Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Parket bij de Hoge Raad

ECLI:NL:PHR:2026:868

2026-09-11 Civiel recht; Personen- en familierecht 25/03974
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Uitspraakdatum
2026-09-11
Publicatiedatum
2026-09-10
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
—
Zaaknummer
25/03974
Type
Conclusie
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Wvggz. Zorgmachtiging. Psychische stoornis. Ernstig nadeel. Wilsbekwaamheid. Verzoek om deskundigenonderzoek (6:1 lid 5 Wvggz). Ambtshalve aanvulling vormen van verplichte zorg (art. 6:4 lid 2 Wvggz). Motiveringsplicht.

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (21.069 tekens)
PROCUREUR-GENERAAL



BIJ DE



HOGE RAAD DER NEDERLANDEN






Nummer 25/03974

Zitting 11 september 2026




CONCLUSIE



L.M. Coenraad




In de zaak




[betrokkene], hierna: betrokkene,
advocaat: mr. G.E.M. Later



tegen



de officier van Justitie in het arrondissement Zeeland-West-Brabant,
hierna: de officier van justitie.






1Inleiding en samenvatting
In deze Wvggz-zaak is ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend. In cassatie wordt geklaagd over het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een psychische stoornis, waarbij betrokkene een willoos werktuig van zijn alcoholverslaving zou zijn, en van ernstig nadeel. Ook wordt geklaagd over het achterwege laten van een deskundigenonderzoek naar het ernstig nadeel en de wilsbekwaamheid van betrokkene. Tot slot wordt geklaagd over het ambtshalve opnemen van een aanvullende vorm van verplichte zorg in de zorgmachtiging. Ik meen dat de klachten niet slagen.





2Feiten en procesverloop

2.1
De officier van justitie heeft bij verzoekschrift, binnengekomen op 14 juli 2025 bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank), verzocht om ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging voor de duur van zes maanden te verlenen voor verschillende vormen van verplichte zorg.


2.2
De mondelinge behandeling van het verzoekschrift heeft plaatsgevonden op 31 juli 2025. Daarbij zijn gehoord: betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat, een behandelaar en een verpleegkundig specialist. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt.


2.3
Bij mondelinge beschikking van 31 juli 2025, schriftelijk uitgewerkt op 14 augustus 2025 (hierna ook: de bestreden beschikking), heeft de rechtbank een zorgmachtiging voor de duur van zes maanden verleend. Naast de door de officier van justitie verzochte vormen van verplichte zorg heeft de rechtbank ambtshalve ook “het verrichten van andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening” in de zorgmachtiging opgenomen.


2.4
Betrokkene heeft tegen de bestreden beschikking tijdig beroep in cassatie ingesteld. De officier van justitie heeft geen verweer gevoerd.





3Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel is onderverdeeld in drie onderdelen (I-III).


3.2


Onderdeel I is gericht tegen r.o. 4.2 tot en met 4.4 van de bestreden beschikking, waarin de rechtbank als volgt overweegt en oordeelt:
“4.2. De rechtbank is van oordeel dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis. Betrokkene heeft namelijk onder meer middelgerelateerde en verslavingsstoornissen. De rechtbank oordeelt hierbij dat betrokkene willoos werktuig is van zijn verslaving. Betrokkene valt steeds terug in zijn verslaving en houdt al jarenlang verslavingszorg af omdat hij het nut daarvan niet inziet. Tevens is bij betrokkene eerder de ziekte van Wernicke, een voorstadium van de ziekte van Korsakov, opgetreden. Dit duidt dus niet enkel op lichamelijke klachten, maar ook op een neurologische aandoening die het gevolg is van jarenlange te hoge alcoholconsumptie en slechte voeding.




4.3.

Deze stoornis veroorzaakt ernstig nadeel. Dit nadeel bestaat uit:
- ernstige psychische schade;
- ernstige verwaarlozing;
- maatschappelijke teloorgang.




4.4.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat betrokkene een zorgmijder is, bekend met een forse alcoholverslaving. Hij is daarvoor meermaals opgenomen geweest voor detox en abstinentie, maar is kort na ontslag steeds weer teruggevallen. Er ontstaat steeds nieuwe somatische schade door de alcohol, waarvoor betrokkene telkens met spoed is opgenomen in het ziekenhuis. Verder is de woning van betrokkene flink vervuild en is betrokkene vermagerd en bleek en loopt hij moeizaam, dit alles brengt een verhoogd valrisico met zich mee. Daarnaast leeft betrokkene altijd binnen in zijn veel te warme woning en heeft hij geen sociale contacten buiten de thuiszorg en zijn zoon, maar de relatie met zijn zoon is ook aanzienlijk beschadigd door de verslaving van betrokkene. Naar het oordeel van de rechtbank is dit voldoende om aan te nemen dat er sprake is van ernstig nadeel in de zin van de wet. De rechtbank ziet derhalve niet de noodzaak om een deskundigenonderzoek te gelasten.”


3.3
Onderdeel I bestaat uit vier subonderdelen.


3.4


Subonderdeel 1.1 is voorgesteld naar aanleiding van de volgende passage in het proces-verbaal:
“(…) De advocaat begint zijn pleidooi door te stellen dat bij de aanvraag naar het Openbaar Ministerie en de geneesheerdirecteur andere stukken ten grondslag liggen dan de stukken in het dossier. Daar staat van alles in dat niet aan het dossier is toegevoegd. De advocaat heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling gebeld naar het bureau geneesheerdirecteur, maar daar werd niet opgenomen. De advocaat geeft aan moeite te hebben met het feit dat niet alle stukken beschikbaar zijn. (…)”



3.5
Subonderdeel 1.1 voert aan dat de advocaat van verzoeker ter zitting heeft gesteld dat “bij de aanvraag naar het Openbaar Ministerie en de geneesheerdirecteur andere stukken ten grondslag liggen dan de stukken in het dossier” en dat niet alle stukken beschikbaar waren. Het onderdeel klaagt dat het onbegrijpelijk is dat de rechtbank niet om deze stukken heeft gevraagd, hierover niets heeft overwogen en “gewoon klakkeloos” ervan is uitgegaan “dat alle stukken voorhanden zijn”.


3.6
Het subonderdeel faalt. Art. 5:17 lid 3 Wvggz bepaalt welke stukken bij het verzoekschrift om een zorgmachtiging moeten worden gevoegd. Uit het namens verzoeker gevoerde verweer blijkt niet welke concrete stukken volgens hem ontbraken. Evenmin is aangevoerd dat een van de op grond van art. 5:17 lid 3 Wvggz vereiste stukken ontbrak of dat de rechtbank daardoor niet beschikte over de gegevens die noodzakelijk waren om het verzoek te beoordelen, of dat verzoeker daardoor (concreet) in zijn verweer werd belemmerd. Tegen deze achtergrond behoefde de rechtbank in de aangevoerde omstandigheid dat aan de aanvraag “andere stukken ten grondslag liggen dan de stukken in het dossier” geen aanleiding te zien om nadere stukken op te vragen of op dat punt de beschikking afzonderlijk te motiveren.


3.7

Subonderdeel 1.2 geeft weer wat namens verzoeker ter zitting is aangevoerd tegen het bestaan van ernstig nadeel en ook wat door betrokkene zelf is verklaard. Het subonderdeel wijst daarnaast erop dat verzoeker alcohol en cannabis gebruikt in verband met pijn als gevolg van drie ingezakte wervels. Onder verwijzing naar het oordeel van de rechtbank dat verzoeker onder meer lijdt aan middelgerelateerde en verslavingsstoornissen en een “willoos werktuig” is van zijn verslaving, werpt het onderdeel de vraag op “of dat juist is” wanneer verzoeker deze middelen gebruikt in verband met zijn somatische letsel.


3.8

Subonderdeel 1.3 richt zich tegen het oordeel van de rechtbank in r.o. 4.4 dat sprake is van ernstig nadeel. Het subonderdeel stelt de feitelijke grondslag van een aantal door de rechtbank in aanmerking genomen omstandigheden ter discussie. Het voert daartoe onder meer aan dat uit de stukken niet blijkt dat de woning van verzoeker ten tijde van de beoordeling “flink vervuild” was, dat niet blijkt of en in hoeverre zijn vermagering relevant is voor het ernstig nadeel en dat zijn moeizame lopen kan samenhangen met zijn lichamelijke letsel. Ook in het subonderdeel de vraag opgeworpen waarop het door de rechtbank aangenomen verhoogde valrisico is gebaseerd. Verder wijst het subonderdeel erop dat uit het zorgplan blijkt dat de zorgverantwoordelijke verzoeker slechts eenmaal heeft gesproken en in het zorgplan heeft vermeld dat door derden wordt geschetst dat het beeld kan wisselen. Hoewel de zorgverantwoordelijke andere belangrijke betrokkenen, waaronder de mentor, heeft verzocht bij de zitting aanwezig te zijn, blijkt volgens het subonderdeel niet dat de mentor ter zitting aanwezig was. Het subonderdeel voert aan dat de in de stukken opgenomen informatie alleen van horen zeggen is, nu dit, naar ik begrijp, op informatie van derden berust.


3.9

Subonderdeel 1.4 voert verder aan dat de ter zitting aanwezige behandelaar verzoeker slechts tweemaal gedurende een half uur zou hebben gezien en, naar ik begrijp, overigens voornamelijk beschikte over informatie van derden. Volgens het onderdeel heeft de rechtbank “te gemakkelijk” aangenomen dat de beschikbare informatie juist was. Het onderdeel wijst voorts op het namens verzoeker gedane verzoek om, indien de rechtbank het verzoek om een zorgmachtiging niet direct zou afwijzen, een deskundigenonderzoek te gelasten naar het ernstig nadeel en de wilsbekwaamheid. Het klaagt dat het oordeel van de rechtbank om geen noodzaak te zien een deskundigenonderzoek te gelasten, gelet op hetgeen namens verzoeker was aangevoerd, onjuist, althans onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd is.


3.10
De subonderdelen 1.2-1.4 lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Voor zover ik de onderdelen begrijp, stellen zij in de kern ter discussie of de rechtbank op basis van de beschikbare informatie kon aannemen dat sprake was van een psychische stoornis en van ernstig nadeel en of zij, gelet op de daartegen namens verzoeker aangevoerde bezwaren, zonder nader deskundigenonderzoek tot haar oordeel kon komen.


3.11
Hetgeen subonderdeel 1.2 aanvoert over het gebruik van alcohol en cannabis in verband met de rugproblematiek maakt het oordeel van de rechtbank over de psychische stoornis in r.o. 4.2 niet onbegrijpelijk. Uit de medische verklaring blijkt immers tevens van de hiervoor beschreven langdurige verslavingsproblematiek en de daarmee samenhangende somatische gevolgen. Dat verzoeker de middelen (mede) vanwege zijn pijnklachten gebruikt, doet daaraan niet af.


3.12
De klachten in de subonderdelen tegen het oordeel over het ernstig nadeel falen. De rechtbank heeft haar oordeel in r.o. 4.4 gebaseerd op een samenstel van omstandigheden dat steun vindt in de stukken. De medische verklaring vermeldt dat verzoeker sinds 2004 bekend is met een forse alcoholverslaving, meermaals is opgenomen voor detox en abstinentie en na ontslag steeds is teruggevallen. Ook worden daarin verschillende aan alcohol gerelateerde somatische problemen genoemd waarvoor verzoeker meermaals in het ziekenhuis is opgenomen, waaronder alcoholische hepatitis, alcoholintoxicatie met delier en pancreatitis met Wernicke. Verder is vermeld dat verzoeker bij het huisbezoek vermagerd en bleek was en moeizaam liep en dat hij wankel op zijn benen was, met een risico op vallen. Het zorgplan vermeldt eveneens ernstige (zelf)verwaarlozing en ernstige lichamelijke gevolgen van het alcoholgebruik, waarvoor in maart 2025 een ziekenhuisopname nodig was.


3.13
In de medische verklaring staat verder dat de woning bij een huisbezoek in maart 2025 ernstig vervuild was en dat deze bij een tweede huisbezoek in april 2025, na tussenkomst van de thuishulp, schoon en opgeruimd was. De overweging van de rechtbank dat de woning van verzoeker “flink vervuild” is, moet kennelijk tegen deze achtergrond worden begrepen. Ook indien ervan wordt uitgegaan dat de woning ten tijde van de beoordeling niet langer vervuild was, maakt dit het oordeel over het ernstig nadeel, gelet op de overige hiervoor genoemde omstandigheden, niet onbegrijpelijk.


3.14
Voor zover in subonderdeel 1.4 geklaagd wordt dat de zorgmachtiging niet verleend had mag worden op basis van het onderzoek door de ter zitting aanwezige behandelaar, nu deze verzoeker slechts tweemaal gedurende een half uur had gezien en verder beschikte over informatie van horen zeggen door derden, slaagt deze klacht evenmin. Het bestreden oordeel van de rechtbank berust niet uitsluitend op de verklaringen ter zitting van deze behandelaar, maar vindt ook steun in de medische verklaring en het zorgplan. Het subonderdeel maakt bovendien niet duidelijk waarom de rechtbank bij haar beoordeling geen acht mocht slaan op de in de stukken opgenomen en ter zitting genoemde informatie van derden.


3.15
Ten slotte faalt ook de klacht over het achterwege laten van een deskundigenonderzoek (art. 6:1 lid 5 Wvggz). De rechtbank heeft het daartoe strekkende verzoek uitdrukkelijk beoordeeld en geoordeeld dat zij op grond van de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling voldoende in staat was het ernstig nadeel en de wilsbekwaamheid te beoordelen (r.o. 4.4 en r.o. 4.6). Uit het proces-verbaal blijkt bovendien dat de rechtbank geen aanleiding zag voor een second opinion, omdat zij zich op grond van de stukken voldoende voorgelicht achtte. Gelet hierop en op hetgeen hiervoor over de inhoud van die stukken is overwogen, is dit oordeel niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.


3.16
Overigens merk ik op dat in onderdeel 1 de afwezigheid van de mentor ter zitting wel wordt genoemd, maar dat daarover niet wordt geklaagd.


3.17

Onderdeel 2 bouwt voort op onderdeel 1 en richt zich tegen r.o. 4.5 en 4.6. Het klaagt in de kern dat onvoldoende onderzoek is verricht om een beslissing te kunnen nemen over het ernstig nadeel en de zorg die verplicht moet worden opgelegd en over de wils(on)bekwaamheid van verzoeker. Volgens het onderdeel is tevens onbegrijpelijk dat de rechtbank het in de medische verklaring opgenomen wilsbekwaamheidsoordeel heeft overgenomen en zelfs meent dat dit voldoende onderbouwd is.


3.18
Onderdeel 2 faalt. Voor zover het onderdeel voortbouwt op onderdeel 1, deelt het onderdeel het lot daarvan. Voor het overige vinden de bestreden oordelen voldoende steun in de medische verklaring en het zorgplan. Daaruit blijkt dat verzoeker al jarenlang medewerking aan behandeling en diagnostiek weigert en geen verslavingsbehandeling wenst. Ook de wilsbekwaamheidsbeoordeling is in de medische verklaring gemotiveerd aan de hand van zijn erg gebrekkig ziektebesef en -inzicht, het overschatten van zijn eigen kunnen en zijn afhankelijkheid van zorg van anderen.


3.19

Onderdeel 3 is gericht tegen r.o. 4.7, waarin de rechtbank ambtshalve als vorm van verplichte zorg heeft toegevoegd het verrichten van andere medische handelingen en therapeutische maatregelen ter behandeling van een psychische stoornis dan wel, vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening. Het onderdeel klaagt dat deze vorm van verplichte zorg niet was verzocht, niet in de medische verklaring of het zorgplan wordt genoemd en evenmin ter zitting is besproken. Volgens het onderdeel heeft de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom zij deze vorm van verplichte zorg niettemin noodzakelijk achtte.


3.20
Het onderdeel faalt, zoals ik hierna zal toelichten.


3.21
Art. 6:4 lid 2 Wvggz biedt de rechter de mogelijkheid om, indien aan de daarin genoemde voorwaarden is voldaan, in afwijking van het verzoekschrift of de daarbij behorende bijlagen andere verplichte zorg in de zorgmachtiging op te nemen. De rechter die een zorgmachtiging verleent, dient te motiveren dat voor de vormen van verplichte zorg waarvoor de machtiging is verleend, is voldaan aan de criteria voor en het doel van verplichte zorg. De rechter mag daarbij volstaan met een verwijzing naar de medische verklaring en de overige aan het verzoek ten grondslag liggende stukken indien daaruit voldoende duidelijk blijkt dat is voldaan aan de criteria voor en het doel van de verplichte zorg. Indien echter de betrokkene een voldoende toegelicht bezwaar maakt tegen een bepaalde vorm van zorg, of de duur daarvan, zal de rechter zijn beslissing op dat punt moeten motiveren.


3.22
Anders dan het onderdeel tot uitgangspunt neemt, was de door de rechtbank toegevoegde vorm van verplichte zorg zowel in de medische verklaring als in het zorgplan opgenomen. Verder heeft de rechtbank in r.o. 3.3 overwogen dat de behandelaar ter zitting heeft verklaard “dat alle verzochte vormen van verplichte zorg noodzakelijk zijn voor de behandeling, waarbij ook ‘het verrichten van andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening’ noodzakelijk is”. Tegen deze achtergrond is voldoende duidelijk waarop het oordeel van de rechtbank in r.o. 4.7, dat zij de noodzaak van deze ambtshalve aangevulde vorm van verplichte zorg in kan zien, berust.


3.23
Ik heb mij nog afgevraagd of aan het voorgaande afdoet dat de in r.o. 3.3 weergegeven verklaring van de behandelaar niet is terug te vinden in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling. In het verlengde daarvan rijst de vraag of het onderdeel welwillend aldus moet worden gelezen dat het tevens klaagt dat verzoeker niet in de gelegenheid is gesteld zich uit te laten over de ambtshalve aanvulling met deze niet-verzochte vorm van verplichte zorg.


3.24
Ik meen dat het antwoord op beide voorgaande vragen ontkennend luidt. De vaststelling van hetgeen ter zitting is verklaard of aangevoerd, is voorbehouden aan de feitenrechter en kan in cassatie niet op juistheid worden getoetst. De rechter is bij die vaststelling niet gebonden aan de inhoud van het proces-verbaal, zodat een verschil tussen de inhoud van het proces-verbaal en de overweging van de rechter waarop de beslissing steunt, die overweging niet zonder meer onbegrijpelijk maakt. Wel kan sprake zijn van een motiveringsgebrek indien de rechter zijn beslissing doet steunen op een voorval ter zitting waarvan het proces-verbaal geen bevestiging inhoudt, maar veeleer een vermelding bevat die op het tegendeel daarvan duidt. Van een dergelijke situatie is hier naar mijn mening geen sprake. Het proces-verbaal bevat immers geen vermelding die op het tegendeel van de vaststelling van de rechtbank in r.o. 3.3 duidt. Bovendien is r.o. 3.3 in cassatie niet bestreden.


3.25
Voor zover het onderdeel erop wijst dat de ambtshalve aangevulde zorg vorm niet was verzocht en evenmin anderszins ter zitting was besproken, lees ik daarin geen voldoende kenbare rechtsklacht over schending van hoor en wederhoor of een ontoelaatbare verrassingsbeslissing. Blijkens de toelichting op onderdeel 3 richt het slechts een motiveringsklacht tegen het oordeel in r.o. 4.7, die gelet op het voorgaande niet slaagt.


3.26
De slotsom luidt dat de bestreden beschikking in stand blijft, nu alle onderdelen falen.





4Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.


De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden



A-G




ECLI:NL:RBZWB:2025:5784.


De procesinleiding is op 31 oktober 2025 ter griffie van de Hoge Raad ingediend.


Proces-verbaal van de mondelinge behandeling, gehouden op 31 juli 2025, p. 2.


Proces-verbaal van de mondelinge behandeling, gehouden op 31 juli 2025, p. 1-2.


Waarbij in dit subonderdeel wordt geciteerd uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling, gehouden op 31 juli 2025, p. 2.


Medische verklaring van 28 juni 2025, p. 2, vraag 4b.


Medische verklaring van 28 juni 2025, p. 3, vraag 6c.


Zorgplan van 7 juli 2025, p. 2, vraag 3a.


Medische verklaring van 28 juni 2025, p. 2, vraag 4b.


Proces-verbaal van de mondelinge behandeling, gehouden op 31 juli 2025, p. 3.


Medische verklaring van 28 juni 2025, p. 2, vraag 4b het zorgplan van 7 juli 2025, p. 4, vraag 3a.


Medische verklaring van 28 juni 2025, p. 6, vraag 9.


HR 5 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:843, r.o. 3.2, onder verwijzing naar eerdere uitspraken.


Zie de medische verklaring van 28 juni 2025, p. 5, vraag 7f.


Zie het zorgplan van 7 juli 2025, p. 4, vraag 5b.


HR 16 april 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1941, NJ 2004/425, r.o. 3.3.3.


HR 2 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU9898, NJ 2012/157 en JPF 2012/112, m.nt. P. Vlaardingerbroek, r.o. 3.4 en met verwijzing naar HR 16 april 2004, ECLI:NL:HR:AO1941, NJ 2004/425.