Parket bij de Hoge Raad
ECLI:NL:PHR:2026:917
2026-09-25
Civiel recht; Personen- en familierecht
26/00751
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Wvggz. Zorgmachtiging. Art. 5:8 lid 1 Wvggz. Beoordeling van de actualiteit van de medische verklaring? Beoordeling psychische stoornis en ernstig nadeel mede aan de hand van voorvallen uit het verleden.
Citeert (4)
- ECLI:NL:RBAMS:2025:11382 Rechtbank Amsterdam 08-12-2025
- ECLI:NL:HR:2026:1437 Hoge Raad 11-09-2026
- ECLI:NL:HR:2026:1437 Hoge Raad 11-09-2026
- ECLI:NL:HR:2025:726 Hoge Raad 09-05-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (17.691 tekens)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 26/00751
Zitting 25 september 2026
CONCLUSIE
L.M. Coenraad
In de zaak
[betrokkene],
hierna: betrokkene,
advocaat: mr. G.E.M. Later
tegen
de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam
hierna: de officier van justitie.
1Inleiding en samenvatting
1.1
In deze Wvggz-zaak is ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend. De meest verstrekkende klacht in cassatie betreft de actualiteit van de medische verklaring. Geklaagd wordt dat de rechtbank haar oordeel heeft gebaseerd op een medische verklaring die ten tijde van haar beoordeling reeds anderhalve maand oud was en volgens het middel niet meer actueel was. Ik meen dat de klacht over de actualiteit van de medische verklaring slaagt nu de rechtbank daarover geen kenbaar oordeel heeft gegeven, ondanks een specifiek door betrokkene ingenomen verweer daartoe.
1.2
In cassatie wordt verder geklaagd over het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een psychische stoornis en van ernstig nadeel. Voor zover de bestreden oordelen over de psychische stoornis en het ernstig nadeel gebaseerd zijn op de medische verklaring slagen deze klachten in het voetspoor van het slagen van voornoemde meest verstrekkende klacht. Voor het overige geldt dat de bestreden oordelen van feitelijke aard zijn en in cassatie slechts op begrijpelijkheid kunnen worden getoetst. Dat de rechtbank daarbij betekenis heeft toegekend aan voorvallen uit het verleden die uit de overgelegde stukken blijken, in samenhang met de actuele inschatting van de psychiater ter zitting over het risico op een nieuwe psychotische decompensatie, acht ik op zichzelf niet onbegrijpelijk.
2Feiten en procesverloop
2.1
De officier van justitie heeft bij verzoekschrift, binnengekomen op 24 oktober 2025 bij de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank), verzocht om ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging voor de duur van twaalf maanden te verlenen voor verschillende vormen van verplichte zorg.
2.2
De mondelinge behandeling van het verzoekschrift heeft eerst plaatsgevonden op 14 november 2025 en is na aanhouding voortgezet op 8 december 2025. Tijdens de voortgezette mondelinge behandeling zijn gehoord: betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat, en een waarnemend psychiater. Van de mondelinge behandeling op zowel 14 november als 8 december 2025 is proces-verbaal opgemaakt.
2.3
Bij beschikking van 8 december 2025 (hierna ook: de bestreden beschikking), heeft de rechtbank een zorgmachtiging voor de duur van zes maanden verleend.
2.4
Betrokkene heeft tegen de bestreden beschikking tijdig beroep in cassatie ingesteld.
2.5
De officier van justitie heeft geen verweer gevoerd.
3Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel bestaat uit twee onderdelen.
Onderdeel I richt zich tegen r.o. 2.2-2.3 van de bestreden beschikking, waarin het volgende is overwogen:
“2.2. Door en namens betrokkene is primair verzocht om het verzoek af te wijzen, omdat geen sprake (meer) is van ernstig nadeel en een zorgmachtiging daardoor niet doelmatig is. Betrokkene heeft tijdens de mondelinge behandeling medegedeeld dat het goed met hem gaat, ondanks dat hij al drie maanden zijn medicatie niet meer inneemt. Betrokkene heeft aangegeven dat hij een goede baan heeft en binnenkort zal starten met een opleiding. De incidenten waarnaar ter onderbouwing van de vormen van ernstig nadeel wordt verwezen, zijn gedateerd en mogen betrokkene niet telkens opnieuw worden tegengeworpen. Daarnaast speelde er destijds een andere thuissituatie, omdat hij in een probleemwijk woonde met veel drugsdealers.
Subsidiair heeft de advocaat aangevoerd dat het verzoek moet worden aangehouden, teneinde een nieuwe medische verklaring op te stellen. Volgens de advocaat is er geen sprake meer van levensgevaar of agressie naar anderen en dient daarom de wilsbekwaamheid van betrokkene opnieuw te worden beoordeeld.
De rechtbank oordeelt als volgt. De rechtbank is gelet op de over[ge]legde stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is toegelicht, van oordeel dat deze stoornis leidt tot ernstig nadeel, gelegen in levensgevaar, ernstig lichamelijk letsel, ernstige psychische schade, ernstige verwaarlozing, maatschappelijke teloorgang, de situatie dat betrokkene met hinderlijk gedrag agressie van anderen oproept en de situatie dat de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar is. Hoewel er volgens de psychiater op dit moment geen sprake is van ernstig nadeel, is zij van mening dat dit wel weer kan ontstaan wanneer betrokkene ontregelt. Afgelopen jaar is betrokkene nog opgenomen geweest, vanwege een psychotische decompensatie en tevens heeft hij in het verleden een suïcide poging gedaan. Volgens de psychiater is betrokkene nog te kort gestopt met de medicatie om het volledige effect daarvan te zien en bestaat de kans op ontregeling en daarbij ernstig nadeel, nog steeds.
2.3.
Om het ernstig nadeel af te wenden heeft betrokkene zorg nodig.”
3.2
Het onderdeel citeert eerst een aantal passages uit de processen-verbaal van de mondelinge behandeling op 14 november 2025 en 8 december 2025 (subonderdelen 1.1-1.2) en klaagt vervolgens in de kern dat niet blijkt dat ten tijde van de behandeling van het verzoek sprake was van een psychische stoornis en zeker niet van ernstig nadeel voortvloeiend uit de psychische stoornis, zodat niet aan de voorwaarden voor het verlenen van een zorgmachtiging zou zijn voldaan (subonderdeel 1.3). Daartoe wordt aangevoerd dat in de medische verklaring van 21 oktober 2025 en in het behandelplan van dezelfde datum voornamelijk naar het verleden wordt gekeken. Uit die stukken blijkt echter niet dat op het moment van het opstellen ervan nog sprake is van ernstig nadeel, ondanks dat betrokkene sinds augustus 2025 met de medicatie is gestopt. Ook wordt aangevoerd dat de psychiater ter zitting uitdrukkelijk heeft verklaard dat ten tijde van de behandeling geen sprake was van ernstig nadeel. Een verwijzing naar een situatie van enkele jaren geleden kan volgens het onderdeel geen grond vormen voor een vrijheidsbeneming als bedoeld in artikel 5 lid 1, aanhef en onder e, EVRM.
3.3
Onderdeel II richt zich tegen r.o. 2.4-2.6 van de bestreden beschikking, waarin het volgende is overwogen, voor zover hier relevant:
“2.4. Gebleken is dat er geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis zijn. Om die reden is verplichte zorg nodig. Van de in het verzoekschrift genoemde vormen van zorg, die zijn gebaseerd op het zorgplan en het advies van de geneesheer-directeur, alsmede gelet op hetgeen bij de mondelinge behandeling naar voren is gekomen acht de rechtbank de volgende vormen van verplichte zorg noodzakelijk gedurende zes maanden:
(...)
2.5.
De verplichte zorg is evenredig en naar verwachting effectief. Uit de stukken blijkt dat bij het bepalen van de juiste zorg rekening is gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen, alsmede met de veiligheid van betrokkene. Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben.
2.6.
Hetgeen namens en door betrokkene als verweer is aangevoerd doet aan het voorgaande niet af.”
3.4
Uit subonderdeel 2.1 begrijp ik dat in de kern wordt geklaagd dat de rechtbank tot de oordelen in r.o. 2.4-2.6 is gekomen op basis van een medische verklaring die ten tijde van de behandeling van het verzoek op 8 december 2025 niet meer actueel is. Daartoe wordt aangevoerd dat de advocaat van verzoeker ter zitting van zowel 14 november 2025 als 8 december 2025 subsidiair heeft verzocht om een nieuwe medische verklaring te laten opstellen. De medische verklaring dateert van 21 oktober 2025, waarin dan al vermeld staat dat betrokkene sinds augustus 2025 geen medicatie gebruikt en dan niet psychotisch is. Nu uit de stukken blijkt dat betrokkene ten tijde van de beslissing van de rechtbank al vier maanden geen medicatie gebruikte zonder psychotisch te zijn geworden of ernstig nadeel te veroorzaken, was volgens het onderdeel, mede gelet op artikel 2:1 Wvggz en artikel 5 lid 1, aanhef en onder e, EVRM, een actuele medische verklaring noodzakelijk. Geklaagd wordt dat het onjuist of onbegrijpelijk is dat de rechtbank, op basis van de stukken en de ruim anderhalve maand oude medische verklaring, tot haar beslissing is gekomen, zelfs met toewijzing van alle vormen van verplichte zorg, waarover ter zitting niet gesproken is (subonderdelen 2.1-2.2).
3.5
Nu de klacht van onderdeel II het meest verstrekkend is, zal ik met de bespreking van deze klacht beginnen. Deze klacht slaagt.
3.6
Uit het systeem van de Wvggz, in het bijzonder uit artikel 5:8 lid 1 Wvggz in verbinding met artikel 5:17 lid 3 Wvggz en artikel 6:4 Wvggz, volgt dat een rechter slechts een zorgmachtiging mag verlenen indien uit een medische verklaring van een psychiater over de actuele gezondheidstoestand van de betrokkene blijkt dat uit diens gedrag als gevolg van zijn psychische stoornis ernstig nadeel voortvloeit. Voor de psychiater die de medische verklaring opstelt, gelden de in artikel 5:7 Wvggz genoemde voorwaarden. Die voorwaarden dienen als waarborg voor een onafhankelijke, onpartijdige en behoorlijke besluitvorming over verplichte zorg. Een en ander strookt met de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens over artikel 5 lid 1, aanhef en onder e, EVRM.
3.7
Recent heeft de Hoge Raad wederom uiteengezet aan de hand van welke maatstaf moet worden beoordeeld of een medische verklaring nog actueel is:
“3.5 De beantwoording van de vraag of een medische verklaring nog actueel is, moet plaatsvinden op basis van een beoordeling of de situatie van de betrokkene sinds het aan de medische verklaring ten grondslag liggende onderzoek in relevante mate is gewijzigd, en is afhankelijk van alle omstandigheden van het geval. Daarbij is onder meer van belang het tijdsverloop tussen het medische onderzoek door de onafhankelijk psychiater en de beslissing van de rechter. Hoe meer tijd is verstreken tussen dat medische onderzoek en de beslissing van de rechter, des te hoger de eisen die gesteld worden aan de motivering van het oordeel van de rechter dat de medische verklaring nog actueel is.
Bij de hiervoor bedoelde beoordeling of de medische verklaring nog actueel is, mag de rechter ook betrekken de informatie die de behandelend psychiater op de zitting heeft verstrekt. Voor die beoordeling is niet een nieuwe medische verklaring van een onafhankelijk psychiater vereist. Opmerking verdient dat als de rechter tot de conclusie komt dat de medische verklaring niet meer actueel is, wel een nieuwe medische verklaring van een onafhankelijk psychiater moet worden overgelegd of de oorspronkelijke medische verklaring door een onafhankelijk psychiater moet worden geactualiseerd.”
3.8
Nu in deze zaak de advocaat ter zitting van zowel 14 november 2025 als 8 december 2025 heeft verzocht om een nieuwe medische verklaring, had de rechtbank mijns inziens aan de hand van de hiervoor onder 3.7 weergegeven maatstaf kenbaar in haar beschikking dienen vast te stellen of de medische verklaring nog actueel was en de gronden dienen te vermelden waarop haar oordeel berust.
3.9
Van een dergelijke kenbare beoordeling van de actualiteit van de medische verklaring blijkt echter niet uit de bestreden beschikking. In r.o. 2.2 overweegt de rechtbank, na een weergave van hetgeen door en namens betrokkene primair is verzocht, dat de advocaat subsidiair heeft aangevoerd dat het verzoek moet worden aangehouden, teneinde een nieuwe medische verklaring op te stellen. In r.o. 2.6 overweegt de rechtbank vervolgens slechts in algemene zin dat hetgeen door of namens betrokkene als verweer is aangevoerd aan het voorgaande – naar ik begrijp: de oordelen in r.o. 2.2-r.o. 2.5 – niet afdoet. Uit deze laatste overweging blijkt mijns inziens niet dat de rechtbank het uitdrukkelijk gevoerde verweer over de actualiteit van de medische verklaring heeft beoordeeld en tot het oordeel is gekomen dat de medische verklaring actueel is. De gekozen bewoordingen in r.o. 2.6 sluiten bovendien niet uit dat de rechtbank in het midden laat of de medische verklaring al dan niet actueel is.
3.10
Van andere aanwijzingen in de bestreden beschikking dat de rechtbank de actualiteit van de medische verklaring heeft beoordeeld, is mijns inziens ook geen sprake. Ik wijs daartoe op het volgende. Zoals hiervoor onder 3.7 bleek, mag de rechter bij de beoordeling van de vraag of de medische verklaring nog actueel is ook acht slaan op de informatie die de behandelend psychiater ter zitting heeft verstrekt en is voor die beoordeling niet zonder meer een nieuwe medische verklaring van een onafhankelijk psychiater vereist. Beslissend is of de situatie van betrokkene sinds het aan de medische verklaring ten grondslag liggende onderzoek in relevante mate was gewijzigd. De rechtbank heeft in r.o. 2.2, derde alinea, wel bij de beoordeling van het ernstig nadeel betrokken wat de waarnemend psychiater ter zitting over de actuele situatie van betrokkene heeft verklaard. De rechtbank heeft echter niet beoordeeld of de medische verklaring, in het licht van de verklaring van de waarnemend psychiater ter zitting, nog voldoende actueel was om aan haar beslissing ten grondslag te leggen.
3.11
Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 8 december 2025 blijkt dat de waarnemend psychiater ter zitting verder het volgende heeft verklaard in het kader van de actualiteit van de voorliggende medische verklaring:
“Een nieuwe medische verklaring afwachten zal denk ik niets veranderen. De situatie is hetzelfde en de mening van betrokkene is duidelijk.”
3.12
Nu de rechtbank mijns inziens de actualiteit van de medische verklaring niet heeft beoordeeld, is er geen desbetreffend oordeel dat, mede aan de hand van voornoemde verklaring van de waarnemend psychiater, op begrijpelijkheid getoetst kan worden.
3.13
Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank miskend dat zij slechts een zorgmachtiging mag verlenen indien uit een medische verklaring van een psychiater over de actuele gezondheidstoestand van de betrokkene blijkt. Daarmee slaagt onderdeel II. Na vernietiging en terugwijzing zal de rechtbank alsnog de actualiteit van de medische verklaring moeten beoordelen.
3.14
Voor zover de in onderdeel I bestreden oordelen over de psychische stoornis en het ernstig nadeel op de medische verklaring gebaseerd zijn, slagen de klachten in onderdeel I in het voetspoor van het slagen van onderdeel II.
3.15
Voor zover de in onderdeel I bestreden oordelen over de psychische stoornis en het ernstig nadeel niet gebaseerd zijn op de medische verklaring, behoeven de klachten van onderdeel I, gelet op het slagen van onderdeel II, geen behandeling. Ten overvloede merk ik het volgende op. De in onderdeel I bestreden oordelen zijn van feitelijke aard en kunnen in cassatie slechts op begrijpelijkheid worden getoetst. Dat de rechtbank daarbij betekenis heeft toegekend aan voorvallen uit het verleden die uit de overgelegde stukken blijken, in samenhang met de actuele inschatting van de psychiater ter zitting over het risico op een nieuwe psychotische decompensatie, acht ik op zichzelf niet onbegrijpelijk.
3.16
De slotsom luidt dat, nu onderdeel II slaagt – en in het voetspoor daarvan ook onderdeel I, voor zover de daarin bestreden oordelen gebaseerd zijn op de medische verklaring – de bestreden beschikking niet in stand kan blijven.
4Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
ECLI:NL:RBAMS:2025:11382. Mondelinge uitspraak van 8 december 2025, schriftelijk uitgewerkt op 17 december 2025.
De procesinleiding is op 8 maart 2025 ter griffie van de Hoge Raad ingediend.
R.o. 2.6 wordt in het onderdeel niet expliciet als bestreden rechtsoverweging genoemd, maar het onderdeel haalt wel de daarin vervatte overweging aan dat “[h]etgeen namens en door betrokkene als verweer is aangevoerd, aan het voorgaande niet af[doet]”.
Zie aldus recent HR 11 september 2026, ECLI:NL:HR:2026:1437, r.o. 3.3.
HR 11 september 2026, ECLI:NL:HR:2026:1437.
De Hoge Raad verwijst hier naar HR 9 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:726, r.o. 3.3.
Proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 14 november 2025, p. 2.
Proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 8 december 2025, p. 2.
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 26/00751
Zitting 25 september 2026
CONCLUSIE
L.M. Coenraad
In de zaak
[betrokkene],
hierna: betrokkene,
advocaat: mr. G.E.M. Later
tegen
de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam
hierna: de officier van justitie.
1Inleiding en samenvatting
1.1
In deze Wvggz-zaak is ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend. De meest verstrekkende klacht in cassatie betreft de actualiteit van de medische verklaring. Geklaagd wordt dat de rechtbank haar oordeel heeft gebaseerd op een medische verklaring die ten tijde van haar beoordeling reeds anderhalve maand oud was en volgens het middel niet meer actueel was. Ik meen dat de klacht over de actualiteit van de medische verklaring slaagt nu de rechtbank daarover geen kenbaar oordeel heeft gegeven, ondanks een specifiek door betrokkene ingenomen verweer daartoe.
1.2
In cassatie wordt verder geklaagd over het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een psychische stoornis en van ernstig nadeel. Voor zover de bestreden oordelen over de psychische stoornis en het ernstig nadeel gebaseerd zijn op de medische verklaring slagen deze klachten in het voetspoor van het slagen van voornoemde meest verstrekkende klacht. Voor het overige geldt dat de bestreden oordelen van feitelijke aard zijn en in cassatie slechts op begrijpelijkheid kunnen worden getoetst. Dat de rechtbank daarbij betekenis heeft toegekend aan voorvallen uit het verleden die uit de overgelegde stukken blijken, in samenhang met de actuele inschatting van de psychiater ter zitting over het risico op een nieuwe psychotische decompensatie, acht ik op zichzelf niet onbegrijpelijk.
2Feiten en procesverloop
2.1
De officier van justitie heeft bij verzoekschrift, binnengekomen op 24 oktober 2025 bij de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank), verzocht om ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging voor de duur van twaalf maanden te verlenen voor verschillende vormen van verplichte zorg.
2.2
De mondelinge behandeling van het verzoekschrift heeft eerst plaatsgevonden op 14 november 2025 en is na aanhouding voortgezet op 8 december 2025. Tijdens de voortgezette mondelinge behandeling zijn gehoord: betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat, en een waarnemend psychiater. Van de mondelinge behandeling op zowel 14 november als 8 december 2025 is proces-verbaal opgemaakt.
2.3
Bij beschikking van 8 december 2025 (hierna ook: de bestreden beschikking), heeft de rechtbank een zorgmachtiging voor de duur van zes maanden verleend.
2.4
Betrokkene heeft tegen de bestreden beschikking tijdig beroep in cassatie ingesteld.
2.5
De officier van justitie heeft geen verweer gevoerd.
3Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel bestaat uit twee onderdelen.
Onderdeel I richt zich tegen r.o. 2.2-2.3 van de bestreden beschikking, waarin het volgende is overwogen:
“2.2. Door en namens betrokkene is primair verzocht om het verzoek af te wijzen, omdat geen sprake (meer) is van ernstig nadeel en een zorgmachtiging daardoor niet doelmatig is. Betrokkene heeft tijdens de mondelinge behandeling medegedeeld dat het goed met hem gaat, ondanks dat hij al drie maanden zijn medicatie niet meer inneemt. Betrokkene heeft aangegeven dat hij een goede baan heeft en binnenkort zal starten met een opleiding. De incidenten waarnaar ter onderbouwing van de vormen van ernstig nadeel wordt verwezen, zijn gedateerd en mogen betrokkene niet telkens opnieuw worden tegengeworpen. Daarnaast speelde er destijds een andere thuissituatie, omdat hij in een probleemwijk woonde met veel drugsdealers.
Subsidiair heeft de advocaat aangevoerd dat het verzoek moet worden aangehouden, teneinde een nieuwe medische verklaring op te stellen. Volgens de advocaat is er geen sprake meer van levensgevaar of agressie naar anderen en dient daarom de wilsbekwaamheid van betrokkene opnieuw te worden beoordeeld.
De rechtbank oordeelt als volgt. De rechtbank is gelet op de over[ge]legde stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is toegelicht, van oordeel dat deze stoornis leidt tot ernstig nadeel, gelegen in levensgevaar, ernstig lichamelijk letsel, ernstige psychische schade, ernstige verwaarlozing, maatschappelijke teloorgang, de situatie dat betrokkene met hinderlijk gedrag agressie van anderen oproept en de situatie dat de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar is. Hoewel er volgens de psychiater op dit moment geen sprake is van ernstig nadeel, is zij van mening dat dit wel weer kan ontstaan wanneer betrokkene ontregelt. Afgelopen jaar is betrokkene nog opgenomen geweest, vanwege een psychotische decompensatie en tevens heeft hij in het verleden een suïcide poging gedaan. Volgens de psychiater is betrokkene nog te kort gestopt met de medicatie om het volledige effect daarvan te zien en bestaat de kans op ontregeling en daarbij ernstig nadeel, nog steeds.
2.3.
Om het ernstig nadeel af te wenden heeft betrokkene zorg nodig.”
3.2
Het onderdeel citeert eerst een aantal passages uit de processen-verbaal van de mondelinge behandeling op 14 november 2025 en 8 december 2025 (subonderdelen 1.1-1.2) en klaagt vervolgens in de kern dat niet blijkt dat ten tijde van de behandeling van het verzoek sprake was van een psychische stoornis en zeker niet van ernstig nadeel voortvloeiend uit de psychische stoornis, zodat niet aan de voorwaarden voor het verlenen van een zorgmachtiging zou zijn voldaan (subonderdeel 1.3). Daartoe wordt aangevoerd dat in de medische verklaring van 21 oktober 2025 en in het behandelplan van dezelfde datum voornamelijk naar het verleden wordt gekeken. Uit die stukken blijkt echter niet dat op het moment van het opstellen ervan nog sprake is van ernstig nadeel, ondanks dat betrokkene sinds augustus 2025 met de medicatie is gestopt. Ook wordt aangevoerd dat de psychiater ter zitting uitdrukkelijk heeft verklaard dat ten tijde van de behandeling geen sprake was van ernstig nadeel. Een verwijzing naar een situatie van enkele jaren geleden kan volgens het onderdeel geen grond vormen voor een vrijheidsbeneming als bedoeld in artikel 5 lid 1, aanhef en onder e, EVRM.
3.3
Onderdeel II richt zich tegen r.o. 2.4-2.6 van de bestreden beschikking, waarin het volgende is overwogen, voor zover hier relevant:
“2.4. Gebleken is dat er geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis zijn. Om die reden is verplichte zorg nodig. Van de in het verzoekschrift genoemde vormen van zorg, die zijn gebaseerd op het zorgplan en het advies van de geneesheer-directeur, alsmede gelet op hetgeen bij de mondelinge behandeling naar voren is gekomen acht de rechtbank de volgende vormen van verplichte zorg noodzakelijk gedurende zes maanden:
(...)
2.5.
De verplichte zorg is evenredig en naar verwachting effectief. Uit de stukken blijkt dat bij het bepalen van de juiste zorg rekening is gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen, alsmede met de veiligheid van betrokkene. Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben.
2.6.
Hetgeen namens en door betrokkene als verweer is aangevoerd doet aan het voorgaande niet af.”
3.4
Uit subonderdeel 2.1 begrijp ik dat in de kern wordt geklaagd dat de rechtbank tot de oordelen in r.o. 2.4-2.6 is gekomen op basis van een medische verklaring die ten tijde van de behandeling van het verzoek op 8 december 2025 niet meer actueel is. Daartoe wordt aangevoerd dat de advocaat van verzoeker ter zitting van zowel 14 november 2025 als 8 december 2025 subsidiair heeft verzocht om een nieuwe medische verklaring te laten opstellen. De medische verklaring dateert van 21 oktober 2025, waarin dan al vermeld staat dat betrokkene sinds augustus 2025 geen medicatie gebruikt en dan niet psychotisch is. Nu uit de stukken blijkt dat betrokkene ten tijde van de beslissing van de rechtbank al vier maanden geen medicatie gebruikte zonder psychotisch te zijn geworden of ernstig nadeel te veroorzaken, was volgens het onderdeel, mede gelet op artikel 2:1 Wvggz en artikel 5 lid 1, aanhef en onder e, EVRM, een actuele medische verklaring noodzakelijk. Geklaagd wordt dat het onjuist of onbegrijpelijk is dat de rechtbank, op basis van de stukken en de ruim anderhalve maand oude medische verklaring, tot haar beslissing is gekomen, zelfs met toewijzing van alle vormen van verplichte zorg, waarover ter zitting niet gesproken is (subonderdelen 2.1-2.2).
3.5
Nu de klacht van onderdeel II het meest verstrekkend is, zal ik met de bespreking van deze klacht beginnen. Deze klacht slaagt.
3.6
Uit het systeem van de Wvggz, in het bijzonder uit artikel 5:8 lid 1 Wvggz in verbinding met artikel 5:17 lid 3 Wvggz en artikel 6:4 Wvggz, volgt dat een rechter slechts een zorgmachtiging mag verlenen indien uit een medische verklaring van een psychiater over de actuele gezondheidstoestand van de betrokkene blijkt dat uit diens gedrag als gevolg van zijn psychische stoornis ernstig nadeel voortvloeit. Voor de psychiater die de medische verklaring opstelt, gelden de in artikel 5:7 Wvggz genoemde voorwaarden. Die voorwaarden dienen als waarborg voor een onafhankelijke, onpartijdige en behoorlijke besluitvorming over verplichte zorg. Een en ander strookt met de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens over artikel 5 lid 1, aanhef en onder e, EVRM.
3.7
Recent heeft de Hoge Raad wederom uiteengezet aan de hand van welke maatstaf moet worden beoordeeld of een medische verklaring nog actueel is:
“3.5 De beantwoording van de vraag of een medische verklaring nog actueel is, moet plaatsvinden op basis van een beoordeling of de situatie van de betrokkene sinds het aan de medische verklaring ten grondslag liggende onderzoek in relevante mate is gewijzigd, en is afhankelijk van alle omstandigheden van het geval. Daarbij is onder meer van belang het tijdsverloop tussen het medische onderzoek door de onafhankelijk psychiater en de beslissing van de rechter. Hoe meer tijd is verstreken tussen dat medische onderzoek en de beslissing van de rechter, des te hoger de eisen die gesteld worden aan de motivering van het oordeel van de rechter dat de medische verklaring nog actueel is.
Bij de hiervoor bedoelde beoordeling of de medische verklaring nog actueel is, mag de rechter ook betrekken de informatie die de behandelend psychiater op de zitting heeft verstrekt. Voor die beoordeling is niet een nieuwe medische verklaring van een onafhankelijk psychiater vereist. Opmerking verdient dat als de rechter tot de conclusie komt dat de medische verklaring niet meer actueel is, wel een nieuwe medische verklaring van een onafhankelijk psychiater moet worden overgelegd of de oorspronkelijke medische verklaring door een onafhankelijk psychiater moet worden geactualiseerd.”
3.8
Nu in deze zaak de advocaat ter zitting van zowel 14 november 2025 als 8 december 2025 heeft verzocht om een nieuwe medische verklaring, had de rechtbank mijns inziens aan de hand van de hiervoor onder 3.7 weergegeven maatstaf kenbaar in haar beschikking dienen vast te stellen of de medische verklaring nog actueel was en de gronden dienen te vermelden waarop haar oordeel berust.
3.9
Van een dergelijke kenbare beoordeling van de actualiteit van de medische verklaring blijkt echter niet uit de bestreden beschikking. In r.o. 2.2 overweegt de rechtbank, na een weergave van hetgeen door en namens betrokkene primair is verzocht, dat de advocaat subsidiair heeft aangevoerd dat het verzoek moet worden aangehouden, teneinde een nieuwe medische verklaring op te stellen. In r.o. 2.6 overweegt de rechtbank vervolgens slechts in algemene zin dat hetgeen door of namens betrokkene als verweer is aangevoerd aan het voorgaande – naar ik begrijp: de oordelen in r.o. 2.2-r.o. 2.5 – niet afdoet. Uit deze laatste overweging blijkt mijns inziens niet dat de rechtbank het uitdrukkelijk gevoerde verweer over de actualiteit van de medische verklaring heeft beoordeeld en tot het oordeel is gekomen dat de medische verklaring actueel is. De gekozen bewoordingen in r.o. 2.6 sluiten bovendien niet uit dat de rechtbank in het midden laat of de medische verklaring al dan niet actueel is.
3.10
Van andere aanwijzingen in de bestreden beschikking dat de rechtbank de actualiteit van de medische verklaring heeft beoordeeld, is mijns inziens ook geen sprake. Ik wijs daartoe op het volgende. Zoals hiervoor onder 3.7 bleek, mag de rechter bij de beoordeling van de vraag of de medische verklaring nog actueel is ook acht slaan op de informatie die de behandelend psychiater ter zitting heeft verstrekt en is voor die beoordeling niet zonder meer een nieuwe medische verklaring van een onafhankelijk psychiater vereist. Beslissend is of de situatie van betrokkene sinds het aan de medische verklaring ten grondslag liggende onderzoek in relevante mate was gewijzigd. De rechtbank heeft in r.o. 2.2, derde alinea, wel bij de beoordeling van het ernstig nadeel betrokken wat de waarnemend psychiater ter zitting over de actuele situatie van betrokkene heeft verklaard. De rechtbank heeft echter niet beoordeeld of de medische verklaring, in het licht van de verklaring van de waarnemend psychiater ter zitting, nog voldoende actueel was om aan haar beslissing ten grondslag te leggen.
3.11
Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 8 december 2025 blijkt dat de waarnemend psychiater ter zitting verder het volgende heeft verklaard in het kader van de actualiteit van de voorliggende medische verklaring:
“Een nieuwe medische verklaring afwachten zal denk ik niets veranderen. De situatie is hetzelfde en de mening van betrokkene is duidelijk.”
3.12
Nu de rechtbank mijns inziens de actualiteit van de medische verklaring niet heeft beoordeeld, is er geen desbetreffend oordeel dat, mede aan de hand van voornoemde verklaring van de waarnemend psychiater, op begrijpelijkheid getoetst kan worden.
3.13
Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank miskend dat zij slechts een zorgmachtiging mag verlenen indien uit een medische verklaring van een psychiater over de actuele gezondheidstoestand van de betrokkene blijkt. Daarmee slaagt onderdeel II. Na vernietiging en terugwijzing zal de rechtbank alsnog de actualiteit van de medische verklaring moeten beoordelen.
3.14
Voor zover de in onderdeel I bestreden oordelen over de psychische stoornis en het ernstig nadeel op de medische verklaring gebaseerd zijn, slagen de klachten in onderdeel I in het voetspoor van het slagen van onderdeel II.
3.15
Voor zover de in onderdeel I bestreden oordelen over de psychische stoornis en het ernstig nadeel niet gebaseerd zijn op de medische verklaring, behoeven de klachten van onderdeel I, gelet op het slagen van onderdeel II, geen behandeling. Ten overvloede merk ik het volgende op. De in onderdeel I bestreden oordelen zijn van feitelijke aard en kunnen in cassatie slechts op begrijpelijkheid worden getoetst. Dat de rechtbank daarbij betekenis heeft toegekend aan voorvallen uit het verleden die uit de overgelegde stukken blijken, in samenhang met de actuele inschatting van de psychiater ter zitting over het risico op een nieuwe psychotische decompensatie, acht ik op zichzelf niet onbegrijpelijk.
3.16
De slotsom luidt dat, nu onderdeel II slaagt – en in het voetspoor daarvan ook onderdeel I, voor zover de daarin bestreden oordelen gebaseerd zijn op de medische verklaring – de bestreden beschikking niet in stand kan blijven.
4Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
ECLI:NL:RBAMS:2025:11382. Mondelinge uitspraak van 8 december 2025, schriftelijk uitgewerkt op 17 december 2025.
De procesinleiding is op 8 maart 2025 ter griffie van de Hoge Raad ingediend.
R.o. 2.6 wordt in het onderdeel niet expliciet als bestreden rechtsoverweging genoemd, maar het onderdeel haalt wel de daarin vervatte overweging aan dat “[h]etgeen namens en door betrokkene als verweer is aangevoerd, aan het voorgaande niet af[doet]”.
Zie aldus recent HR 11 september 2026, ECLI:NL:HR:2026:1437, r.o. 3.3.
HR 11 september 2026, ECLI:NL:HR:2026:1437.
De Hoge Raad verwijst hier naar HR 9 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:726, r.o. 3.3.
Proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 14 november 2025, p. 2.
Proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 8 december 2025, p. 2.