Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Parket bij de Hoge Raad

ECLI:NL:PHR:2026:860

2026-09-11 Civiel recht; Arbeidsrecht 25/03463
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Uitspraakdatum
2026-09-11
Publicatiedatum
2026-09-08
Rechtsgebied
Civiel recht; Arbeidsrecht
Procedure
—
Zaaknummer
25/03463
Type
Conclusie
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Aanneming van werk; rechtvaardigt de tekortkoming de ontbinding? (art. 6:265 lid 1 BW); art. 7:754 lid 1 BW; art. 7:760 lid 2 en 3 BW.

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (62.029 tekens)
PROCUREUR-GENERAAL



BIJ DE



HOGE RAAD DER NEDERLANDEN






Nummer 25/03463

Zitting 11 september 2026




CONCLUSIE



B.J. Drijber




In de zaak van




King Metaal Machinefabriek B.V.,
eiseres tot cassatie,
advocaat: mr. R.P. Streng,



tegen




R.D.E. B.V. (voorheen Ridderinkhof B.V.),
verweerster in cassatie,
advocaten: mr. L.V. van Gardingen en mr. L.A. Burwick.




Partijen worden hierna verkort aangeduid als King Metaal respectievelijk R.D.E.





1Inleiding en samenvatting


1.1
Deze zaak betreft een geschil tussen King Metaal en R.D.E. over de ontbinding van een overeenkomst voor het vervaardigen van twaalf scheepslieren voor een offshore schip/ponton. In cassatie draait het nog om zeven frames. King Metaal heeft gevorderd dat R.D.E. deze zeven (gereedstaande) frames afneemt. R.D.E. heeft in reconventie gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat zij de overeenkomst (deels) heeft ontbonden.



1.2
De rechtbank heeft met betrekking tot de zeven frames bij eindvonnis geoordeeld dat sprake was van een tekortkoming, maar dat de tekortkoming de ontbinding niet rechtvaardigt. Zij heeft de vorderingen van King Metaal toegewezen.



1.3
Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd. Het heeft daartoe, voor zover relevant in cassatie, overwogen dat op basis van deskundigenrapporten voldoende vaststaat dat sprake was van een tekortkoming en dat de frames niet ‘fit for purpose’ waren. Anders dan de rechtbank, leest het hof in de deskundigenrapportages niet dat de frames ook niet geschikt waren geweest als zij wel geheel volgens de tekening waren gefabriceerd en dat het voor een belangrijk deel aan R.D.E. zelf is te wijten dat de frames nog niet voldeden. Het hof oordeelt dat het aan aanknopingspunten ontbreekt om de conclusie te kunnen trekken dat het voor rekening en risico van R.D.E. zelf moet komen dat de frames niet ‘fit for purpose’ waren. Het hof komt vervolgens tot de conclusie dat de tekortkoming van voldoende gewicht is om de ontbinding te rechtvaardigen.



1.4
Tegen dit oordeel wordt in cassatie met verschillende rechts- en motiveringsklachten opgekomen. Mijns inziens is het middel tevergeefs voorgesteld.





2Feiten en procesverloop
Feiten


2.1

In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan:
(i) King Metaal ontwikkelt, produceert en levert metaaltoepassingen, waaronder machineonderdelen en plaatwerk.
(ii) Ridderinkhof heeft bij e-mail van 30 januari 2015 aan King Metaal een offerte gevraagd voor het vervaardigen van 12 frames: zes lierframes en zes onderframes. Deze frames waren bestemd voor zes scheepslieren voor een offshore schip/ponton.
(iii) Bij e-mail van 3 februari 2015 heeft King Metaal Ridderinkhof een offerte uitgebracht. Naar aanleiding van deze offerte zijn partijen een prijs van € 140.000,00 (exclusief btw) overeengekomen en levering in week 14 van 2015.
(iv) Een op 18 maart 2015 door King Metaal ondertekend afleverschema luidt voor zover van belang:










“(…) Bestelnr.




(…)




Actuele ontvangstdatum





(…) [001]


(…)


03-04-2015





[002]



(…)


03-04-2015





[003]



(…)


17-04-2015





[004]



(…)


17-04-2015




(…).”













(v) In week 14 heeft King Metaal (kennelijk op 30 maart 2015) vijf frames bij Ridderinkhof afgeleverd.
(vi) Een e-mail van Ridderinkhof aan King Metaal van 31 maart 2015 luidt voor zover hier van belang:
"(...) Wil je svp morgen langskomen? (…) [F]rame[s] zitten niet goed (lees symmetrisch) in elkaar en ik hoop dat ze wel op de juiste maatvoering [sic].”



(vii) Een door King Metaal opgesteld rapport getiteld ‘afwijkingsrapport’ van 2 april 2015 vermeldt voor zover hier van belang:
“(…)











(…)




Tekening nr.



[005]

[006]



Klant ref



[001]-PG en [002]-PG




(…)





B: Afwijkingsomschrijving (wat is er aan de hand)




1. Ondermaat frame 2811 wijkt af.
2. Pos 015 niet gecentreerd boven onderplaat.
3. 001 en 015 zitten niet in lijn met elkaar.
4. Lassen te veel afgeslepen.




(…)

Acties:

Pos 001 en 015 verwijderen, zijkanten richten, 001 en 015 opnieuw bevestigen op maat.
005 en 006 losmaken en opnieuw bevestigen zodat onderframe op tussenmaat 2811 [sic.]. Gekotterde 013 verwijderen en vervangen.
Opnieuw kotteren op maat.




(…)




E: corrigerende maatregelen (wat te doen ter voorkoming)





Acties:

Zijkanten eerst in elkaar zetten, dan tussenstukken zodat maatvoering gegarandeerd wordt.




(…)





(…)”.


(viii) Ridderinkhof heeft vervolgens de vijf afgeleverde frames laten nameten door Kortland Maritime Measurements (hierna: Kortland). Daarnaast heeft zij keuringsinstantie Bureau Veritas ingeschakeld voor een advies over het laswerk. Een verklaring van Bureau Veritas van 22 december 2015 luidt voor zover hier van belang:
“(…)
Date: 15-04-2014
(...)
Project: [007]/[001], [008]/[002], [009]/[003], [010]/[004]
(...)
The undersigned declares that all welding and welding procedures were carried out in accordance of the above mentioned procedures.
(...)".



(ix) Een e-mail van King Metaal aan Ridderinkhof van 15 april 2015 luidt:
“(…)
Zoals het er nu uitziet kunnen we als volgt leveren.
16-04-2015 1x [006] + 1x [011]
22-04-2015 2x [012]
24-04-2015 1x [013] + 2x [011]
01-05-2015 3x [006] + 2x [005]
(...)"



(x) Een e-mail van Ridderinkhof aan King Metaal van 11 mei 2015 luidt:
“(…)
Je hebt telefonisch doorgegeven niet meer te leveren omdat wij in verzuim zouden zijn ten aanzien van betalingen.
(...)
Door King Metaal is toegezegd dat ordernummers [001] en [002] zouden worden geleverd uiterlijk 3 april 2015 en dat ordernummers [003] en [004] zouden worden geleverd op 17 april 2015.
King Metaal heeft deze toegezegde leverdata niet gehaald. Dit betekent dat u van rechtswege voor de respectieve orders op 3 april 2015 en op 17 april 2015 in verzuim bent. King Metaal heeft op 30 maart 2015 een poging gewaagd vier frames te leveren. Die frames zijn teruggestuurd omdat de maatvoering niet juist was (ver buiten de toleranties) en laswerk slordig. Acceptatie heeft als volgt plaatsgevonden:

[006]-contrafoundation 1 stuks geleverd week 16

[013]-foundation right 1 stuks geleverd week 16

[011]-foundation left 1 stuks geleverd week 17

[011]-foundation left 2 stuks geleverd 28-04
Voor wat betreft deze frames zijn wij pas geacht te betalen na ontvangst van een correcte factuur waarbij bovendien een betalingstermijn van 30 dagen na aflevering geldt. Die termijn is nog niet verstreken.
Tot op heden hebben wij geen correcte factuur ontvangen.
(…)



Op dit moment geldt King Metaal de frames met de hieronder vermelde kenmerken;




ON [014] & [015]: Uitvoering left low


[006]-contrafoundation 2 stuks nog te leveren

ON [016] & [017]: Uitvoering right low


[006]-contrafoundation 1 stuks nog te leveren

[013]-foundation right 1 stuks nog te leveren

ON [018]: Uitvoering right high


[005]-contrafoundation 1 stuks nog te leveren

[013]-foundation right 1 stuks nog te leveren

ON [019]: Uitvoering left high


[005]-contrafoundation 1 stuks nog te leveren



(…) geleverd had moeten hebben. King Metaal heeft dat niet gedaan en is daarmee in verzuim. Omdat Ridderinkhof niet in verzuim is, is King Metaal niet gerechtigd op te schorten. (...) Ik houd King Metaal hierbij aansprakelijk voor de schade die Ridderinkhof leidt en nog zal leiden ten gevolge van deze onrechtmatige opschorting. Voorts sommeer ik u de resterende frames nog zo spoedig mogelijk te leveren.
(...)
Wordt er binnen de genoemde termijn van zeven dagen niet conform overeenkomst geleverd dan ontbinden wij de overeenkomst (...).”



(xi) De reactie van King Metaal aan Ridderinkhof hierop van 12 mei 2015 luidt voor zover hier van belang:
“(…)
Wij [zijn] niet in verzuim.
Jullie hebben de vertraging zelf veroorzaakt.
Jullie hebben geen correcte tekeningen gestuurd en later de eisen en toleranties veranderd.
Wij hebben door jullie wijzigingen meerwerk, de kosten willen we graag met jullie doornemen.
Gezien jullie betalingsgedrag (rekeningen staan meer dan 90 dagen open) lijkt het mij vrij logisch dat wij er zeker van willen zijn dat jullie betalen.
(…)”.



(xii) Een e-mail van Ridderinkhof aan King Metaal van 12 mei 2015 bevat, voor zover hier van belang, de volgende passage:
“(…) Wij gaan op korte termijn de frames meten. Als ze goed zijn zullen we ze afnemen. Zijn ze niet goed dan heb je zeven dagen de tijd te repareren. Slaag je daar niet in dan ontbinden we de overeenkomst.
Wij hebben geen meerwerkopdracht verstrekt (…)”.



(xiii) Een e-mail van King Metaal aan Ridderinkhof van 13 mei 2015 luidt voor zover hier van belang:
“(…) Het meerwerk bedraagt voorlopig €26.680,- en de transportkosten €1.800,- beide ex BTW.



We willen alle kosten (hoofdsom + meerwerk + transport) graag voordat we de frames op de vrachten laten betaald hebben (…).”



(xiv) Op 9 juni 2015 mailde Ridderinkhof, voor zover hier van belang:
“(…)
Naar aanleiding van de metingen van de laatste 7 frames blijkt dat 6 frames niet aan de eisen voldoen(...). Helaas voldoen ook deze, net als de eerste vijf geleverde frames, niet aan de eisen en deze zijn wederom te laat!



Graag binnen 24 uur de volgende punten bevestigen:
1. Dat King Metaal de 6 niet conform tekening gefabriceerde frames binnen 7 dagen zal opknappen conform eisen incl. een meetrapport van de firma Kortland dat dit zo is.
2. Dat King Metaal de frames direct na gereedkomen zal uitleveren, uiterlijk de 8ste dag. Betaling van deze frames zal conform overeenkomst geschieden.
3. Er is geen meerwerk. Daar is ook geen opdracht voor gegeven.



Indien niet akkoord of bevestiging binnen 24 uur uitblijft zullen wij de overeenkomst gedeeltelijk ontbinden en de door ons gemaakte kosten en/of geleden schade verrekenen met eventuele openstaande facturen (...) ".



(xv) Een e-mail van Ridderinkhof aan King Metaal van 10 juni 2015 luidt voor zover hier van belang:
“(…)
6 van 7 frames zijn niet op maat en 7 te laat. De maat hebben wij onderbouwd met een meetrapport (...). Wij trachten er op een constructieve manier uit te komen. Dat frustreer jij.
Omdat de frames te laat zijn en 6 niet voldoen aan de specificaties zien wij geen andere mogelijkheid de overeenkomst voor wat betreft deze 7 frames te ontbinden (...).”



(xvi) King Metaal stuurde op 11 juni 2015, voor zover hier van belang, het volgende bericht:
“(…)
Onze meetrapporten zijn goed omdat wij de frames eerst op een uitgevlakte vloer leggen.



In een frame zit altijd een beetje doorbuiging. Als je een frame op een niet vlakke vloer legt en dan meet, kan er altijd een afwijking in zitten.
De frames zijn op een 100% vlakke spantafel gefreesd en toen ook nagemeten en er zijn toe ook geen afwijkingen waargenomen.



Bovendien hebben wij de frames in elkaar gepast, en dat paste ook.



Conclusie: de frames zijn correct!
(…).”



(xvii) Een e-mail van Ridderinkhof aan King Metaal van 1 juli 2015 luidt voor zover hier van belang:
“(…)
De 5 stuks welke bij ons op het bedrijf in Hasselt aanwezig zijn zullen we afnemen.



Het betreft de 5 stuks frames volgens onze tekeningen met “R” nr. en op 27-5-2015 door jullie gefactureerd met de [factuurnummers]:









1. [006]
2. [011]
3. [013]
4. [011]
5. [011]


fact. nr. [020]
fact. nr. [021]
fact. nr. [022]
fact. nr. [023]
fact. nr. [024]







Zoals eveneens aangegeven hebben wij, en derden voor ons, kosten moeten maken welke wij zullen verrekenen met jullie facturen.
(....).'



(xviii) Op 27 juli 2015 heeft Ridderinkhof aan King Metaal betaald een bedrag van € 76.744,73. Dit betreft de facturen met de nummers [020], [021], [022], [024] en [023] met een totaalbedrag van € 91.908,36 (incl. btw), verminderd met een bedrag van € 15.163,63.
(xix) Ridderinkhof heeft haar statutaire naam gewijzigd in R.D.E. B.V., omdat R.D.E. haar lierenactiviteit en de handelsnaam Ridderinkhof heeft verkocht. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden waaruit volgt dat R.D.E. B.V. een andere entiteit is, die de positie van Ridderinkhof in deze procedure heeft overgenomen.

Eerste aanleg





2.2
Op 5 augustus 2015 heeft King Metaal R.D.E. gedagvaard en gevorderd dat, samengevat, R.D.E. haar een bedrag betaalt van € 93.187,65 als restant van de overeengekomen prijs voor de vervaardigde frames en de wettelijke handelsrente daarover, een bedrag van € 32.282,80 voor meerwerk, een bedrag van € 2.178,00 voor transportkosten en € 2.796,97 aan incassokosten. Ten slotte heeft King Metaal gevorderd R.D.E. te veroordelen om de zeven bij King Metaal gereedstaande frames af te nemen binnen een week, op straffe van verbeurte van een dwangsom.



2.3
R.D.E. heeft in reconventie gevorderd om voor recht te verklaren dat zij bij e-mail van 10 juni 2015 de overeenkomst tussen partijen terecht (deels) buitengerechtelijk heeft ontbonden, dan wel om deze alsnog in rechte te ontbinden, de vordering van R.D.E. op King Metaal als gevolg van de wanprestatie van King Metaal te begroten op € 16.532,99 en toe te staan dat R.D.E. deze vordering verrekent en daarbij King Metaal te veroordelen tot betaling van een restant schadevergoeding van € 1.369,36, dan wel (als verrekening niet wordt toegestaan), King Metaal te veroordelen tot betaling van € 16.532,99. Ook vordert R.D.E. veroordeling van King Metaal tot betaling van incassokosten van € 1.500,00 althans € 940,33.



2.4
Op 12 januari 2016 vond een comparitie plaats, waarvan proces-verbaal is opgemaakt.



2.5
De rechtbank heeft vijf tussenvonnissen gewezen. Ten aanzien van de vijf door R.D.E. behouden frames heeft de rechtbank in het tussenvonnis van 23 maart 2016 geoordeeld dat er in rechte van moet worden uitgegaan dat deze frames beantwoordden aan de overeenkomst, dat het beroep op verrekening niet slaagt en dat de in reconventie gevorderde schadevergoeding moet worden afgewezen (rov. 4.7). De vordering tot betaling van het meerwerk aan de vijf frames heeft de rechtbank in het tussenvonnis van 17 oktober 2018 afgewezen (rov. 2.13).



2.6
Ten aanzien van de resterende zeven frames heeft de rechtbank in het tussenvonnis van 23 maart 2016 overwogen dat de door R.D.E. gestelde tekortkoming op dat moment niet in rechte kon worden vastgesteld (rov. 4.13) en heeft zij om die reden bij tussenvonnis van 8 maart 2017 in reconventie een deskundigenbericht bevolen. Bij tussenvonnis van 17 oktober 2018 heeft de rechtbank geoordeeld dat dit deskundigenbericht buiten beschouwing wordt gelaten, omdat het niet bruikbaar was (rov. 2.19). Vervolgens heeft zij bij tussenvonnis van 3 juli 2019 een nieuwe deskundige benoemd, de heer De Jong van Medir International B.V. (hierna: Medir). Bij tussenvonnis van 15 juli 2020 heeft de rechtbank ook Temporary Works Design B.V. (hierna TWD) benoemd tot deskundige.



2.7

De rechtbank Rotterdam heeft bij eindvonnis van 17 november 2021 de vorderingen van King Metaal deels toegewezen, aldus dat R.D.E. is veroordeeld om aan King Metaal te betalen een bedrag van € 94.894,53, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119a BW over het bedrag van € 93.187,65, telkens vanaf dertig dagen na de betreffende factuur tot de dag van volledige betaling. Verder is R.D.E. veroordeeld om binnen een maand na betekening van het vonnis de zeven resterende frames af te nemen door deze op te halen van het terrein van King Metaal. Ten slotte is R.D.E. veroordeeld tot betaling van de beslagkosten, begroot op € 1.470,98. De proceskosten in conventie zijn gecompenseerd. De tegenvorderingen zijn afgewezen en daarvoor is R.D.E. in de proceskosten veroordeeld.

Hoger beroep





2.8
Bij dagvaarding van 14 februari 2022 is R.D.E. in hoger beroep gekomen van de tussenvonnissen van 23 maart 2016, 17 oktober 2018, 15 juli 2020, 8 maart 2017 en 3 juli 2019, en het eindvonnis van 17 november 2021. R.D.E. vorderde hetzelfde als bij de rechtbank (in reconventie) en eiste dat het hof de vorderingen van King Metaal (in conventie) alsnog volledig afwees. Daartoe voerde R.D.E. aan dat de rechtbank ten onrechte haar beroep op de gedeeltelijke (buitengerechtelijke) ontbinding van de overeenkomst met King Metaal heeft afgewezen. King Metaal had zich bij de vervaardiging van de zeven niet afgenomen frames van scheepslieren niet gehouden aan de door R.D.E. aangereikte tekeningen, zodat zij niet overeenkomstig de opdracht heeft gewerkt en geleverd.



2.9
King Metaal heeft in incidenteel hoger beroep, voor zover voorwaardelijk ingesteld, geëist dat haar vorderingen alsnog integraal worden toegewezen. Verder heeft zij haar vordering vermeerderd, dan wel haar eis gewijzigd, aldus dat R.D.E. haar een bedrag betaalt van € 47.510,00 waarvan een bedrag van € 40.500,00 voor opslagkosten en de btw daarover en de rest aan extra arbeidsuren. De vermeerdering van eis was (voornamelijk) gestoeld op de omstandigheid dat King Metaal tot eind februari 2022 de frames had moeten opslaan in haar loods, omdat R.D.E. weigerde deze af te nemen.



2.10
Bij tussenarrest van 21 juni 2022 is een mondelinge behandeling gelast. De mondelinge behandeling heeft op 3 oktober 2022 plaatsgevonden en daarvan is proces-verbaal opgemaakt. In het proces-verbaal is alleen opgenomen dat de raadsheer-commissaris de zaak met partijen heeft besproken en dat een schikking niet mogelijk bleek.



2.11
Bij arrest van 24 juni 2025 heeft het hof het principaal hoger beroep tegen de tussenvonnissen niet-ontvankelijk verklaard en het eindvonnis van de rechtbank Rotterdam vernietigd. Verder heeft het hof voor recht verklaard dat R.D.E. de overeenkomst van opdracht tussen partijen terecht buiten rechte gedeeltelijk heeft ontbonden en de overige vorderingen van R.D.E. afgewezen. Voorts heeft het hof R.D.E. veroordeeld om aan King Metaal een bedrag te betalen van € 16.038,63, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119a BW over € 15.163,63 vanaf dertig dagen na de factuurdatum, RDE veroordeeld in de beslagkosten, begroot op € 1.470,98 en de overige vorderingen van King Metaal afgewezen. Daarnaast heeft het hof King Metaal veroordeeld tot betaling aan R.D.E. van het door R.D.E. voorgeschoten deel van de kosten van de deskundigenrapporten, voor het overige de kosten van geding in eerste aanleg gecompenseerd, en King Metaal veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep.



2.12
Daartoe heeft het hof, voor zover relevant in cassatie, het volgende overwogen:


“6.2.6 Hoewel King Metaal de nodige detailkritiek heeft geuit op de uitkomst van de metingen van Medir, valt niet te ontkennen dat een aantal toleranties zoals opgenomen in of voortvloeiend uit de door R.D.E. verstrekte tekeningen uiteindelijk in het maakwerk door King Metaal zijn overschreden. Daarbij gaat het om zowel specifiek als algemeen getolereerde maten. King Metaal heeft dat, in reactie op de verwijten van R.D.E. en op eerdere rapporten, nog wel bestreden maar gelet op de inhoud van het rapport van Medir is het hof net als de rechtbank van oordeel dat bij de zeven door Medir onderzochte frames sprake is van een tekortkoming. Daarbij neemt het hof - als door King Metaal onvoldoende bestreden - aan dat partijen zich contractueel hebben gebonden aan de norm dat overschrijding van specifieke toleranties een grond is voor afkeuring van het werk en de producent (King Metaal) tot herstel verplichtte. Omdat alleen een tekortkoming van voldoende gewicht recht geeft op ontbinding is de vraag dan nog of - en daar ligt het zwaartepunt van het partijdebat in hoger beroep - de tekortkoming, gelet op alle omstandigheden van het geval, de ontbinding rechtvaardigt. De stelplicht en de bewijslast dat dit niet zo is liggen bij King Metaal.



6.2.7
King Metaal is zich gaandeweg in de procedure (ook) op het standpunt gaan stellen dat in ieder geval de frames - wat er verder van zij van de afwijkingen van de opgegeven maten - wel voldoende functioneel waren en dat de ontbinding (ook) daarom niet is gerechtvaardigd. King Metaal betoogt dat deze functionaliteit valt af te leiden uit het rapport van Medir, maar dat kan het hof daarin niet lezen en dat staat er ook niet met zoveel woorden in. Medir heeft bij enkele frames getest of deze op elkaar pasten, maar dat deze test een positief resultaat gaf kan uit haar rapport niet worden afgeleid. Dat, zoals kennelijk ook de rechtbank heeft aangenomen, de frames nog niet doelgeschikt waren blijkt daarentegen, zoals R.D.E. ook heeft aangevoerd, uit de nadere rapportage van TWD, de deskundige aan wie de rechtbank, na de metingen van Medir, de volgende vragen heeft gesteld:



a. Voor zover uit het rapport van MEDIR volgt dat de frames niet overeenkomen met de tekeningen, wat zijn de kosten die gepaard gaan met herstel? Indien deze kosten niet concreet zijn te berekenen, om welke reden dan ook, kunt u deze dan begroten?


b. Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis dient te nemen bij de verdere beoordeling?




TWD heeft daartoe achtereenvolgens, op basis van de bevindingen van Medir, onderzocht wat de kosten zijn van a. herstel van alles exact volgens de tekeningen, b. correctie van de punten die volgens Medir buiten de gestelde toleranties vallen en c. herstel tot een “fit for purpose” oplossing. Bij de samenvatting van de antwoorden staat onder punt c van de begroting van kosten en herstel het volgende vermeld: "Herstel tot een "fit for purpose" oplossing. Corrigeer de afwijkingen gepresenteerd in het MEDIR-rapport die belangrijk zijn voor de werking van de frames en accepteer afwijkingen die niet cruciaal zijn. Wij begroten de kosten van dit herstel op € 52.000 waarbij mogelijk nog reducties mogelijk zijn tot € 32.000.”




6.2.8
Een en ander is weliswaar een beredeneerde schatting, gerekend met commerciële prijzen, maar € 32.000,00 maakt op een aanneemsom van € 140.000,00 (ex btw) toch een aanzienlijk (extra) bedrag uit. Daarbij is van belang dat TWD bij deze optie de kosten van het machinaal bewerken van de onderzijde van twee frames (die onrealistisch waren genormeerd) niet heeft meegenomen en dat het laagste bedrag van € 32.000,00 is gebaseerd op de aanname dat (de afwijkingen bij) de onderzijde en de A-zijde van de contrafundaties niet hoeven te worden gecorrigeerd omdat dit bij het installeren van de lieren kan worden meegenomen. TWD heeft zich klaarblijkelijk in staat geacht om, op basis van de aan haar beschikbaar gestelde gegevens, dit oordeel te [geven] en in wat King Metaal daarover nog opmerkt ziet het hof geen reden om de deskundige niet te volgen. Met dit deskundig oordeel van TWD, en de toelichting die zij daarop heeft gegeven, staat voldoende vast dat de door King Metaal aangeboden frames niet zonder wezenlijke kosten verwerkingsklaar, en daarmee niet ‘fit for purpose’ waren. Uit het schikkingsvoorstel van R.D.E. om deze zeven frames voor € 25.000,00 alsnog af te nemen, blijkt uiteraard niet dat R.D.E. dat anders zag.



6.2.9
Anders dan kennelijk de rechtbank, leest het hof in de rapportages van Medir en TWD niet dat - vanwege gebreken in de tekeningen - de frames ook niet geschikt waren geweest als zij wel geheel volgens de tekening waren gefabriceerd en dat het voor een belangrijk deel aan R.D.E. zelf is te wijten dat de frames nog niet voldeden. TWD heeft hieromtrent bij de beantwoording van de vragen dit opgemerkt: In de tekeningen zitten tekortkomingen en mogelijk onnodig stringente eisen. In theorie kan men een constructie, exact volgens de tekeningen, maken, die nog steeds niet past en dus niet fit for purpose is. Naar aanleiding van het hierboven geciteerde antwoord op vraag 6 van Medir schreef TWD verder: MEDIR heeft bij haar metingen de aanname gedaan dat de frames rechthoekig moeten zijn. Een voor de hand liggende en praktische aanname, maar niet een eis die onbetwistbaar op de tekeningen staat. TWD stelt verder nog dat optie a. (herstel exact volgens tekening) “niet noodzakelijkerwijs in bruikbare frames resulteert" en optie b. (correctie van de punten die volgens Medir buiten de toleranties vallen) “waarschijnlijk bruikbare frames oplevert". Per saldo poneert TWD dus niet meer dan een mogelijkheid. Het is dan wellicht opvallend dat Medir en TWD aanleiding hebben gezien om de gebreken in de tekeningen aan de orde te stellen, maar het ontbreekt al met al aan aanknopingspunten om de conclusie te kunnen trekken dat het voor rekening en risico van R.D.E. zelf moet komen dat de frames niet ‘fit for purpose’ waren. Daar komt overigens nog bij dat R.D.E. gemotiveerd heeft aangevoerd dat de tekeningen deugdelijk waren, dat King Metaal zich kennelijk in staat heeft geacht om op basis van de tekeningen te produceren en dat King Metaal bij R.D.E. om verduidelijking had moeten vragen in het geval de tekeningen onduidelijk, onvolledig of anderszins gebrekkig waren.



6.2.10
Door King Metaal is verder nog aangevoerd dat (in een eerder stadium) vijf overeenkomstige frames zonder bezwaar zijn geaccepteerd door R.D.E. en dat niet valt in te zien waarom de huidige zeven frames (die volgens King Metaal op dezelfde wijze zijn geproduceerd, op basis van nadere wensen en aanwijzingen van R.D.E.) “opeens” niet meer zouden voldoen, maar het hof gaat aan die stelling voorbij. R.D.E. heeft deze stelling, inhoudende dat deze vijf frames zonder bezwaar zijn geaccepteerd, weersproken en stelt dat zij zelf nog het een en ander aan deze frames heeft verbeterd dan wel laten verbeteren. Zij heeft dat laatste echter niet nader onderbouwd (en ook geen grief gericht tegen de aanname in het eerste tussenvonnis dat deze vijf frames aan de overeenkomst beantwoordden). Wat daar verder ook van zij, ieder frame is afzonderlijk geproduceerd en van de huidige zeven frames - die het onderwerp vormen van deze procedure - staat op basis van de rapportages van Medir en TWD in voldoende mate vast dat zij niet geheel volgens tekening (rekening houdend met toegestane toleranties) zijn vervaardigd en bovendien dat de noodzaak bestaat om nadere werkzaamheden te verrichten om voor deze lieren een voldoende functionaliteit te creëren. Wat King Metaal over de vijf andere frames, en de door haar op aangeven van R.D.E. aangebrachte aanpassingen heeft gesteld, doet aan de bevindingen van de deskundigen niet af en geeft ook geen aanleiding hun rapporten anders te interpreteren.



6.2.11

De conclusie die het hof gelet op dit alles trekt is dat de tekortkoming van voldoende gewicht is om de ontbinding te rechtvaardigen. King Metaal heeft steeds volgehouden dat de frames conform de tekeningen waren geproduceerd en daarom geweigerd deze nog (nader) te herstellen. Haar standpunt wordt echter gelogenstraft door de bevindingen van (in elk geval) de onafhankelijke gerechtelijke deskundige Medir. Ook haar stelling dat de frames gewoon bruikbaar (‘fit for purpose’) waren wordt niet gevolgd omdat de gerechtelijk deskundige TWD hierover anders heeft geoordeeld. R.D.E. heeft bij wijze van laatste kans (op 24 juni 2015) aan King Metaal nog aangeboden om de frames af te nemen als zij op zijn minst spanningsvrij passend werden gemaakt, maar ook dat aanbod heeft King Metaal afgeslagen. Dat R.D.E. andere, oneigenlijke motieven had om zich onbuigzaam op te stellen, en dat zij op zoek is gegaan naar gebreken (wegens annulering van de order voor de lieren en/of de wens om de resterende frames in eigen beheer te produceren), is niet komen vast te staan. Het zou overigens ook niet afdoen aan de conclusie dat er sprake was van zodanige afwijkingen, en herstelkosten van zodanige omvang, dat R.D.E. deze niet hoefde te accepteren en de overeenkomst gedeeltelijk heeft mogen ontbinden. Wat TWD schrijft over de mogelijkheid dat het produceren volgens de tekeningen niet tot bruikbare frames had geleid, brengt het hof niet tot een ander oordeel en dat geldt ten slotte ook voor de stelling - zo al juist - van King Metaal dat de geweigerde frames voor King Metaal (anders dan voor R.D.E. geheel zonder (verkoop)waarde zijn. Of King Metaal al dan niet te laat heeft afgeleverd, hoeft dan niet meer te worden beoordeeld.”

Cassatie






2.13
Op 24 september 2025 heeft King Metaal (tijdig) cassatie ingesteld tegen het arrest van het hof. R.D.E. heeft verweer gevoerd. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht, voor R.D.E. mede door mr. S.J. Braaksma. King Metaal heeft gerepliceerd en R.D.E. heeft afgezien van dupliek.





3Bespreking van het cassatiemiddel


3.1

Het cassatiemiddel omvat drie onderdelen.

Onderdeel 1





3.2

Onderdeel 1 bestaat uit twee subonderdelen die uiteenvallen in verschillende klachten Omdat alleen belang bestaat bij subonderdeel 1.1.a-c indien subonderdeel 1.2 slaagt, behandel ik eerst subonderdeel 1.2.



3.3

Subonderdeel 1.2 richt zijn pijlen op de overweging dat “[het] al met al aan aanknopingspunten [ontbreekt] om de conclusie te kunnen trekken dat het voor rekening en risico van R.D.E. zelf moet komen dat de frames niet ‘fit for purpose’ waren (rov. 6.2.9)” (hierna: het aanknopingspuntenoordeel). Het subonderdeel bevat drie klachten (a-c).



3.4


Onder a. wordt geklaagd dat het hof bij de beoordeling van de vraag voor wiens rekening en risico het behoort te komen dat de frames niet (doel)geschikt waren voor gebruik en (nader) herstel vereisten, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans dat het oordeel onbegrijpelijk is. Daartoe wordt aangevoerd dat uit HR 8 oktober 2004 (NSC/[…]) volgt dat onder specifieke omstandigheden, die volgens het middel in onderhavige zaak aan de orde zijn, de opdrachtnemer geen waarschuwingsplicht (en daarmee onderzoeksplicht) heeft, indien de opdrachtgever voldoende deskundig is. Verder wordt (nog steeds onder a.) geklaagd dat het bestreden oordeel uit rov. 6.2.9 onjuist en onbegrijpelijk is, omdat uit HR 18 september 1998 volgt dat de omstandigheid dat de opdrachtgever ter zake deskundig is, aanleiding kan geven tot toepassing van art. 6:101 BW. King Metaal verwijst in dat verband naar essentiële stellingen die zijn genoemd in subonderdeel 1.1.c. Het betreft de volgende stellingen:
(i) partijen hebben tijdens het productieproces inhoudelijk overleg gevoerd, hetgeen heeft geleid tot de gerealiseerde frames;
(ii) dit overleg heeft na fabricatie van de frames nu juist geleid tot aanpassing van de tekeningen door R.D.E;
(iii) de frames moesten conform de door R.D.E. verschafte tekeningen en de daarin vermelde norm worden geproduceerd, waardoor King Metaal geen keuzevrijheid had.




3.5
Als ik het goed zie, veronderstelt (het eerste deel van) de klacht dat het hof in rov. 6.2.9 – bij de beoordeling van de vraag voor wiens rekening en risico het behoort te komen dat de frames niet ‘fit for purpose’ waren en herstel vereisten – heeft geoordeeld dat King Metaal haar waarschuwingsplicht (van art. 7:754 BW) heeft geschonden, waardoor de gevolgen van de ondeugdelijke uitvoering, hoewel die te wijten is aan de gebrekkige tekeningen van R.D.E., voor rekening en risico komen van King Metaal (art. 7:760 lid 2 BW).



3.6
Ik stel het volgende voorop. In rov. 6.2.6 (in nr. 2.12 geciteerd) heeft het hof geoordeeld, onbestreden in cassatie, dat ten aanzien van de zeven frames sprake is van een tekortkoming. Die tekortkoming zit er in dat een “aantal toleranties zoals opgenomen in of voortvloeiend uit de door R.D.E. verstrekte tekeningen uiteindelijk in het maakwerk door King Metaal zijn overschreden.” Daarbij neemt het hof, onbestreden in cassatie, aan dat partijen zich contractueel hebben gebonden aan de norm dat overschrijding van specifieke toleranties een grond is voor afkeuring van het werk en King Metaal tot herstel verplichtte.



3.7
Vervolgens onderzoekt het hof (in rov. 6.2.6 (slot) e.v.) of de tekortkoming, gelet op alle omstandigheden van het geval, de ontbinding rechtvaardigt. Hier neemt het hof een andere afslag dan de rechtbank. Ik sta eerst kort stil bij het oordeel van de rechtbank, omdat het hof zich in rov. 6.2.9 daartegen afzet.



3.8
De rechtbank heeft in (rov. 2.14) van het eindvonnis geoordeeld dat de tekortkoming de ontbinding van de overeenkomst niet rechtvaardigt. Daartoe had de rechtbank overwogen dat de frames dienden te worden vervaardigd overeenkomstig de door R.D.E. aan King Metaal verschafte tekeningen. De rechtbank maakte uit het deskundigenrapport van TWD op dat deze tekeningen gebrekkig waren en dat de frames, door deze gebrekkige tekeningen, ook niet ‘fit for purpose’ waren geweest, als deze wél conform de tekeningen waren vervaardigd. Omdat de tekortkoming voor een belangrijk deel te wijten was aan de gebrekkige tekeningen verschaft door R.D.E. diende zij voor rekening en risico van R.D.E. te komen, aldus de rechtbank. Daarmee kwam de rechtbank kennelijk tot het oordeel dat de tekortkoming niet van voldoende gewicht was om de ontbinding van de overeenkomst (door R.D.E.) te rechtvaardigen.



3.9
Het hof onderkent in rov. 6.2.9 dat Medir en TWD gebreken in de tekeningen aan de orde hebben gesteld (“Het is dan wellicht opvallend dat Medir en TWD aanleiding hebben gezien om de gebreken in de tekeningen aan de orde te stellen (…)”). Anders dan de rechtbank, leest het hof in de rapportage van TWD slechts dat de “mogelijkheid” bestaat dat de “frames ook niet geschikt waren geweest als zij wel geheel volgens de tekening waren gefabriceerd.”



3.10
Daarnaast leest het hof niet in de rapportages van Medir en TWD “dat het voor een belangrijk deel aan R.D.E. zelf is te wijten dat de frames nog niet voldeden (eerste volzin, slot).” Deze overweging wordt in cassatie niet bestreden. Kennelijk heeft het hof uit de rapportages de conclusie getrokken dat de gebreken in de tekeningen van slechts ondergeschikt belang waren en dat de oorzaak van het niet (doel)geschikt zijn van de frames is gelegen in het overschrijden (door King Metaal) van een aantal toleranties die zijn opgenomen of voortvloeien uit de tekeningen van R.D.E. (rov. 6.2.6, eerste volzin). Met andere woorden, het hof heeft kennelijk overwogen dat de frames niet geheel conform de tekeningen zijn geproduceerd en dat het (voor een belangrijk deel) daaraan is te wijten dat de frames niet voldoen. Dit blijkt ook uit rov. 6.2.10, waar het hof overweegt dat “op basis van de rapportages van Medir en TWD in voldoende mate [vaststaat] dat [de frames] niet geheel volgens tekening (rekening houdend met toegestane toleranties) zijn vervaardigd (…).” Ook is relevant dat het hof in rov. 6.2.11 overweegt dat “King Metaal […] steeds [heeft] volgehouden dat de frames conform de tekeningen waren geproduceerd en daarom [heeft] geweigerd deze nog (nader) te herstellen”,maar dat dit “standpunt wordt […] gelogenstraft door de bevindingen van (in elk geval) de onafhankelijke gerechtelijke deskundige Medir.”



3.11
Uit rov. 6.2.9 blijkt aldus niet dat het hof heeft geoordeeld dat de ondeugdelijke uitvoering (voor een belangrijk deel) te wijten is aan (de gebrekkige tekeningen van) R.D.E. Anders dan het middel kennelijk veronderstelt, is art. 7:760 lid 2 BW (in samenhang met lid 3) derhalve niet van toepassing. Het hof is daarom ook niet toegekomen aan de vraag of King Metaal op grond van art. 7:754 BW een waarschuwingsplicht heeft geschonden, hetgeen gevolgen zou hebben voor de risicoverdeling op grond van art. 7:760 lid 2 BW. Voor zover de klacht uitgaat van de lezing dat het hof heeft geoordeeld dat King Metaal een waarschuwingsplicht heeft geschonden en derhalve NSC/[…] heeft miskend, althans dat de toepassing van NSC/[…] onbegrijpelijk is, faalt zij dus bij gebrek aan feitelijke grondslag.



3.12
Voor zover de klacht voor het overige al aan de eisen voldoet en voor zover wordt geklaagd dat ’s hofs oordeel in rov. 6.2.9 onjuist, dan wel onbegrijpelijk is, omdat er wel degelijk aanknopingspunten (namelijk dat R.D.E., als deskundige wederpartij, invloed heeft gehad op het productieproces en dat King Metaal geen keuzevrijheid had) zouden zijn om de conclusie te kunnen trekken dat de tekortkoming voor rekening en risico van R.D.E. moet komen, faalt zij eveneens. Het middel ziet eraan voorbij dat rov. 6.2.9 in samenhang met 6.2.10 en 6.2.11 zo moet worden gelezen dat het hof op basis van de deskundigenrapportages heeft overwogen dat de frames niet exact conform de tekeningen van R.D.E. zijn geproduceerd en dat het niet voldoen van de frames is veroorzaakt door de afwijking van de tekeningen door King Metaal (het overschrijden van een aantal toleranties die zijn opgenomen of voortvloeien uit de tekeningen van R.D.E) (zie hiervoor nr. 3.10). In dat licht was het niet relevant of R.D.E. zich heeft bemoeid met het productieproces of dat zij aan King Metaal geen keuzevrijheid heeft gegeven. Als dat al zo zou zijn geweest, dan doet dat niet af aan de vaststelling dat King Metaal is afgeweken van de instructies van R.D.E. en daarmee ervoor heeft gezorgd dat de frames (in ieder geval) niet voldoen. Het hof hoefde daarom niet in te gaan op de in de klacht aangehaalde stellingen.



3.13

Onder b. klaagt het middel dat het aanknopingspuntenoordeel onjuist, dan wel onbegrijpelijk is. Het middel verwijst naar de volgende vaststellingen van het hof (in rov. 6.2.10 en 6.3.2):


(i) King Metaal heeft aangevoerd dat (in een eerder stadium) vijf overeenkomstige frames zonder bezwaar zijn geaccepteerd door R.D.E. en dat niet valt in te zien waarom de huidige zeven frames (die volgens King Metaal op dezelfde wijze zijn geproduceerd op basis van andere wensen en aanwijzingen van R.D.E.) opeens niet meer zouden voldoen;
(ii) R.D.E. die stelling weliswaar heeft weersproken met de stelling dat zij het een en ander aan de frames heeft verbeterd dan wel laten verbeteren, maar dit niet heeft onderbouwd, en;
(iii) R.D.E. geen grief heeft gericht tegen de aanname in het eerste tussenvonnis dat deze vijf frames aan de overeenkomst beantwoordden (en daar dus in rechte van moet worden uitgegaan, zie rov. 6.3.2).



Het middel klaagt dat, anders dan het hof in rov. 6.2.9 overweegt, er wel degelijk aanknopingspunten bestaan om de conclusie te kunnen trekken dat het voor rekening en risico van R.D.E. zelf moet komen dat de frames niet ‘fit for purpose’ waren. Daarbij wordt ook geklaagd dat het hof voorbij is gegaan aan de stelling dat de twaalf frames op dezelfde wijze zijn geproduceerd en (derhalve) identiek zijn. Deze stelling zou essentieel zijn voor de vraag in wiens contractuele risicosfeer de gebrekkigheid van de lieren liggen. Tot slot wordt geklaagd dat het hof onvoldoende is ingegaan op de essentiële stellingen dat sprake is van een alternatief scenario dat R.D.E. zich van haar afname- en betalingsverplichting jegens King Metaal heeft willen ontdoen, omdat haar eigen afnemer de order had gecanceld.




3.14
Niet valt in te zien waarom de in het middel aangehaalde vaststellingen van het hof over de vijf geaccepteerde frames en het alternatieve scenario ertoe zouden leiden dat er wel aanknopingspunten zijn om de conclusie te kunnen trekken dat het voor rekening en risico van R.D.E. zelf moet komen dat de zeven litigieuze frames niet ‘fit for purpose’ waren. Daarbij komt dat het hof de aangehaalde stellingen wel degelijk onder ogen heeft gezien, maar heeft verworpen in rov. 6.2.10 (met betrekking tot de vijf geaccepteerde frames) en 6.2.11 (“Dat R.D.E. andere, oneigenlijke motieven had om zich onbuigzaam op te stellen, en dat zij op zoek is gegaan naar gebreken (wegens annulering van de order voor de lieren en/of de wens om de resterende frames in eigen beheer te produceren), is niet komen vast te staan.”). Dat oordeel is noch onjuist, noch onbegrijpelijk.



3.15
Voor zover de klacht samenvalt met onderdeel 2, faalt zij op dezelfde gronden als dat onderdeel (zie hierna 3.28 e.v.).



3.16

Onder c. wordt betoogd dat de conclusie in rov. 6.2.11 dat de ontbinding is gerechtvaardigd onjuist en onbegrijpelijk is, omdat er wel degelijk aanknopingspunten zijn om de conclusie te kunnen trekken dat het voor rekening en risico van R.D.E. komt dat de frames niet aan de overeenkomst beantwoordden en (mogelijk) nader herstel vereisten. Voorts wordt betoogd dat in het licht van het in dit middel aangevoerde het van ondergeschikt belang is wat King Metaal in de procedure heeft volgehouden over de conformiteit van de frames en dat zij heeft geweigerd deze nog (nader) te herstellen (rov. 6.2.11).



3.17
Voor zover (het eerste deel van) de klacht voortbouwt op subonderdelen 1.2.a en 1.2.b, faalt zij in het voetspoor van die klachten. Voor het overige faalt de klacht, omdat zij niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen (art. 407 lid 2 Rv).



3.18
De conclusie is dat subonderdeel 1.2 faalt. Dat brengt mij bij subonderdeel 1.1.



3.19

Subonderdeel 1.1 bestaat uit vier klachten (a-d). Subonderdelen 1.1.a-c zijn gericht tegen het slot van rov. 6.2.9:


“(…). Daar komt overigens nog bij dat R.D.E. gemotiveerd heeft aangevoerd dat de tekeningen deugdelijk waren, dat King Metaal zich kennelijk in staat heeft geacht om op basis van de tekeningen te produceren en dat King Metaal bij R.D.E. om verduidelijking had moeten vragen in het geval de tekeningen onduidelijk, onvolledig of anderszins gebrekkig waren.”




3.20

Subonderdeel 1.1.a richt een rechts- en motiveringsklacht tegen de overweging dat King Metaal bij R.D.E. om verduidelijking had moeten vragen in het geval de tekeningen onduidelijk, onvolledig of anderszins gebrekkig waren.



3.21
Het subonderdeel klaagt dat het hof blijk geeft van een verkeerde toepassing van de waarschuwingsplicht van art. 7:754 lid 1 BW, omdat het bestreden arrest, noch de onderliggende stukken van het geding een feitelijke basis bieden voor de conclusie dat King Metaal de gebreken in de tekeningen kende of redelijkerwijs behoorde te kennen. Zonder nadere motivering (die ontbreekt) kan het (rechts)oordeel van het hof niet in stand blijven.



3.22

Subonderdeel 1.1.b klaagt ten eerste over een innerlijke tegenstrijdigheid in rov. 6.2.9. Betoogd wordt (onder verwijzing naar rov. 6.2.9) dat in cassatie vaststaat dat de deskundigen aanleiding hebben gezien de gebreken in de tekeningen aan de orde te stellen. Daarom moet er in cassatie (veronderstellenderwijs) van worden uitgegaan dát de tekeningen van R.D.E. gebrekkig waren. Zodoende is ’s hofs overweging in het slot van rov. 6.2.9, dat R.D.E. gemotiveerd heeft aangevoerd dat de tekeningen deugdelijk waren, innerlijk tegenstrijdig. Ten tweede klaagt het subonderdeel dat het oordeel omtrent de deugdelijkheid van de tekeningen ontoereikend is gemotiveerd, omdat het berust op een oordeel van een door R.D.E. ingeschakelde deskundige (WNV) en King Metaal gemotiveerd verweer heeft gevoerd.



3.23


Subonderdeel 1.1.c richt een motiveringsklacht tegen ’s hofs overweging dat King Metaal zich kennelijk in staat heeft geacht om op basis van de tekeningen te produceren (rov. 6.2.9, slot). Deze overweging zou onbegrijpelijk zijn in het licht van de volgende stellingen:
(i) partijen hebben tijdens het productieproces inhoudelijk overleg gevoerd, hetgeen heeft geleid tot de gerealiseerde frames;
(ii) dit overleg na fabricatie van de frames nu juist heeft geleid tot aanpassing van de tekeningen door R.D.E;
(iii) de frames moesten conform de door R.D.E. verschafte tekeningen en de daarin vermelde norm worden geproduceerd, waardoor King Metaal geen keuzevrijheid had.



Volgens het middel heeft het hof verzuimd op deze essentiële stellingen in te gaan, waardoor het bestreden arrest niet naar de eis der wet met redenen is omkleed. Deze stellingen zijn volgens het middel essentieel, omdat deze omstandigheden het oordeel van de rechtbank en King Metaal kracht bijzet dat het voor rekening en risico van R.D.E. zelf behoort te komen dat zij niet bevoegd was om de overeenkomst buitengerechtelijk te ontbinden.




3.24
De klachten lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Subonderdelen 1.1.a-c zijn gericht tegen niet-dragende overwegingen (“Daar komt overigens nog bij (…)”). Het oordeel van het hof dat de tekortkoming van voldoende gewicht is om de ontbinding te rechtvaardigen (rov. 6.2.11) is gestoeld op het aanknopingspuntenoordeel, in samenhang met ’s hofs lezing van de rapportages van Medir en TWD (rov. 6.2.9, eerste volzin) en de overwegingen dat de tekortkoming is gelegen in het overschrijden van specifieke toleranties opgenomen in of voortvloeiend uit de door R.D.E. verstrekte tekeningen (rov. 6.2.6, 6.2.10, 6.2.11) (zie hiervoor 3.10 e.v.) Omdat de klachten tegen het aanknopingspuntenoordeel (subonderdeel 1.2) om de hiervoor genoemde redenen niet slagen en de andere overwegingen niet worden bestreden, bestaat er geen belang bij subonderdelen 1.1.a-c. De klachten falen.



3.25

Subonderdeel 1.1.d richt een klacht tegen het volgende oordeel van het hof (rov. 6.2.11):


“Dat R.D.E. andere, oneigenlijke motieven had om zich onbuigzaam op te stellen, en dat zij op zoek is gegaan naar gebreken (wegens annulering van de order voor de lieren en/of de wens om de resterende frames in eigen beheer te produceren), is niet komen vast te staan. Het zou overigens ook niet afdoen aan de conclusie dat er sprake was van zodanige afwijkingen, en herstelkosten van zodanige omvang, dat R.D.E. deze niet hoefde te accepteren en de overeenkomst gedeeltelijk heeft mogen ontbinden.”



Daarnaast komt het subonderdeel op tegen rov. 6.2.8 en het slot van rov. 6.2.10 (vanaf “wat daar verder ook van zij”).




3.26
Het middel gaat uit van de lezing dat het hof met deze overwegingen tot uitdrukking heeft willen brengen dat King Metaal met betrekking tot de genoemde afwijkingen in deskundigheid en zorgvuldigheid tekort is geschoten (art. 7:760 lid 2 BW). Uitgaande van die lezing wordt er geklaagd dat dat oordeel blijk zou geven van een onjuiste rechtsopvatting van art. 7:760 lid 2 BW, althans dat het oordeel ontoereikend is gemotiveerd. Er wordt aangevoerd dat het hof in dat geval miskent dat King Metaal werd ingeperkt in haar keuzevrijheid en R.D.E. zich als deskundige opwierp, waarbij R.D.E. erop aandrong dat exact volgens de door haar verschafte tekeningen werd geproduceerd, en dat de tekeningen ondeugdelijk zijn gebleken of in ieder geval niet realistisch zijn volgens de deskundigen. Verder zou het arrest op dat punt innerlijk tegenstrijdig zijn gelet op het oordeel in rov. 6.2.10 dat in voldoende mate vaststaat dat de zeven frames niet geheel volgens de tekeningen zijn vervaardigd. Tot slot wordt geklaagd dat de bestreden overweging uit 6.2.11 (“Het zou overigens … heeft mogen ontbinden”) onjuist en onbegrijpelijk is, omdat de aldaar genoemde omstandigheid – waarmee kennelijk wordt bedoeld de omstandigheid dat sprake was van zodanige afwijkingen en herstelkosten van zodanige omvang – in dit geval niet de ontbinding rechtvaardigt. Datzelfde geldt voor hetgeen het hof in rov. 6.2.8 en 6.2.10 vanaf “Wat daar verder ook van zij (…)” overweegt, aldus het middel.



3.27

De klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag, omdat het hof niet heeft geoordeeld dat King Metaal tekort is geschoten in deskundigheid en zorgvuldigheid (art. 7:760 lid 2 BW). Ik verwijs naar mijn bespreking van subonderdeel 1.2. Voor het overige bouwt de klacht voort op subonderdelen 1.1.c en 1.2, en faalt zij op dezelfde gronden als die subonderdelen.

Onderdeel 2





3.28

Onderdeel 2 is gericht tegen rov. 6.2.9-6.2.12 van het bestreden arrest (geciteerd in nr. 2.11). Volgens het middel kan uit deze rechtsoverwegingen worden opgemaakt dat het hof de gegrondheid van de vordering van King Metaal en de gerechtvaardigdheid van de ontbinding door R.D.E. onderzocht heeft willen zien uitsluitend op basis van de bewijswaardering omtrent de (mate van) (on)geschiktheid van de zeven frames en de kosten van herstel. Het middel klaagt dat het hof in deze overwegingen onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn gedachtegang en dat het bestreden arrest derhalve niet naar de eis der wet met redenen is omkleed. Daarbij wijst het middel op het volgende:


a. in cassatie moet er (veronderstellenderwijs) van worden uitgegaan dat: (i) de twaalf frames op dezelfde wijze zijn gefabriceerd en identiek zijn; (ii) allemaal in meer of mindere mate afwijkingen vertoonden van de (algemene en specifieke) tolerantienormen, en (iii) het hof terecht heeft aangenomen dat de vijf door R.D.E. geaccepteerde en afgenomen frames aan de overeenkomst beantwoordden;
b. er is een alternatief scenario mogelijk, dat voldoende is bijgebracht in feitelijke instanties door King Metaal en dat niet of onvoldoende is onderzocht door het hof.




3.29
De klacht onder a. faalt. Het hof heeft in rov. 6.2.10 – in cassatie onbestreden – overwogen dat “ieder frame afzonderlijk [is] geproduceerd.” Daarmee heeft het hof kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat de frames niet per definitie identiek zijn en dat er aldus verschillen mogelijk zijn. In het licht van deze vaststelling is goed te volgen dat het hof vervolgens in het slot van rov. 6.2.10 overweegt dat, wat King Metaal over de vijf andere frames heeft gesteld, niet afdoet aan de bevindingen van de deskundigen en ook geen aanleiding geeft om hun rapporten anders te interpreteren. Als naar het oordeel van het hof vaststaat dat de zeven frames niet aan de overeenkomst voldoen, wordt dat niet anders, omdat vijf eerdere – afzonderlijk geproduceerde, en aldus niet identieke – frames wel aan de overeenkomst zouden voldoen. Ook wijs ik er op dat het middel zelf onder (ii) benoemt dat de twaalf frames “allemaal in meer of mindere mate afwijkingen vertoonden van de (algemene en specifieke) tolerantienormen.”



3.30
Daarbij merk ik – ten overvloede – nog het volgende op. De rechtbank heeft in het eerste tussenvonnis van 23 maart 2016 (in rov. 4.7) geoordeeld dat R.D.E. niet heeft voldaan aan haar stelplicht ten aanzien van haar verwijt dat King Metaal ten aanzien van de eerste vijf frames toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de overeenkomt en zij ook geen bewijsaanbod heeft gedaan. De rechtbank is niet aan bewijslevering toegekomen. Volgens de rechtbank moest er daarom in rechte vanuit worden gegaan dat de eerste vijf frames beantwoordden aan de overeenkomst. De rechtbank heeft de kwestie over het tekortschieten met betrekking tot de eerste vijf frames aldus afgedaan op de stelplicht en de bewijslast. Tegen dit oordeel is geen grief gericht, zoals het hof in de bestreden uitspraak overweegt (rov. 6.2.10 en 6.3.2). Het is de vraag of deze processuele situatie helemaal strookt met de werkelijkheid. De vertwijfeling hieromtrent is naar mijn mening ook te zien in rov. 6.2.10 van het bestreden arrest. Ik ga daarom niet mee met het betoog van King Metaal (samengevat: omdat in rechte vaststaat dat de eerste vijf frames beantwoorden aan de overeenkomst, dat ook zou moeten gelden met betrekking tot de andere zeven frames), temeer gelet op de vaststellingen van de deskundigen dat er met betrekking tot de laatste zeven frames overschrijdingen waren van de toleranties.



3.31
De klacht onder b. slaagt evenmin. De klacht ziet eraan voorbij dat het hof in rov. 6.2.11 wel degelijk voldoende inzicht heeft gegeven in zijn gedachtegang met betrekking tot de stelling over het alternatieve scenario. Ik citeer:


“Dat R.D.E. andere, oneigenlijke motieven had om zich onbuigzaam op te stellen, en dat zij op zoek is gegaan naar gebreken (wegens annulering van de order voor de lieren en/of de wens om de resterende frames in eigen beheer te produceren), is niet komen vast te staan. Het zou overigens ook niet afdoen aan de conclusie dat er sprake was van zodanige afwijkingen, en herstelkosten van zodanige omvang, dat R.D.E. deze niet hoefde te accepteren en de overeenkomst gedeeltelijk heeft mogen ontbinden.”

Onderdeel 3





3.32

Onderdeel 3 betreft een voortbouwklacht tegen de slotsom in rov. 6.8 en het dictum. De klacht faalt.



3.33
De slotsom is dat alle klachten falen.





4Conclusie


De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.



De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden



A-G




Vergelijk het tussenvonnis van de rechtbank Rotterdam van 23 maart 2016, zaaknummer/rolnummer: C/10/483347 / HA ZA 15-881, rov. 2.1-2.18. Het hof Den Haag heeft in het arrest van 24 juni 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1150, onder 3, overwogen dat de door de rechtbank in het tussenvonnis van 23 maart 2016 (rov. 2.1-2.18) vastgestelde feiten door partijen niet zijn bestreden, zodat het hof hiervan is uitgegaan.


Zoals vastgesteld door de rechtbank Rotterdam in het tussenvonnis van 17 oktober 2018, zaaknummer/rolnummer: C/10/483347/ HA ZA 15-881, rov. 2.1, 2.3.


Rb. Rotterdam 23 maart 2016; Rb. 8 maart 2017; Rb. Rotterdam 17 oktober 2018; Rb. Rotterdam 3 juli 2019; Rb. Rotterdam 15 juli 2020, zaaknummer/rolnummer: C/10/483347/ HA ZA 15-881.


Rb. Rotterdam 17 november 2021, zaaknummer/rolnummer: C/10/483347/ HA ZA 15-881.


Hof Den Haag 24 juni 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1150.


HR 8 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP0954, NJ 2005/52 (NSC/[…]).


HR 18 september 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2705, NJ 1998/818 (KPI/Leba).


In de repliek (p. 2, voetnoot 3) wordt betoogd dat de eigen schuld van R.D.E. een omstandigheid is die kan worden meegenomen bij de vraag of de ontbinding gerechtvaardigd is.


Het middel verwijst naar antwoordakte in hoger beroep van 30 mei 2023, nr. 9.


Het middel verwijst naar antwoordakte in hoger beroep van 30 mei 2023, nr. 9.


Het middel verwijst naar Voorwaardelijke MvA van 12 april 2023, nr. 3, 4; Antwoordakte van 27 juni 2023, nr. 12; en met betrekking tot de keuzevrijheid naar: MvG, nr. 7 en 24.


Zie over de structuur van art. 6:265 lid 1 BW: HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810, NJ 2019/446 mn.t Jac. Hijma, AA20190293 m.nt. H.N. Schelhaas, JBPr 2018/61 m.nt. F.J.P. Lock, JHV 2018/29 m.nt. Th. Gardenbroek, TBR 2018/197 m.nt. S. van Gulijk, Prg. 2019/68 m.nt. P.J.M. Ros, rov. 3.5.


Ook in cassatie stelt King Metaal zich op dit standpunt. Zie schriftelijke toelichting, onder 1.


Er wordt verwezen naar MvA, nr. 8, 24, 61, 74; p-v eerste aanleg van 12 januari 2016, p. 3 (de heer Kingma); eerste tussenvonnis, rov. 4.12; Antwoordakte van 28 maart 2018, nr. 54 en 59.


Er wordt verwezen naar MvA, nr. 8 en 25.


Er wordt verwezen naar de volgende gedingstukken: Inleidende dagvaarding, nr. 11, 12 en 15; p-v eerste aanleg van 12 januari 2016, p. 3; Conclusie na getuigenverhoor van 19 april 2017, nr. 31-34, 37 en 40; MvA, nr. 15 t/m 17, 19, 24-25, 27, 61, 66-69, 74, 80-82, 91 MvA.


Er wordt verwezen naar MvA, nr. 41.


Het middel verwijst naar antwoordakte in hoger beroep van 30 mei 2023, nr. 9.


Het middel verwijst naar antwoordakte in hoger beroep van 30 mei 2023, nr. 9.


Het middel verwijst naar Voorwaardelijke MvA van 12 april 2023, nr. 3, 4; Antwoordakte van 27 juni 2023, nr. 12; en met betrekking tot de keuzevrijheid naar: MvG, nr. 7 en 24.


Waarmee kennelijk wordt bedoeld: gelet op de essentiële omstandigheden genoemd in het middelonderdeel 1.1.c, één en ander in combinatie met de omstandigheid dat de vijf frames aan de overeenkomst beantwoordden en door R.D.E. zijn goedgekeurd en afgenomen (subonderdeel 1.2). Zie ook repliek, onder 7.


Zie ook repliek, onder 7.