Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Parket bij de Hoge Raad

ECLI:NL:PHR:2026:894

2026-09-18 Civiel recht; Personen- en familierecht 25/02860
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Uitspraakdatum
2026-09-18
Publicatiedatum
2026-09-17
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
—
Zaaknummer
25/02860
Type
Conclusie
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Aanvullende conclusie op ECLI:NL:PHR:2026:587. Wvggz. Zorgmachtiging naar aanleiding van een zelfbindingsverklaring (art. 4:1 Wvggz e.v.; art. 5:17 lid 5 Wvggz). Verklaring omtrent wilsbekwaamheid (art. 4:1 lid 6 Wvggz). Onduidelijkheid over hoedanigheid verklarend arts.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (13.502 tekens)
PROCUREUR-GENERAAL



BIJ DE



HOGE RAAD DER NEDERLANDEN






Nummer 25/02860

Zitting 18 september 2026




AANVULLENDE CONCLUSIE



L.M. Coenraad




In de zaak




[betrokkene] ,
verzoeker tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: mr. M.E. Bruning



tegen



de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam,
verweerder in cassatie.






1Inleiding en samenvatting

1.1
In deze zaak over een zorgmachtiging naar aanleiding van een zelfbindingsverklaring heb ik op 12 juni 2026 geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. Op verzoek van de Hoge Raad neem ik thans een aanvullende conclusie over subonderdeel 1.a van het cassatiemiddel. De klachten van dit subonderdeel richten zich tegen r.o. 2.1 van de bestreden beschikking waarin de rechtbank overweegt dat “[d]e zorgverantwoordelijke [arts] ” een verklaring heeft opgesteld waaruit blijkt dat de betrokkene tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake in staat is. Deze verklaring wordt ook wel kortweg een verklaring omtrent de wilsbekwaamheid genoemd.


1.2
De Hoge Raad zou graag meer duidelijkheid willen verkrijgen over de hoedanigheid die voornoemde arts [arts] feitelijk had toen de verklaring omtrent de wilsbekwaamheid van betrokkene werd opgesteld. Daartoe heb ik alsnog deze door de arts opgestelde verklaring, die tot de processtukken in eerste aanleg behoort, opgevraagd, waarna deze verklaring door de cassatieadvocaat is overgelegd. De inhoud van deze verklaring heeft echter niet de gewenste nadere opheldering omtrent de hoedanigheid van de arts verschaft. Gelet op het bepaalde in artikel 419 lid 2 Rv, kan mijns inziens in cassatie niet op nog andere wijze nadere informatie worden ingewonnen over de hoedanigheid waarin de arts deze verklaring heeft opgesteld.


1.3
Met de kennis van de inhoud van bedoelde verklaring kom ik alsnog tot de conclusie dat subonderdeel 1.a en in het voetspoor daarvan de voortbouwklacht van onderdeel 2 slagen en dat de bestreden beschikking dus niet in stand kan blijven. Nu de rechtbank na vernietiging en terugwijzing gebonden zou zijn aan het in cassatie onbestreden oordeel dat [arts] zorgverantwoordelijke is, zou de rechtbank niet anders kunnen doen dan het verzoek alsnog af te wijzen nu niet voldaan is aan het vereiste van artikel 4:1 lid 6 Wvggz dat een onafhankelijk arts de verklaring omtrent de wilsbekwaamheid moet opstellen. Gelet hierop kan de Hoge Raad de zaak zelf afdoen door het verzoek tot verlening van een zorgmachtiging af te wijzen.


1.4
Ten overvloede merk ik op dat het vanuit het oogpunt van waarheidsvinding wel onbevredigend is dat de rechtbank daarmee na vernietiging en terugwijzing niet alsnog kan beoordelen in welke hoedanigheid [arts] de verklaring nu heeft opgesteld.





2Nadere bespreking van subonderdeel 1.a

2.1

Bij beschikking van 16 juni 2025 (hierna: de bestreden beschikking) heeft de rechtbank ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend tot en met uiterlijk 6 december 2025. Daarin heeft de rechtbank, voor zover hier relevant, overwogen (onderstreping en voetnoot van mij):
“2.1. Betrokkene heeft samen met zijn zorgverantwoordelijke een zelfbindingsverklaring opgesteld op grond van artikel 4:1 Wvggz, vergezeld van een zorgplan. De zelfbindingsverklaring is op grond van artikel 4:2 Wvggz op 16 augustus 2024 ondertekend door betrokkene, de zorgverantwoordelijke en de geneesheer-directeur. De zorgverantwoordelijke [arts] heeft op 30 augustus 2024 een verklaring op grond van artikel 4:1 lid 7 Wvggz opgesteld waaruit blijkt dat betrokkene ten tijde van het opstellen van de zelfbindingsverklaring tot een redelijke waardering van zijn belangen in staat was.”



2.2

Subonderdeel 1.a klaagt dat het kennelijke oordeel van de rechtbank dat de verklaring van de zorgverantwoordelijke van 30 augustus 2024 voldeed aan de eis van artikel 4:1 lid 6 Wvggz van een onjuiste rechtsopvatting getuigt. Daartoe wordt in het subonderdeel aangevoerd dat de rechtbank heeft miskend dat artikel 4:1 lid 6 Wvggz vereist dat een onafhankelijk arts of een klinisch psycholoog moet vaststellen dat betrokkene tot een redelijke waardering van zijn belangen in staat is op het moment dat de zelfbindingsverklaring wordt opgesteld en ondertekend. Het subonderdeel klaagt verder dat de rechtbank ambtshalve had moeten onderzoeken of met de verklaring van de zorgverantwoordelijke is voldaan aan het bepaalde in artikel 4:1 lid 6 Wvggz. Tot slot wordt geklaagd dat de rechtbank ten onrechte niet ambtshalve heeft vastgesteld dat de in artikel 4:1 lid 6 Wvggz bedoelde verklaring van een onafhankelijk arts en niet van de zorgverantwoordelijke had moeten zijn.


2.3
In mijn conclusie van 12 juni 2026 achtte ik niet uitgesloten dat de aanduiding van [arts] (hierna ook: [arts] ) in de bestreden beschikking als zorgverantwoordelijke een verschrijving van de rechtbank betreft, nu het in cassatie overgelegde procesdossier – op de aanduiding in de bestreden beschikking na – geen verdere aanwijzingen bevatte dat [arts] inderdaad zorgverantwoordelijke van betrokkene zou zijn.


2.4

Ik heb daarbij in mijn conclusie opgemerkt dat niet te controleren is of het hier om een kennelijke verschrijving van de rechtbank gaat, nu de door [arts] opgestelde verklaring niet in cassatie is overgelegd, waarna ik schreef:
“3.49 (…) Bij deze stand van zaken moet er dus, met de klacht, van uit worden gegaan dat de rechtbank in r.o. 2.1 blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door genoegen te nemen met een door een zorgverantwoordelijke opgestelde verklaring omtrent de wilsbekwaamheid van betrokkene.




3.50
Ik heb nog overwogen om de door [arts] opgestelde verklaring alsnog op te vragen om te kunnen controleren of deze inderdaad zorgverantwoordelijke was zoals de rechtbank overweegt, maar heb hiervan afgezien, gelet op het hiernavolgende.



3.51
Hoewel de bestreden rechtsoverweging van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, kan het subonderdeel betrokkene mijns inziens namelijk niet baten. Het in de bestreden overweging van de rechtbank besloten liggende oordeel dat betrokkene wilsbekwaam was ten tijde van het opstellen van de zelfbindingsverklaring wordt in cassatie immers niet bestreden. Evenmin wordt in cassatie de geldigheid van de zelfbindingsverklaring bestreden. Sterker nog, in de twee andere subonderdelen 1.b en 1.c wordt, onvoorwaardelijk, juist uitgegaan van de geldigheid van de zelfbindingsverklaring.



3.52
Nu de voor de beslissing van de rechtbank dragende oordelen, dat betrokkene wilsbekwaam was ten tijde van het opstellen van de zelfbindingsverklaring en dat deze zelfbindingsverklaring geldig is, in cassatie niet bestreden zijn, heeft betrokkene geen belang bij zijn op zichzelf terechte klacht dat de verklaring omtrent de wilsbekwaamheid van betrokkene in de zin van artikel 4:1 lid 6 Wvggz niet door een zorgverantwoordelijke opgesteld mag worden.



3.53
Hoewel subonderdeel 1.a terecht is voorgesteld, kan het dus niet tot cassatie leiden.”


2.5

De Hoge Raad zou graag meer duidelijkheid willen verkrijgen over de hoedanigheid die [arts] feitelijk had toen de verklaring omtrent de wilsbekwaamheid van betrokkene werd opgesteld. Daartoe heb ik alsnog deze door [arts] opgestelde verklaring, die tot de processtukken in eerste aanleg behoort, opgevraagd. Deze verklaring is op 28 juli 2026 door de cassatieadvocaat van betrokkene overgelegd. Deze verklaring luidt als volgt:
“Verklaring wilsbekwaamheid ten behoeve van zelfbindingsverklaring



Betreft:
Naam cliënt: [betrokkene]
Geboortedatum: [geboortedatum] -1978



Ik verklaar op grond van eigen onderzoek, uitgevoerd op 29-08-24 dat [betrokkene] in staat is tot redelijke waardering van zijn belangen inzake een zelfbindingsverklaring.



Naam beoordelaar: [arts]
Functie: AIOS Psychiatrie



In overleg met waarnemend [geneesheer-directeur]



Datum, plaats: 30 augustus 2024, AMSTERDAM
Handtekening: [handtekening; A-G]”



2.6
Uit deze verklaring blijkt slechts de functie van [arts] , te weten AIOS Psychiatrie. Daaruit blijkt niet dat deze arts de verklaring heeft opgesteld in zijn of haar hoedanigheid van onafhankelijk arts, zoals wordt vereist door artikel 4:1 lid 6 Wvggz. Uit deze verklaring blijkt echter ook niet dat [arts] ten tijde van het opstellen ervan zorgverantwoordelijke was, zoals de rechtbank deze arts in r.o. 2.1 kwalificeert. Het alsnog opvragen van de verklaring heeft dus niet de gewenste nadere opheldering omtrent de hoedanigheid van [arts] bij het opstellen van de verklaring verschaft.


2.7
Aangezien de feitelijke grondslag van de middelen waarop het beroep in cassatie steunt alleen kan worden gevonden in de bestreden uitspraak en in de stukken van het geding (art. 419 lid 2 Rv), kan mijns inziens in cassatie niet op nog andere wijze nadere informatie worden ingewonnen over de hoedanigheid waarin [arts] deze verklaring omtrent de wilsbekwaamheid van betrokkene heeft opgesteld.


2.8
Nu uit de alsnog overgelegde verklaring niet blijkt dat [arts] deze als onafhankelijk arts heeft opgesteld, acht ik de in mijn conclusie van 12 juni 2026 geopperde mogelijkheid, dat de aanduiding van [arts] als “zorgverantwoordelijke” slechts een verschrijving van de rechtbank betreft, minder waarschijnlijk.


2.9
Mede in dat licht zal ik met de kennis van de inhoud van de verklaring van [arts] de klachten van subonderdeel 1.a opnieuw beoordelen.


2.10
Het subonderdeel neemt onder verwijzing naar r.o. 2.1 tot uitgangspunt dat de verklaring omtrent de wilsbekwaamheid van betrokkene is opgesteld door [arts] als zorgverantwoordelijke. Nu de rechtbank overweegt dat “[d]e zorgverantwoordelijke [arts] ” deze verklaring op grond van artikel 4:1 lid 6 Wvggz heeft opgesteld en deze kwalificatie “zorgverantwoordelijke” in cassatie niet is bestreden, dient er mijns inziens in cassatie van te worden uitgegaan dat [arts] zorgverantwoordelijke is. Dit betekent dat de klachten van het subonderdeel slagen, nu immers niet is voldaan aan het vereiste van artikel 4:1 lid 6 Wvggz dat een verklaring omtrent de wilsbekwaamheid door een onafhankelijk arts opgesteld moet worden. Een zorgverantwoordelijke is immers niet onafhankelijk. Hieruit vloeit voort dat de rechtbank de zorgmachtiging naar aanleiding van een zelfbindingsverklaring niet had mogen verlenen. Subonderdeel 1.a en in het voetspoor daarvan de voortbouwklacht van onderdeel 2 slagen mijns inziens dan ook.


2.11
Het voorgaande betekent ook dat de rechtbank na vernietiging en terugwijzing gebonden zou zijn aan het in cassatie onbestreden oordeel dat [arts] zorgverantwoordelijke is en dus niet anders zou kunnen doen dan het verzoek alsnog af te wijzen. Bij deze stand van zaken kan de Hoge Raad de zaak derhalve zelf afdoen door het verzoek tot verlening van een zorgmachtiging af te wijzen.


2.12
Ten overvloede merk ik op dat het vanuit het oogpunt van waarheidsvinding wel onbevredigend is dat de rechtbank na vernietiging en terugwijzing niet alsnog kan beoordelen in welke hoedanigheid [arts] de verklaring nu heeft opgesteld. Deze verklaring zelf biedt daarover immers geen uitsluitsel en het in cassatie overgelegde procesdossier biedt – op de niet nader onderbouwde kwalificatie in de bestreden beschikking na – geen aanwijzingen dat [arts] zorgverantwoordelijke van betrokkene zou zijn.


2.13
Ik blijf wel bij mijn conclusie dat de resterende subonderdelen 1.b en 1.c niet slagen. Ik verwijs daarvoor naar mijn conclusie van 12 juni 2026.


2.14
De slotsom luidt als volgt. Nu subonderdeel 1.a en de voortbouwklacht van onderdeel 2 alsnog slagen, kan de bestreden beschikking niet in stand blijven. Mijns inziens kan de Hoge Raad de zaak zelf afdoen door het verzoek tot verlening van een zorgmachtiging af te wijzen.





3Conclusie
Mijn conclusie strekt alsnog tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot afdoening als vermeld onder 2.14.



De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden



A-G




ECLI:NL:PHR:2026:587.


Bij de op 6 november 2021 in werking getreden zogeheten Reparatiewet Wvggz en Wzd (Stb. 2021, 468) is dit bepaalde in artikel 4:1 Wvggz van lid 7 in lid 6 terechtgekomen. De rechtbank gaat in r.o. 2.1 van de bestreden beschikking kennelijk nog uit van artikel 4:1 lid 7 Wvggz.


Onder 3.47-3.49 van mijn conclusie van 12 juni 2026.


Zie daarover mijn conclusie van 12 juni 2026, onder 3.45.


Een AIOS is een arts in opleiding tot specialist.