit hun eigen perceptie, geen enkel vertrouwen in elkaars goede wil meer hebben.
6. Anders dan [verweerster] betoogt, kan niet worden vastgesteld dat de verstoring van de relatie geheel op het conto van [verzoekster] moet worden geschreven. Van een door [verzoekster] opzettelijk veroorzaakte verstoring van de arbeidsverhouding is de kantonrechter niet gebleken.
7. De conclusie is dat de kantonrechter het ontbindingsverzoek van [verzoekster] zal toewijzen en dat de arbeidsovereenkomst met toepassing van artikel 7:671b lid 8, onderdeel a, BW zal worden ontbonden met ingang van 1 mei 2016.
8. Resteert de vraag of aan [verweerster] een vergoeding moet worden toegekend. In dit verband is van belang dat ook niet is gebleken van ernstig verwijtbaar handelen van [verweerster] . Er is duidelijk sprake van een stukgelopen arbeidsrelatie. Anders dan [verzoekster] heeft betoogd, kan echter niet worden vastgesteld dat [verweerster] daarop bewust heeft aangestuurd. Derhalve heeft [verweerster] recht op de transitievergoeding. Nu [verzoekster] de hoogte van de door [verweerster] verzochte transitievergoeding niet heeft betwist, zal deze worden toegewezen.
9. De kantonrechter ziet geen aanleiding om daarnaast aan [verweerster] een billijke vergoeding toe te kennen. Gelet op artikel 7:671b lid 8, onderdeel c, BW is voor toekenning van een billijke vergoeding alleen plaats indien de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werkgever zich slechts zal voordoen in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als een werkgever grovelijk de verplichtingen niet nakomt die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst en er als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat of als een werkgever een valse grond voor ontslag aanvoert met als enig oogmerk een onwerkbare situatie te creëren. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor onder 5 en 6 is overwogen doet een dergelijke situatie zich hier niet voor. Dit verzoek van [verweerster] zal daarom worden afgewezen.
10. De kantonrechter ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.


zaaknummer EA VERZ 16-142



Verzoek


11. [verweerster] verzoekt [verzoekster] te veroordelen tot betaling van € 6.189,00 bruto als achterstallige loonbetaling, te vermeerderen met de wettelijke rente en wettelijke verhoging vanaf 1 november 2014 tot de voldoening. Voorts verzoekt [verweerster] [verzoekster] te veroordelen tot volledige voldoening van het loon vanaf 1 februari 2016.
11. [verweerster] stelt hiertoe dat [verzoekster] per 1 november 2014 onaangekondigd is overgegaan tot uitbetaling van 70% van het loon. Aangezien [verzoekster] vanaf de ziekmelding van [verweerster] 14 maanden 100% van het loon heeft uitbetaald mocht [verweerster] er op vertrouwen dat zij daarna ook voor 100% zou worden doorbetaald. De verlaging met 30% vindt geen grondslag in een CAO of de arbeidsovereenkomst.



Verweer


13. [verzoekster] stelt primair dat het verzoek om veroordeling tot betaling van suppletie van het ziekengeld tot 100% geen verband houdt met het ontbindingsverzoek. De Wet Werk en Zekerheid (WWZ) heeft niet bedoeld de mogelijkheid in te voeren een loonvordering in te stellen, aldus [verzoekster] . Deze vordering dient daarom via een dagvaardingsprocedure te worden ingesteld en [verweerster] dient in haar verzoek niet ontvankelijk te worden verklaard.
Subsidiair stelt [verzoekster] dat hij rechtens niet gehouden is tot suppletie van het ziekengeld tot 100% nu er geen CAO van toepassing is en de arbeidsovereenkomst daar niet in voorziet. Er is geen sprake van dat [verweerster] er op mocht vertrouwen dat [verzoekster] gedurende het tweede ziektejaar 100% loon zou doorbetalen in plaats van de wettelijke 70%.




Beoordeling

14. De kantonrechter is van oordeel dat onderhavige loonvordering voldoende samenhang heeft met het ontbindingsverzoek in de zin van artikel 7:686a lid 3 BW. Het betreft tenslotte dezelfde arbeidsovereenkomst waarop de loonvordering is gebaseerd. [verweerster] kan daarom worden ontvangen in haar verzoek.
14. Het subsidiaire verweer slaagt. Niet gesteld of gebleken is dat er een CAO op de arbeidsovereenkomst van toepassing is, noch voorziet de arbeidsovereenkomst in suppletie van het ziekengeld tot 100%. Het enkele feit dat [verzoekster] 2 maanden langer dan wettelijk voorgeschreven 100% heeft doorbetaald, leidt er niet toe dat [verweerster] er daarom op mocht vertrouwen dat [verzoekster] hiermee door zou gaan. Het verzoek zal daarom worden afgewezen. Ook hier bestaat geen aanleiding voor een kostenveroordeling.





BESLISSING


De kantonrechter:




zaaknummer EA VERZ 16-30


ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 mei 2016;



kent aan [verweerster] een transitievergoeding toe ten laste van [verzoekster] ter hoogte van € 5.845,00 bruto;



veroordeelt [verzoekster] tot betaling van deze vergoeding en verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;


wijst het meer of anders verzochte af;





zaaknummer EA VERZ 16-142


wijst het verzoek af.




Aldus gegeven door mr. A.W.J. Ros, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 maart 2016 in tegenwoordigheid van de griffier.