Parket bij de Hoge Raad
ECLI:NL:PHR:2026:850
2026-09-18
Civiel recht; Personen- en familierecht
25/02809
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Personen- en familierecht. IPR. Gevolgen van khul echtscheiding voor bruidsgave naar Egyptisch recht. Strijd met openbare orde (art. 10:6 BW)? Betrokkenheid van Nederland. Processuele behandeling van conflictenrecht; devolutieve werking van appel.
Citeert (11)
- ECLI:NL:HR:2023:200 Hoge Raad 10-02-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2025:1759 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 24-06-2025
- ECLI:NL:RBLIM:2023:6697 Rechtbank Limburg 15-11-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2025:1759 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 24-06-2025
- ECLI:NL:HR:2023:200 Hoge Raad 10-02-2023
- ECLI:NL:HR:2025:1093 Hoge Raad 04-07-2025
- ECLI:NL:HR:2026:126 Hoge Raad 30-01-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2023:562 Gerechtshof Den Haag 04-04-2023
- ECLI:NL:HR:2026:1278 Hoge Raad 17-07-2026
- ECLI:NL:HR:2026:1278 Hoge Raad 17-07-2026
- ECLI:NL:HR:2026:1293 Hoge Raad 17-07-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (32.343 tekens)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/02809
Zitting 18 september 2026
CONCLUSIE
F. Ibili
In de zaak
[de vrouw],eiseres tot cassatie,
hierna: de vrouw
tegen
[de man],verweerder in cassatie,
hierna: de man
1Inleiding
1.1
In deze zaak vordert de vrouw veroordeling van de man tot voldoening van de bruidsgave van 400 gram goud 21 karaat en een bedrag van 150.000 Egyptische pond die partijen ter gelegenheid van de huwelijksvoltrekking in Egypte zijn overeengekomen. Anders dan de kantonrechter heeft het hof deze vordering afgewezen, omdat de vrouw op grond van art. 20 Wet 2000 no. 1 van het Egyptische recht in geval van een khul echtscheiding afstand dient te doen van haar bruidsgave. Volgens het hof is deze bepaling van Egyptisch recht niet in strijd met de Nederlandse openbare orde in de zin van art. 10:6 BW. De vrouw bestrijdt dit oordeel in cassatie. Verder komt zij op tegen het oordeel van het hof dat de vordering van de vrouw ook bij de toepassing van Nederlands recht moet worden afgewezen, omdat de vordering van de vrouw ter zake van de bruidsgave en de daarmee corresponderende schuld van de man in de wettelijke algehele gemeenschap van goederen valt die tussen partijen gold (art. 1:94 (oud) BW).
2Feiten en procesverloop
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.2
Partijen zijn op 27 december 2015 gehuwd te [plaats], Egypte.
2.3
In aanvulling op het huwelijkscontract hebben partijen afspraken gemaakt over de bruidsgave. Deze aanvullende overeenkomst luidt (blijkens de beëdigde Nederlandse vertaling), voor zover van belang, als volgt:
‘Lijst van transacties
De twee partijen:
(1) [de man] (…);
(2) [de vrouw] (…)
Zijn de volgende lijst van overdrachten overeengekomen:
Artikel
Definitie/waarde
Eerste
Gouden voorwerpen: gewaardeerd op 400 gram goud van 21 karaat, ter waarde van 100.000 EGP (honderdduizend Egyptische pond)
Tweede
De rest van de bruidsgave, het uitgestelde gedeelte:
Een bedrag van 150.000 EGP (honderdvijftigduizend Egyptische pond). Dit bedrag vertegenwoordigt het uitgestelde gedeelte van de overeengekomen bruidsgave die niet is vastgelegd in de huwelijksakte.
Op basis van het voornoemde heeft de eerste partij (de echtgenoot) verklaard dat de echtgenote ingeval van echtscheiding of scheiding van tafel en bed (God verhoede), recht heeft op alle voornoemde, in artikel 1 en 2 vastgelegde transacties, waarvoor de echtgenoot getekend heeft in bijzijn van de [onderstaande] getuigen (...)’.
2.4
Op 2 september 2020 heeft de vrouw een verzoek tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank Limburg. Ten tijde van de echtscheidingsprocedure had de vrouw de Nederlandse en de Egyptische nationaliteit en de man de Egyptische nationaliteit.
2.5
Bij beschikking van 28 april 2021 heeft de rechtbank Limburg de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Die beschikking is op 19 mei 2021 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage.
2.6
Op 15 juli 2021 heeft de vrouw in Egypte een verzoek tot erkenning van de Nederlandse echtscheidingsbeschikking ingediend. Bij beslissing van 29 maart 2022 is die beschikking in Egypte erkend.
2.7
Bij e-mailbericht van 15 november 2022 heeft de vrouw van de man nakoming gevorderd van de afspraken die partijen in de aanvullende overeenkomst hebben gemaakt.
2.8
In de onderhavige zaak, ingeleid bij dagvaarding van 9 december 2022, heeft de vrouw gevorderd dat de man wordt veroordeeld tot voldoening van 400 gram goud 21 karaat en een bedrag van 150.000 Egyptische pond, vermeerderd met de wettelijke rente. Aan deze vordering heeft de vrouw de afspraken over de bruidsgave in de aanvullende overeenkomst ten grondslag gelegd. De man heeft hiertegen verweer gevoerd.
2.9
Bij vonnis van 15 november 2023 heeft de kantonrechter in de rechtbank Limburg de man veroordeeld tot voldoening van 400 gram goud 21 karaat en 150.000 Egyptische pond aan de vrouw.
2.10
De man is hiertegen in hoger beroep gekomen. Bij arrest van 24 juni 2025 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch het vonnis van de kantonrechter vernietigd en de vordering van de vrouw ter zake van de aanvullende overeenkomst alsnog afgewezen.
2.11
De vrouw is (tijdig) in cassatie gekomen van het arrest van het hof (hierna: het bestreden arrest). De man heeft verweer gevoerd en zijn standpunt schriftelijk toegelicht. De vrouw heeft gerepliceerd.
3Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel komt met drie onderdelen op tegen (de overwegingen in het bestreden arrest die hebben geleid tot) het oordeel van het hof dat de vordering van de vrouw op grond van de aanvullende overeenkomst moet worden afgewezen.
3.2
Onderdeel I heeft betrekking op rov. 3.8.3, waarin het hof als volgt overweegt:
‘Het Egyptische huwelijksrecht kent verschillende vormen van echtscheiding. Voor vrouwen bestaan drie mogelijkheden om op eigen initiatief, en dus zonder medewerking van de man, via de rechter te scheiden:
1) de op schuld gebaseerde echtscheiding vanwege schade door de man;
2) echtscheiding, omdat de man zich niet houdt aan een contractueel overeengekomen grond voor scheiding;
3) de niet op schuld gebaseerde echtscheiding, de gerechtelijke khul’.
De gerechtelijke khul’, zoals geregeld in artikel 20 Wet 2000 no. 1, luidt, voor zover van belang:
‘A married couple may mutually agree to khul.
(...) However, if they do not agree and the wife sues demanding it, and separates herself from her husband by giving up all her financial legal rights, and restores to him the dower he gave to her, then the court is to divorce her from him.’
Volgens dit artikel moet een vrouw die de khul’-scheiding aanvraagt, haar aanspraak op de bruidsgave volledig prijsgeven (evenals andere financiële aanspraken). Niet gesteld of gebleken is dat de echtscheiding van partijen in Nederland is verzocht wegens ‘schade door de man’ of omdat ‘de man zich niet houdt aan een contractueel overeengekomen grond voor scheiding’. Dit betekent dat de vrouw, nu zij degene is die de echtscheiding heeft aangevraagd, naar Egyptisch recht geen nakoming van de aanvullende overeenkomst kan vorderen. Dat de echtscheiding in Nederland is aangevraagd en in Egypte slechts de erkenning van de echtscheidingsbeschikking is verzocht, maakt dit niet anders. Dit doet er immers niet aan af dat de echtscheiding op initiatief van de vrouw tot stand is gekomen. Dat de aanvullende overeenkomst zelf geen beperkende voorwaarde kent, doet evenmin af aan het voorgaande. Het aan de khul’ verbonden rechtsgevolg volgt immers niet uit de overeenkomst, maar uit de (Egyptische) wet. Dit betekent dat de vrouw naar Egyptisch recht geen aanspraak meer kan maken op de bruidsgave en dat haar vordering moet worden afgewezen.
De stelling van de vrouw in eerste aanleg dat Nederlands recht van toepassing is op de aanvullende overeenkomst, kan haar niet baten. Tussen partijen staat immers vast dat tijdens het huwelijk, en in afwijking van het vermogensstelsel naar Egyptisch recht, de algehele wettelijke gemeenschap van goederen (naar Nederlands recht) bestond (rov. 3.5 besch. echtscheiding d.d. 28 april 2021). Daarmee valt de vordering van de vrouw in beginsel in die huwelijksgemeenschap behoudens voor zover de bijzondere verknochtheid van de bruidsgave aan de vrouw zich daartegen verzet (art. 1:94 lid 3 (oud) BW). De huwelijksgemeenschap omvat op grond art. 1:94 lid 2 en 5 (oud) BW immers alle – ook de voorhuwelijkse – baten en schulden van partijen. Het standpunt van de vrouw dat haar vordering op de man pas ontstaat na de ontbinding van het huwelijk, en daarom niet in de huwelijksgemeenschap is gevallen, gaat niet op omdat de bruidsgave een gevolg is van de totstandkoming van een geldig huwelijk in Egypte. Uit de aanvullende overeenkomst volgt slechts dat de nakoming van die overeenkomst pas kan worden gevorderd na ontbinding van het huwelijk (dit laat echter onverlet dat ten tijde van het aangaan van het huwelijk de vordering als zodanig al ontstond).
Aangezien de vrouw zich niet heeft beroepen op verknochtheid is de hoofdregel van art. 1:94 lid 2 (oud) BW onverkort van toepassing. Dat betekent dat de vordering van de vrouw op de man ter zake van de bruidsgave in de huwelijksgemeenschap valt, maar ook dat de schuld van de man aan de vrouw ter zake van de bruidsgave in die gemeenschap valt. Ingevolge art. 1:100 BW hebben partijen immers een gelijk aandeel in de ontbonden gemeenschap. Daarom kan de vrouw ten aanzien van de bruidsgave in dit geval geen vordering geldend maken.’
3.3
Het middel keert zich (onder 1 en 2) tegen het oordeel van het hof, dat besloten ligt in de tweede alinea van rov. 3.8.3, dat de echtscheiding die de vrouw naar Nederlands recht heeft verzocht kwalificeert als een khul echtscheiding naar Egyptisch recht, in het bijzonder art. 20 Wet 2000 no. 1, waaruit volgt, voor zover van belang, dat de vrouw die een khul echtscheiding verzoekt haar aanspraak op de bruidsgave volledig dient prijs te geven. Volgens de klacht heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, omdat de echtscheiding die de vrouw in Nederland heeft verzocht niet kan worden gelijkgesteld met een khul echtscheiding naar Egyptisch recht. Nu geen sprake zou zijn van een khul echtscheiding naar Egyptisch recht, komt de man volgens het middel geen beroep toe op art. 20 Wet 2000 no. 1. Het middel klaagt aldus over het oordeel van het hof met betrekking tot de uitleg en toepassing van Egyptisch recht, in het bijzonder art. 20 Wet 2000 no. 1. In de repliek in cassatie wordt echter opgemerkt dat deze klacht geen betrekking heeft op de uitleg van het Egyptische recht maar van het Nederlandse recht.
3.4
Ik meen dat deze klacht zal moeten falen en leg dit als volgt uit. In rov. 3.5 heeft het hof tot uitgangspunt genomen dat Egyptisch recht van toepassing is op de aanvullende overeenkomst. Dit betekent dat de inhoud en omvang van de aanspraak van de vrouw uit hoofde van de bruidsgave alsmede de bevrijdende verweren van de man tegen deze aanspraak, beoordeeld zullen moeten worden naar Egyptisch recht. Dit geldt ook voor de vraag onder welke omstandigheden de vrouw haar aanspraak op de bruidsgave verliest. Het verweer van de man dat de vrouw naar Egyptisch recht geen nakoming meer kan vorderen van de aanvullende overeenkomst nu zij de echtscheiding heeft verzocht, wordt derhalve bestreken door Egyptisch recht. In de tweede alinea van rov. 3.8.3 ligt besloten dat naar het oordeel van het hof de door de vrouw in Nederland verzochte echtscheiding kwalificeert als een khul echtscheiding op grond van Egyptisch recht, met als gevolg dat de vrouw geen aanspraak kan maken op de bruidsgave. Dat de echtscheiding in Nederland is verzocht en in Egypte slechts de erkenning van de echtscheidingsbeschikking is verzocht, maakt dit volgens het hof niet anders: ‘Dit doet er immers niet aan af dat de echtscheiding op initiatief van de vrouw tot stand is gekomen.’ Met dit oordeel heeft het hof uitleg en toepassing gegeven aan het Egyptische recht, in die zin dat de door de vrouw verzochte echtscheiding in Nederland kwalificeert als een khul echtscheiding naar Egyptisch recht, waarmee is voldaan aan de voorwaarde voor de toepassing van art. 20 Wet 2000 no. 1, met als gevolg dat de vrouw naar Egyptisch recht geen aanspraak meer kan maken op de bruidsgave.
3.5
Het oordeel van het hof in de tweede alinea van rov. 3.8.3 dat de echtscheiding die de vrouw naar Nederlands recht heeft verzocht kwalificeert als een khul echtscheiding naar Egyptisch recht, betreft een oordeel over de uitleg en toepassing van buitenlands recht. Het oordeel van de feitenrechter over de uitleg en toepassing van buitenlands recht laat zich in cassatie niet toetsen (art. 79 lid 1 sub b RO), anders dan op begrijpelijkheid. Voor zover het middel met een rechtsklacht zou opkomen tegen het oordeel van het hof over de uitleg en toepassing van Egyptisch recht, faalt de klacht op deze grond. Het middel bevat geen klacht over een gebrekkige motivering van het oordeel van het hof over de uitleg en toepassing van Egyptisch recht. Voor zover het middel (blijkens de repliek in cassatie) zou klagen dat het hof met zijn oordeel over de khul echtscheiding blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting naar Nederlands recht, althans zijn oordeel onder de toepassing van Nederlands recht onbegrijpelijk is, miskent het middel (nog daargelaten dat een voor het eerst bij repliek aangevoerde klacht als tardief moet worden beschouwd) dat de bruidsgave wordt beheerst door Egyptisch recht en het bestreden onderdeel in het arrest een oordeel van het hof bevat over de uitleg en toepassing van Egyptisch recht en niet van Nederlands recht. In zoverre mist de klacht feitelijke grondslag.
3.6
Verder keert het middel (onder 3) zich tegen het oordeel van het hof in de derde alinea van rov. 3.8.3, dat de stelling van de vrouw in eerste aanleg dat Nederlands recht van toepassing is op de aanvullende overeenkomst haar niet kan baten. De klacht komt erop neer dat het hof de vordering van de vrouw ten onrechte naar Nederlands recht heeft beoordeeld, nu de aanvullende overeenkomst wordt beheerst door Egyptisch recht. Tegen het oordeel van de kantonrechter dat de aanvullende overeenkomst wordt beheerst door Egyptisch recht, is door geen van partijen een grief gericht; de toepasselijkheid van Egyptisch recht staat in hoger beroep hiermee vast.
3.7
De vrouw heeft geen belang bij deze klacht. Immers, het oordeel van het hof dat de vrouw naar Egyptisch recht geen aanspraak meer kan maken op de bruidsgave en dat haar vordering moet worden afgewezen, wordt zelfstandig gedragen door het oordeel in de tweede alinea van rov. 3.8.3, dat de vrouw als gevolg van de khul echtscheiding haar aanspraak op de bruidsgave op grond van art. 20 Wet 2000 no. 1 van het Egyptische recht heeft verloren. Op grond hiervan heeft de vrouw, in de redenering van het hof, geen vordering uit hoofde van de bruidsgave die zou kunnen vallen in de algehele wettelijke gemeenschap van goederen naar Nederlands recht (art. 1:94 lid 2 (oud) BW) waarin partijen (volgens de vaststelling van het hof; rov. 3.8.3, derde alinea) waren gehuwd. Aan de vraag naar de verknochtheid van de vordering uit hoofde van de bruidsgave in de zin van art. 1:94 lid 3 (oud) BW wordt dan niet toegekomen.
3.8
Ten overvloede merk ik op dat het hof in de derde alinea van rov. 3.8.3 de vordering van de vrouw ten onrechte (ook) heeft beoordeeld naar Nederlands recht. Op dit punt heeft het hof de devolutieve werking van het appel miskend. Ik leg dit als volgt uit. In rov. 3.5 overweegt het hof:
‘De man richt geen grieven tegen het oordeel van de rechtbank dat Egyptisch recht op de aanvullende overeenkomst van toepassing is. De vrouw heeft in eerste aanleg aangevoerd dat Nederlands recht van toepassing is. Het hof zal Egyptisch recht toepassen op de aanvullende overeenkomst (vgl. HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:200). Voor zover de toepassing van het Egyptisch recht leidt tot een vernietiging van het bestreden vonnis, en tot de afwijzing van de vordering van de vrouw, bespreekt het hof de stellingen van de vrouw in eerste aanleg in hetgeen hierna aan de orde komt.’
3.9
In eerste aanleg heeft de vrouw zich op het standpunt gesteld dat Nederlands recht van toepassing is op de aanvullende overeenkomst. De man heeft hiertegen verweer gevoerd. Bij vonnis van 15 november 2023 heeft de kantonrechter geoordeeld dat Egyptisch recht van toepassing is op de aanvullende overeenkomst (rov. 4.8). De kantonrechter heeft de vordering van de vrouw uit hoofde van de bruidsgave beoordeeld naar Egyptisch recht (rov. 4.9) en de vordering uiteindelijk toegewezen (rov. 4.11 e.v.). In hoger beroep is geen grief gericht tegen het conflictenrechtelijke oordeel van de kantonrechter dat Egyptisch recht van toepassing is. Hiermee staat vast dat de vordering van de vrouw uit hoofde van de bruidsgave in hoger beroep beoordeeld dient te worden naar Egyptisch recht. Dit heeft het hof ook uitdrukkelijk onderkend in rov. 3.5, eerste en derde volzin. Vervolgens heeft het hof overwogen dat, voor zover de toepassing van Egyptisch recht leidt tot een vernietiging van het vonnis van de kantonrechter, en tot afwijzing van de vordering van de vrouw, het hof de stellingen van de vrouw in eerste aanleg alsnog zal bespreken, waaronder de stelling dat Nederlands recht van toepassing is op de aanvullende overeenkomst (rov. 3.5, tweede en vierde volzin). Nadat het hof in de tweede alinea van rov. 3.8.3 heeft geoordeeld dat de vrouw naar Egyptisch recht geen aanspraak meer kan maken op de bruidsgave en haar vordering moet worden afgewezen, heeft het hof in de derde alinea van rov. 3.8.3 de stelling van de vrouw in eerste aanleg dat Nederlands recht van toepassing is op de aanvullende overeenkomst beoordeeld en uiteindelijk verworpen.
3.10
Door aldus te oordelen heeft het hof miskend dat de conflictenrechtelijke vraag naar het toepasselijke recht op de aanvullende overeenkomst niet lag binnen het door de grieven ontsloten gebied in hoger beroep. Vast staat immers dat in hoger beroep niet is gegriefd tegen het conflictenrechtelijke oordeel van de kantonrechter dat de aanvullende overeenkomst, en daarmee de vordering van de vrouw uit hoofde van de bruidsgave, wordt beheerst door Egyptisch recht. In zoverre heeft het hof in rov. 3.5 de devolutieve werking van het hoger beroep miskend. Hoewel het middel hierover terecht klaagt, leidt dit niet tot cassatie; zie 3.7 van mijn conclusie.
3.11
Ten slotte klaagt het middel (onder 4 en 5) over een onjuiste toepassing van art. 1:94 (oud) BW in de derde en vierde alinea van rov. 3.8.3. Het middel voert aan dat de bruidsgave een exclusief recht van de vrouw is waardoor de bruidsgave niet valt in de huwelijksgoederengemeenschap van partijen naar Nederlands recht, ook als de vrouw heeft nagelaten om uitdrukkelijk een beroep te doen op verknochtheid zoals bedoeld in art. 1:94 lid 3 (oud) BW. Verder zou het hof de devolutieve werking van het appel hebben miskend, omdat geen van partijen heeft gegriefd tegen het oordeel van de kantonrechter dat de bruidsgave geen oorsprong heeft in een huwelijksvermogensrechtelijke aanspraak van de vrouw. Deze klachten kunnen niet tot cassatie leiden, omdat zij betrekking hebben op oordelen van het hof op grond van Nederlands recht, terwijl de vordering van de vrouw naar het in hoger beroep toepasselijke Egyptische recht is afgewezen. Ik verwijs naar 3.7 van mijn conclusie.
3.12
Kortom, onderdeel I faalt in zijn geheel.
3.13
Onderdeel II van het middel richt zich tegen rov. 3.8.4, waarin het hof als volgt overweegt:
‘De openbare orde
3.8.4
Het hof dient ambtshalve te beoordelen of de Egyptische kuhl’-bepaling buiten toepassing dient te blijven wegens strijd met de Nederlandse openbare orde als bedoeld in art. 10:6 BW. Dit artikel bepaalt dat vreemd recht niet wordt toegepast, voor zover de toepassing ervan kennelijk onverenigbaar is met de Nederlandse openbare orde. Voor die beoordeling acht het hof het volgende van belang.
De bruidsgave is een rechtsfiguur van het islamitische recht. Het is een verplicht onderdeel van het aangaan van een huwelijk waarbij het gaat om een (uitgestelde) betaling van de man aan de vrouw ter gelegenheid van de huwelijkssluiting en bedoeld om de vrouw te beschermen tegen de financiële gevolgen van een echtscheiding op initiatief van de man. De achtergrond hiervan is dat naar islamitisch recht door het huwelijk in beginsel geen huwelijksgemeenschap tussen echtgenoten ontstaat, zodat de vrouw na de ontbinding van het huwelijk geen recht heeft op een deel van het vermogen van de man. De bruidsgave voorziet daarmee in enige bestaanszekerheid voor de vrouw in geval van echtscheiding (andersom kan de man bij echtscheiding geen recht doen gelden op een deel van het vermogen van de vrouw).
Van strijd met de openbare orde is naar het oordeel van het hof in deze zaak geen sprake. Weliswaar leidt toepassing van de kuhl’-bepaling tot negatieve financiële consequenties voor de vrouw (zij kan geen nakoming vorderen van de aanvullende overeenkomst) maar daar staat tegenover dat, nu in de echtscheidingsprocedure Nederlands recht op het huwelijksvermogensregime van partijen is toegepast, zij, anders dan naar Egyptisch recht het geval zou zijn geweest, aanspraak maakt op een deel van het vermogen van de man. In die situatie valt niet zonder meer te begrijpen waarom het gevolg van de kuhl’-bepaling voor de vrouw niet kan worden geduld (en het gevolg van de terzijdestelling van de kuhl’-bepaling voor de man - het moeten betalen van de bruidsgave - wel aanvaardbaar zou zijn).’
3.14
Ik stel voorop dat de vrouw in feitelijke instanties geen beroep heeft gedaan op de openbare orde exceptie. Zij heeft in feitelijke instanties niet aangevoerd dat de toepassing van art. 20 Wet 2000 no. 1 van het Egyptische recht leidt tot een resultaat dat kennelijk onverenigbaar is met de Nederlandse openbare orde. Dit neemt niet weg dat de rechter gehouden is om de openbare orde toets ambtshalve te verrichten. Toepassing van art. 20 Wet 2000 no. 1 brengt in dit geval mee dat de vrouw geen aanspraak kan maken op de bruidsgave, omdat de echtscheiding niet is gebaseerd op schuld van de man (rov. 3.8.3, tweede alinea). Anders dan de kantonrechter heeft het hof in de laatste alinea van rov. 3.8.4 geoordeeld dat de toepassing van art. 20 Wet 2000 no. 1 van het Egyptische recht niet leidt tot een resultaat dat in strijd is met de Nederlandse openbare orde in de zin van art. 10:6 BW. Het middel bestrijdt dit oordeel met drie klachten.
3.15
De eerste klacht (onder 7) houdt in dat het hof in het kader van de openbare orde toets ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten dat in de literatuur vier verschillende functies van de bruidsgave worden onderscheiden. Het hof zou in rov. 3.8.4 het doel van de bruidsgave beperkt hebben tot het beschermen van de vrouw tegen de financiële gevolgen van een echtscheiding op initiatief van de man. Dit mag dan wel zo zijn, de klacht maakt echter niet duidelijk waarom het betrekken van de verschillende functies van de bruidsgave in dit geval relevant is voor de beoordeling van de openbare orde toets. De klacht licht niet toe waarom de door het hof niet benoemde functies van de bruidsgave ertoe zouden leiden dat de toepassing van Egyptisch recht niet kennelijk onverenigbaar is met de Nederlandse openbare orde.
3.16
De tweede klacht (onder 8 en 9) houdt in dat het hof bij de beoordeling van de openbare orde toets ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de verschillende factoren die wijzen op een nauwe betrokkenheid van de casus met Nederland (het middel noemt het eerste huwelijksdomicilie van partijen in Nederland, de gewone verblijfplaats van partijen in Nederland, de Nederlandse nationaliteit van de vrouw en de toepassing van Nederlands recht op de echtscheiding), evenals met de omstandigheid dat de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap beperkt is terwijl de vordering van de vrouw uit hoofde van de bruidsgave ongeveer € 30.000,- omvat.
3.17
De beoordeling of de toepassing van art. 20 Wet 2000 no. 1 van het Egyptische recht met betrekking tot bruidsgave leidt tot een resultaat dat kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde in de zin van art. 10:6 BW, zal moeten geschieden met inachtneming van de feiten en omstandigheden van het concrete geval, in het bijzonder de mate van betrokkenheid van Nederland bij het geval. Naarmate de Nederlandse betrokkenheid groter is, zal eerder sprake (kunnen) zijn van strijd met de openbare orde. Het hof heeft in rov. 3.8.4 nagelaten om bij de beoordeling of de openbare orde van art. 10:6 BW in het geding is, aandacht te besteden aan de mate van betrokkenheid van Nederland bij het onderhavige geval. Dat de vrouw hierover niets naar voren heeft gebracht, kan haar niet worden aangerekend, omdat (i) de beslissing van de kantonrechter over de toepassing van Egyptisch recht in haar voordeel was, zodat het niet op de weg van de vrouw lag om een standpunt over de betrokkenheid met Nederland in te nemen, (ii) in hoger beroep geen partijdebat heeft plaatsgevonden over de betrokkenheid met Nederland, en (iii) het hof bij de ambtshalve toepassing van de openbare orde heeft nagelaten om partijen in de gelegenheid te stellen hierover een standpunt in te nemen. In het geding na verwijzing zal alsnog de mate van betrokkenheid van het onderhavige geval met Nederland beoordeeld moeten worden, als onderdeel van de openbare orde toets in de zin van art. 10:6 BW.
3.18
De derde klacht (onder 10 t/m 12) is gebaseerd op de veronderstelling dat de toepassing van Egyptisch recht, in het bijzonder art. 20 Wet 2000 no. 1, leidt tot een resultaat dat in strijd is met de openbare orde in de zin van art. 10:6 BW. De klacht gaat in op de gevolgen van het buiten toepassing laten van art. 20 Wet 2000 no. 1 wegens strijd met de openbare orde. Deze klacht mist feitelijke grondslag. In het bestreden arrest heeft het hof niet geoordeeld dat de toepassing van Egyptisch recht kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde in de zin van art. 10:6 BW. Het hof kwam dan ook niet toe aan de vraag welke gevolgen moeten worden verbonden aan het buiten toepassing laten van het Egyptische recht wegens kennelijke strijd met de openbare orde.
3.19
De veegklacht van onderdeel III behoeft geen afzonderlijke bespreking.
4Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging en verwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Zie het in cassatie bestreden arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 24 juni 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:1759, JPF 2025/119, m.nt. E.N. Frohn, rov. 3.1 t/m 3.3.2.
De beëdigde vertaling van de aanvullende overeenkomst is te vinden als bijlage bij de brief van de advocaat van de vrouw van 26 mei 2023 in de procedure in eerste aanleg.
Rb. Limburg 15 november 2023, ECLI:NL:RBLIM:2023:6697.
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 24 juni 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:1759.
Voetnoot 1 in het bestreden arrest vermeldt: ‘Door Nadia Sonneveld bewerkte vertaling van The Middle East Library for Economic Services (MELES) in Cairo.’
Met Wet 2000 no. 1 wordt gedoeld op ‘The Law on Reorganization of Certain Terms and Procedures of Litigation in Personal Status Matters’ van januari 2000. Zie hierover N. Sonneveld, Khul’ divorce in Egypt: public debates, judicial practices, and everyday life, 2009; P. Kruiniger, Islamic divorces in Europe. Bridging the gap between European and Islamic legal orders, 2015, p. 124-126.
Zie repliek in cassatie, onder 1 en 2: ‘(…) Zoals in de procesinleiding onder randnummer 2 aangegeven heeft het hof de naar Nederlands recht ingestelde echtscheidingsprocedure ten onrechte gelijk gesteld met (gekwalificeerd als) een khul-scheiding. Dat moet in strijd worden geacht met (…) Nederlands recht. Er is in zoverre sprake van een onjuiste rechtsopvatting ter zake, dan wel is dat oordeel, uitgaande van Nederlands recht, onbegrijpelijk. Dat oordeel is daarmee dan ook geen uitleg van, in dit geval, Egyptisch recht. Dat op de vordering van de vrouw Egyptisch recht van toepassing is verklaard maakt dat niet anders. de vrouw klaagt in haar middel namelijk niet over de schending van Egyptisch recht, maar over schending van Nederlands recht.’ Voor zover de repliek hiermee zou doelen op een schending van de openbare orde in de zin van art. 10:6 BW, verwijs ik naar de bespreking van onderdeel II.
Zie B.T.M. van der Wiel & L.V. van Gardingen, Cassatie (BPP nr. 20) 2026/295.
Zie rov. 4.4 van het vonnis van de kantonrechter van 15 november 2023; vgl. conclusie van repliek, onder 5; proces-verbaal van de mondeling behandeling bij de kantonrechter van 31 augustus 2023, p. 2.
Zie rov. 4.5 van het vonnis van de kantonrechter van 15 november 2023; vgl. conclusie van antwoord, onder 6; conclusie van dupliek, onder 11.
Zie rov. 3.5 van het bestreden arrest.
Zie o.a. HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:200, NJ 2023/79, rov. 3.2.2 en 3.2.3; HR 4 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1093, NJ 2025/192, rov. 3.2; vgl. Asser/Vonken 10-I 2023/398.
HR 30 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:126, NJ 2026/76, rov. 4.2.2.
Zie rov. 4.17 van het vonnis van 15 november 2023: ‘(…) Dat [de vrouw] geen aanspraak kan maken op de bruidsgave omdat zij de erkenningsprocedure van de echtscheidingsbeschikking van 28 april 2021 is gestart in Egypte, wijst de kantonrechter af. Voor zover een dergelijke verplichting volgt uit het Egyptische recht, is de kantonrechter van oordeel dat dat hieraan in de Nederlandse rechtsorde geen rechtsgevolgen kunnen worden verbonden vanwege strijd met de openbare orde (artikel 10:6 BW). Een ander oordeel zou in strijd zijn met het in Nederland voor fundamenteel gehouden recht van de echtgenoten om van elkaar te kunnen scheiden (vgl. Gerechtshof Den Haag, 4 april 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:562).’
Het middel verwijst hiervoor naar S.W.E. Rutten, De islamitische bruidsgave, FJR 2025/17, onder 2.4. Zie ook mijn conclusie, onder 3.6, voor HR 17 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1278.
HR 17 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1278, rov. 3.3.
HR 19 november 2021, ECLI:N:HR:2021:1721, NJ 2023/95, m.nt. Th.M. de Boer, rov. 3.2. Zie ook Kamerstukken II 2009/10, 32 137, nr. 3, p. 14; Asser/Vonken 10-I 2023/492 e.v.
In HR 17 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1293, rov. 4.3 en 4.4 is het bestreden arrest van het hof om dezelfde reden gecasseerd.
De man heeft alleen aangevoerd dat ‘(o)nbegrijpelijk is (…) dat de kantonrechter vindt dat de aanvullende overeenkomst kennelijk Egyptisch recht is maar aan de uitwerking daarvan geen rechtsgevolgen verbonden kunnen worden omdat deze in strijd zouden zijn met de openbare Nederlandse rechtsorde.’ (memorie van grieven, onder 63, p. 11) Zie verder het proces-verbaal van de mondeling behandeling bij het hof op 10 januari 2025, waaruit blijkt dat de advocaat van de man heeft opgemerkt (p. 2): ‘U vraagt mij naar de openbare orde exceptie. Dat is iets is wat het Egyptisch recht niet kent. De openbare orde exceptie is ook niet te beoordelen als er niet bij wordt betrokken hoe de aanvullende overeenkomst moet worden geduid.’
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/02809
Zitting 18 september 2026
CONCLUSIE
F. Ibili
In de zaak
[de vrouw],eiseres tot cassatie,
hierna: de vrouw
tegen
[de man],verweerder in cassatie,
hierna: de man
1Inleiding
1.1
In deze zaak vordert de vrouw veroordeling van de man tot voldoening van de bruidsgave van 400 gram goud 21 karaat en een bedrag van 150.000 Egyptische pond die partijen ter gelegenheid van de huwelijksvoltrekking in Egypte zijn overeengekomen. Anders dan de kantonrechter heeft het hof deze vordering afgewezen, omdat de vrouw op grond van art. 20 Wet 2000 no. 1 van het Egyptische recht in geval van een khul echtscheiding afstand dient te doen van haar bruidsgave. Volgens het hof is deze bepaling van Egyptisch recht niet in strijd met de Nederlandse openbare orde in de zin van art. 10:6 BW. De vrouw bestrijdt dit oordeel in cassatie. Verder komt zij op tegen het oordeel van het hof dat de vordering van de vrouw ook bij de toepassing van Nederlands recht moet worden afgewezen, omdat de vordering van de vrouw ter zake van de bruidsgave en de daarmee corresponderende schuld van de man in de wettelijke algehele gemeenschap van goederen valt die tussen partijen gold (art. 1:94 (oud) BW).
2Feiten en procesverloop
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.2
Partijen zijn op 27 december 2015 gehuwd te [plaats], Egypte.
2.3
In aanvulling op het huwelijkscontract hebben partijen afspraken gemaakt over de bruidsgave. Deze aanvullende overeenkomst luidt (blijkens de beëdigde Nederlandse vertaling), voor zover van belang, als volgt:
‘Lijst van transacties
De twee partijen:
(1) [de man] (…);
(2) [de vrouw] (…)
Zijn de volgende lijst van overdrachten overeengekomen:
Artikel
Definitie/waarde
Eerste
Gouden voorwerpen: gewaardeerd op 400 gram goud van 21 karaat, ter waarde van 100.000 EGP (honderdduizend Egyptische pond)
Tweede
De rest van de bruidsgave, het uitgestelde gedeelte:
Een bedrag van 150.000 EGP (honderdvijftigduizend Egyptische pond). Dit bedrag vertegenwoordigt het uitgestelde gedeelte van de overeengekomen bruidsgave die niet is vastgelegd in de huwelijksakte.
Op basis van het voornoemde heeft de eerste partij (de echtgenoot) verklaard dat de echtgenote ingeval van echtscheiding of scheiding van tafel en bed (God verhoede), recht heeft op alle voornoemde, in artikel 1 en 2 vastgelegde transacties, waarvoor de echtgenoot getekend heeft in bijzijn van de [onderstaande] getuigen (...)’.
2.4
Op 2 september 2020 heeft de vrouw een verzoek tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank Limburg. Ten tijde van de echtscheidingsprocedure had de vrouw de Nederlandse en de Egyptische nationaliteit en de man de Egyptische nationaliteit.
2.5
Bij beschikking van 28 april 2021 heeft de rechtbank Limburg de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Die beschikking is op 19 mei 2021 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage.
2.6
Op 15 juli 2021 heeft de vrouw in Egypte een verzoek tot erkenning van de Nederlandse echtscheidingsbeschikking ingediend. Bij beslissing van 29 maart 2022 is die beschikking in Egypte erkend.
2.7
Bij e-mailbericht van 15 november 2022 heeft de vrouw van de man nakoming gevorderd van de afspraken die partijen in de aanvullende overeenkomst hebben gemaakt.
2.8
In de onderhavige zaak, ingeleid bij dagvaarding van 9 december 2022, heeft de vrouw gevorderd dat de man wordt veroordeeld tot voldoening van 400 gram goud 21 karaat en een bedrag van 150.000 Egyptische pond, vermeerderd met de wettelijke rente. Aan deze vordering heeft de vrouw de afspraken over de bruidsgave in de aanvullende overeenkomst ten grondslag gelegd. De man heeft hiertegen verweer gevoerd.
2.9
Bij vonnis van 15 november 2023 heeft de kantonrechter in de rechtbank Limburg de man veroordeeld tot voldoening van 400 gram goud 21 karaat en 150.000 Egyptische pond aan de vrouw.
2.10
De man is hiertegen in hoger beroep gekomen. Bij arrest van 24 juni 2025 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch het vonnis van de kantonrechter vernietigd en de vordering van de vrouw ter zake van de aanvullende overeenkomst alsnog afgewezen.
2.11
De vrouw is (tijdig) in cassatie gekomen van het arrest van het hof (hierna: het bestreden arrest). De man heeft verweer gevoerd en zijn standpunt schriftelijk toegelicht. De vrouw heeft gerepliceerd.
3Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel komt met drie onderdelen op tegen (de overwegingen in het bestreden arrest die hebben geleid tot) het oordeel van het hof dat de vordering van de vrouw op grond van de aanvullende overeenkomst moet worden afgewezen.
3.2
Onderdeel I heeft betrekking op rov. 3.8.3, waarin het hof als volgt overweegt:
‘Het Egyptische huwelijksrecht kent verschillende vormen van echtscheiding. Voor vrouwen bestaan drie mogelijkheden om op eigen initiatief, en dus zonder medewerking van de man, via de rechter te scheiden:
1) de op schuld gebaseerde echtscheiding vanwege schade door de man;
2) echtscheiding, omdat de man zich niet houdt aan een contractueel overeengekomen grond voor scheiding;
3) de niet op schuld gebaseerde echtscheiding, de gerechtelijke khul’.
De gerechtelijke khul’, zoals geregeld in artikel 20 Wet 2000 no. 1, luidt, voor zover van belang:
‘A married couple may mutually agree to khul.
(...) However, if they do not agree and the wife sues demanding it, and separates herself from her husband by giving up all her financial legal rights, and restores to him the dower he gave to her, then the court is to divorce her from him.’
Volgens dit artikel moet een vrouw die de khul’-scheiding aanvraagt, haar aanspraak op de bruidsgave volledig prijsgeven (evenals andere financiële aanspraken). Niet gesteld of gebleken is dat de echtscheiding van partijen in Nederland is verzocht wegens ‘schade door de man’ of omdat ‘de man zich niet houdt aan een contractueel overeengekomen grond voor scheiding’. Dit betekent dat de vrouw, nu zij degene is die de echtscheiding heeft aangevraagd, naar Egyptisch recht geen nakoming van de aanvullende overeenkomst kan vorderen. Dat de echtscheiding in Nederland is aangevraagd en in Egypte slechts de erkenning van de echtscheidingsbeschikking is verzocht, maakt dit niet anders. Dit doet er immers niet aan af dat de echtscheiding op initiatief van de vrouw tot stand is gekomen. Dat de aanvullende overeenkomst zelf geen beperkende voorwaarde kent, doet evenmin af aan het voorgaande. Het aan de khul’ verbonden rechtsgevolg volgt immers niet uit de overeenkomst, maar uit de (Egyptische) wet. Dit betekent dat de vrouw naar Egyptisch recht geen aanspraak meer kan maken op de bruidsgave en dat haar vordering moet worden afgewezen.
De stelling van de vrouw in eerste aanleg dat Nederlands recht van toepassing is op de aanvullende overeenkomst, kan haar niet baten. Tussen partijen staat immers vast dat tijdens het huwelijk, en in afwijking van het vermogensstelsel naar Egyptisch recht, de algehele wettelijke gemeenschap van goederen (naar Nederlands recht) bestond (rov. 3.5 besch. echtscheiding d.d. 28 april 2021). Daarmee valt de vordering van de vrouw in beginsel in die huwelijksgemeenschap behoudens voor zover de bijzondere verknochtheid van de bruidsgave aan de vrouw zich daartegen verzet (art. 1:94 lid 3 (oud) BW). De huwelijksgemeenschap omvat op grond art. 1:94 lid 2 en 5 (oud) BW immers alle – ook de voorhuwelijkse – baten en schulden van partijen. Het standpunt van de vrouw dat haar vordering op de man pas ontstaat na de ontbinding van het huwelijk, en daarom niet in de huwelijksgemeenschap is gevallen, gaat niet op omdat de bruidsgave een gevolg is van de totstandkoming van een geldig huwelijk in Egypte. Uit de aanvullende overeenkomst volgt slechts dat de nakoming van die overeenkomst pas kan worden gevorderd na ontbinding van het huwelijk (dit laat echter onverlet dat ten tijde van het aangaan van het huwelijk de vordering als zodanig al ontstond).
Aangezien de vrouw zich niet heeft beroepen op verknochtheid is de hoofdregel van art. 1:94 lid 2 (oud) BW onverkort van toepassing. Dat betekent dat de vordering van de vrouw op de man ter zake van de bruidsgave in de huwelijksgemeenschap valt, maar ook dat de schuld van de man aan de vrouw ter zake van de bruidsgave in die gemeenschap valt. Ingevolge art. 1:100 BW hebben partijen immers een gelijk aandeel in de ontbonden gemeenschap. Daarom kan de vrouw ten aanzien van de bruidsgave in dit geval geen vordering geldend maken.’
3.3
Het middel keert zich (onder 1 en 2) tegen het oordeel van het hof, dat besloten ligt in de tweede alinea van rov. 3.8.3, dat de echtscheiding die de vrouw naar Nederlands recht heeft verzocht kwalificeert als een khul echtscheiding naar Egyptisch recht, in het bijzonder art. 20 Wet 2000 no. 1, waaruit volgt, voor zover van belang, dat de vrouw die een khul echtscheiding verzoekt haar aanspraak op de bruidsgave volledig dient prijs te geven. Volgens de klacht heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, omdat de echtscheiding die de vrouw in Nederland heeft verzocht niet kan worden gelijkgesteld met een khul echtscheiding naar Egyptisch recht. Nu geen sprake zou zijn van een khul echtscheiding naar Egyptisch recht, komt de man volgens het middel geen beroep toe op art. 20 Wet 2000 no. 1. Het middel klaagt aldus over het oordeel van het hof met betrekking tot de uitleg en toepassing van Egyptisch recht, in het bijzonder art. 20 Wet 2000 no. 1. In de repliek in cassatie wordt echter opgemerkt dat deze klacht geen betrekking heeft op de uitleg van het Egyptische recht maar van het Nederlandse recht.
3.4
Ik meen dat deze klacht zal moeten falen en leg dit als volgt uit. In rov. 3.5 heeft het hof tot uitgangspunt genomen dat Egyptisch recht van toepassing is op de aanvullende overeenkomst. Dit betekent dat de inhoud en omvang van de aanspraak van de vrouw uit hoofde van de bruidsgave alsmede de bevrijdende verweren van de man tegen deze aanspraak, beoordeeld zullen moeten worden naar Egyptisch recht. Dit geldt ook voor de vraag onder welke omstandigheden de vrouw haar aanspraak op de bruidsgave verliest. Het verweer van de man dat de vrouw naar Egyptisch recht geen nakoming meer kan vorderen van de aanvullende overeenkomst nu zij de echtscheiding heeft verzocht, wordt derhalve bestreken door Egyptisch recht. In de tweede alinea van rov. 3.8.3 ligt besloten dat naar het oordeel van het hof de door de vrouw in Nederland verzochte echtscheiding kwalificeert als een khul echtscheiding op grond van Egyptisch recht, met als gevolg dat de vrouw geen aanspraak kan maken op de bruidsgave. Dat de echtscheiding in Nederland is verzocht en in Egypte slechts de erkenning van de echtscheidingsbeschikking is verzocht, maakt dit volgens het hof niet anders: ‘Dit doet er immers niet aan af dat de echtscheiding op initiatief van de vrouw tot stand is gekomen.’ Met dit oordeel heeft het hof uitleg en toepassing gegeven aan het Egyptische recht, in die zin dat de door de vrouw verzochte echtscheiding in Nederland kwalificeert als een khul echtscheiding naar Egyptisch recht, waarmee is voldaan aan de voorwaarde voor de toepassing van art. 20 Wet 2000 no. 1, met als gevolg dat de vrouw naar Egyptisch recht geen aanspraak meer kan maken op de bruidsgave.
3.5
Het oordeel van het hof in de tweede alinea van rov. 3.8.3 dat de echtscheiding die de vrouw naar Nederlands recht heeft verzocht kwalificeert als een khul echtscheiding naar Egyptisch recht, betreft een oordeel over de uitleg en toepassing van buitenlands recht. Het oordeel van de feitenrechter over de uitleg en toepassing van buitenlands recht laat zich in cassatie niet toetsen (art. 79 lid 1 sub b RO), anders dan op begrijpelijkheid. Voor zover het middel met een rechtsklacht zou opkomen tegen het oordeel van het hof over de uitleg en toepassing van Egyptisch recht, faalt de klacht op deze grond. Het middel bevat geen klacht over een gebrekkige motivering van het oordeel van het hof over de uitleg en toepassing van Egyptisch recht. Voor zover het middel (blijkens de repliek in cassatie) zou klagen dat het hof met zijn oordeel over de khul echtscheiding blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting naar Nederlands recht, althans zijn oordeel onder de toepassing van Nederlands recht onbegrijpelijk is, miskent het middel (nog daargelaten dat een voor het eerst bij repliek aangevoerde klacht als tardief moet worden beschouwd) dat de bruidsgave wordt beheerst door Egyptisch recht en het bestreden onderdeel in het arrest een oordeel van het hof bevat over de uitleg en toepassing van Egyptisch recht en niet van Nederlands recht. In zoverre mist de klacht feitelijke grondslag.
3.6
Verder keert het middel (onder 3) zich tegen het oordeel van het hof in de derde alinea van rov. 3.8.3, dat de stelling van de vrouw in eerste aanleg dat Nederlands recht van toepassing is op de aanvullende overeenkomst haar niet kan baten. De klacht komt erop neer dat het hof de vordering van de vrouw ten onrechte naar Nederlands recht heeft beoordeeld, nu de aanvullende overeenkomst wordt beheerst door Egyptisch recht. Tegen het oordeel van de kantonrechter dat de aanvullende overeenkomst wordt beheerst door Egyptisch recht, is door geen van partijen een grief gericht; de toepasselijkheid van Egyptisch recht staat in hoger beroep hiermee vast.
3.7
De vrouw heeft geen belang bij deze klacht. Immers, het oordeel van het hof dat de vrouw naar Egyptisch recht geen aanspraak meer kan maken op de bruidsgave en dat haar vordering moet worden afgewezen, wordt zelfstandig gedragen door het oordeel in de tweede alinea van rov. 3.8.3, dat de vrouw als gevolg van de khul echtscheiding haar aanspraak op de bruidsgave op grond van art. 20 Wet 2000 no. 1 van het Egyptische recht heeft verloren. Op grond hiervan heeft de vrouw, in de redenering van het hof, geen vordering uit hoofde van de bruidsgave die zou kunnen vallen in de algehele wettelijke gemeenschap van goederen naar Nederlands recht (art. 1:94 lid 2 (oud) BW) waarin partijen (volgens de vaststelling van het hof; rov. 3.8.3, derde alinea) waren gehuwd. Aan de vraag naar de verknochtheid van de vordering uit hoofde van de bruidsgave in de zin van art. 1:94 lid 3 (oud) BW wordt dan niet toegekomen.
3.8
Ten overvloede merk ik op dat het hof in de derde alinea van rov. 3.8.3 de vordering van de vrouw ten onrechte (ook) heeft beoordeeld naar Nederlands recht. Op dit punt heeft het hof de devolutieve werking van het appel miskend. Ik leg dit als volgt uit. In rov. 3.5 overweegt het hof:
‘De man richt geen grieven tegen het oordeel van de rechtbank dat Egyptisch recht op de aanvullende overeenkomst van toepassing is. De vrouw heeft in eerste aanleg aangevoerd dat Nederlands recht van toepassing is. Het hof zal Egyptisch recht toepassen op de aanvullende overeenkomst (vgl. HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:200). Voor zover de toepassing van het Egyptisch recht leidt tot een vernietiging van het bestreden vonnis, en tot de afwijzing van de vordering van de vrouw, bespreekt het hof de stellingen van de vrouw in eerste aanleg in hetgeen hierna aan de orde komt.’
3.9
In eerste aanleg heeft de vrouw zich op het standpunt gesteld dat Nederlands recht van toepassing is op de aanvullende overeenkomst. De man heeft hiertegen verweer gevoerd. Bij vonnis van 15 november 2023 heeft de kantonrechter geoordeeld dat Egyptisch recht van toepassing is op de aanvullende overeenkomst (rov. 4.8). De kantonrechter heeft de vordering van de vrouw uit hoofde van de bruidsgave beoordeeld naar Egyptisch recht (rov. 4.9) en de vordering uiteindelijk toegewezen (rov. 4.11 e.v.). In hoger beroep is geen grief gericht tegen het conflictenrechtelijke oordeel van de kantonrechter dat Egyptisch recht van toepassing is. Hiermee staat vast dat de vordering van de vrouw uit hoofde van de bruidsgave in hoger beroep beoordeeld dient te worden naar Egyptisch recht. Dit heeft het hof ook uitdrukkelijk onderkend in rov. 3.5, eerste en derde volzin. Vervolgens heeft het hof overwogen dat, voor zover de toepassing van Egyptisch recht leidt tot een vernietiging van het vonnis van de kantonrechter, en tot afwijzing van de vordering van de vrouw, het hof de stellingen van de vrouw in eerste aanleg alsnog zal bespreken, waaronder de stelling dat Nederlands recht van toepassing is op de aanvullende overeenkomst (rov. 3.5, tweede en vierde volzin). Nadat het hof in de tweede alinea van rov. 3.8.3 heeft geoordeeld dat de vrouw naar Egyptisch recht geen aanspraak meer kan maken op de bruidsgave en haar vordering moet worden afgewezen, heeft het hof in de derde alinea van rov. 3.8.3 de stelling van de vrouw in eerste aanleg dat Nederlands recht van toepassing is op de aanvullende overeenkomst beoordeeld en uiteindelijk verworpen.
3.10
Door aldus te oordelen heeft het hof miskend dat de conflictenrechtelijke vraag naar het toepasselijke recht op de aanvullende overeenkomst niet lag binnen het door de grieven ontsloten gebied in hoger beroep. Vast staat immers dat in hoger beroep niet is gegriefd tegen het conflictenrechtelijke oordeel van de kantonrechter dat de aanvullende overeenkomst, en daarmee de vordering van de vrouw uit hoofde van de bruidsgave, wordt beheerst door Egyptisch recht. In zoverre heeft het hof in rov. 3.5 de devolutieve werking van het hoger beroep miskend. Hoewel het middel hierover terecht klaagt, leidt dit niet tot cassatie; zie 3.7 van mijn conclusie.
3.11
Ten slotte klaagt het middel (onder 4 en 5) over een onjuiste toepassing van art. 1:94 (oud) BW in de derde en vierde alinea van rov. 3.8.3. Het middel voert aan dat de bruidsgave een exclusief recht van de vrouw is waardoor de bruidsgave niet valt in de huwelijksgoederengemeenschap van partijen naar Nederlands recht, ook als de vrouw heeft nagelaten om uitdrukkelijk een beroep te doen op verknochtheid zoals bedoeld in art. 1:94 lid 3 (oud) BW. Verder zou het hof de devolutieve werking van het appel hebben miskend, omdat geen van partijen heeft gegriefd tegen het oordeel van de kantonrechter dat de bruidsgave geen oorsprong heeft in een huwelijksvermogensrechtelijke aanspraak van de vrouw. Deze klachten kunnen niet tot cassatie leiden, omdat zij betrekking hebben op oordelen van het hof op grond van Nederlands recht, terwijl de vordering van de vrouw naar het in hoger beroep toepasselijke Egyptische recht is afgewezen. Ik verwijs naar 3.7 van mijn conclusie.
3.12
Kortom, onderdeel I faalt in zijn geheel.
3.13
Onderdeel II van het middel richt zich tegen rov. 3.8.4, waarin het hof als volgt overweegt:
‘De openbare orde
3.8.4
Het hof dient ambtshalve te beoordelen of de Egyptische kuhl’-bepaling buiten toepassing dient te blijven wegens strijd met de Nederlandse openbare orde als bedoeld in art. 10:6 BW. Dit artikel bepaalt dat vreemd recht niet wordt toegepast, voor zover de toepassing ervan kennelijk onverenigbaar is met de Nederlandse openbare orde. Voor die beoordeling acht het hof het volgende van belang.
De bruidsgave is een rechtsfiguur van het islamitische recht. Het is een verplicht onderdeel van het aangaan van een huwelijk waarbij het gaat om een (uitgestelde) betaling van de man aan de vrouw ter gelegenheid van de huwelijkssluiting en bedoeld om de vrouw te beschermen tegen de financiële gevolgen van een echtscheiding op initiatief van de man. De achtergrond hiervan is dat naar islamitisch recht door het huwelijk in beginsel geen huwelijksgemeenschap tussen echtgenoten ontstaat, zodat de vrouw na de ontbinding van het huwelijk geen recht heeft op een deel van het vermogen van de man. De bruidsgave voorziet daarmee in enige bestaanszekerheid voor de vrouw in geval van echtscheiding (andersom kan de man bij echtscheiding geen recht doen gelden op een deel van het vermogen van de vrouw).
Van strijd met de openbare orde is naar het oordeel van het hof in deze zaak geen sprake. Weliswaar leidt toepassing van de kuhl’-bepaling tot negatieve financiële consequenties voor de vrouw (zij kan geen nakoming vorderen van de aanvullende overeenkomst) maar daar staat tegenover dat, nu in de echtscheidingsprocedure Nederlands recht op het huwelijksvermogensregime van partijen is toegepast, zij, anders dan naar Egyptisch recht het geval zou zijn geweest, aanspraak maakt op een deel van het vermogen van de man. In die situatie valt niet zonder meer te begrijpen waarom het gevolg van de kuhl’-bepaling voor de vrouw niet kan worden geduld (en het gevolg van de terzijdestelling van de kuhl’-bepaling voor de man - het moeten betalen van de bruidsgave - wel aanvaardbaar zou zijn).’
3.14
Ik stel voorop dat de vrouw in feitelijke instanties geen beroep heeft gedaan op de openbare orde exceptie. Zij heeft in feitelijke instanties niet aangevoerd dat de toepassing van art. 20 Wet 2000 no. 1 van het Egyptische recht leidt tot een resultaat dat kennelijk onverenigbaar is met de Nederlandse openbare orde. Dit neemt niet weg dat de rechter gehouden is om de openbare orde toets ambtshalve te verrichten. Toepassing van art. 20 Wet 2000 no. 1 brengt in dit geval mee dat de vrouw geen aanspraak kan maken op de bruidsgave, omdat de echtscheiding niet is gebaseerd op schuld van de man (rov. 3.8.3, tweede alinea). Anders dan de kantonrechter heeft het hof in de laatste alinea van rov. 3.8.4 geoordeeld dat de toepassing van art. 20 Wet 2000 no. 1 van het Egyptische recht niet leidt tot een resultaat dat in strijd is met de Nederlandse openbare orde in de zin van art. 10:6 BW. Het middel bestrijdt dit oordeel met drie klachten.
3.15
De eerste klacht (onder 7) houdt in dat het hof in het kader van de openbare orde toets ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten dat in de literatuur vier verschillende functies van de bruidsgave worden onderscheiden. Het hof zou in rov. 3.8.4 het doel van de bruidsgave beperkt hebben tot het beschermen van de vrouw tegen de financiële gevolgen van een echtscheiding op initiatief van de man. Dit mag dan wel zo zijn, de klacht maakt echter niet duidelijk waarom het betrekken van de verschillende functies van de bruidsgave in dit geval relevant is voor de beoordeling van de openbare orde toets. De klacht licht niet toe waarom de door het hof niet benoemde functies van de bruidsgave ertoe zouden leiden dat de toepassing van Egyptisch recht niet kennelijk onverenigbaar is met de Nederlandse openbare orde.
3.16
De tweede klacht (onder 8 en 9) houdt in dat het hof bij de beoordeling van de openbare orde toets ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de verschillende factoren die wijzen op een nauwe betrokkenheid van de casus met Nederland (het middel noemt het eerste huwelijksdomicilie van partijen in Nederland, de gewone verblijfplaats van partijen in Nederland, de Nederlandse nationaliteit van de vrouw en de toepassing van Nederlands recht op de echtscheiding), evenals met de omstandigheid dat de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap beperkt is terwijl de vordering van de vrouw uit hoofde van de bruidsgave ongeveer € 30.000,- omvat.
3.17
De beoordeling of de toepassing van art. 20 Wet 2000 no. 1 van het Egyptische recht met betrekking tot bruidsgave leidt tot een resultaat dat kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde in de zin van art. 10:6 BW, zal moeten geschieden met inachtneming van de feiten en omstandigheden van het concrete geval, in het bijzonder de mate van betrokkenheid van Nederland bij het geval. Naarmate de Nederlandse betrokkenheid groter is, zal eerder sprake (kunnen) zijn van strijd met de openbare orde. Het hof heeft in rov. 3.8.4 nagelaten om bij de beoordeling of de openbare orde van art. 10:6 BW in het geding is, aandacht te besteden aan de mate van betrokkenheid van Nederland bij het onderhavige geval. Dat de vrouw hierover niets naar voren heeft gebracht, kan haar niet worden aangerekend, omdat (i) de beslissing van de kantonrechter over de toepassing van Egyptisch recht in haar voordeel was, zodat het niet op de weg van de vrouw lag om een standpunt over de betrokkenheid met Nederland in te nemen, (ii) in hoger beroep geen partijdebat heeft plaatsgevonden over de betrokkenheid met Nederland, en (iii) het hof bij de ambtshalve toepassing van de openbare orde heeft nagelaten om partijen in de gelegenheid te stellen hierover een standpunt in te nemen. In het geding na verwijzing zal alsnog de mate van betrokkenheid van het onderhavige geval met Nederland beoordeeld moeten worden, als onderdeel van de openbare orde toets in de zin van art. 10:6 BW.
3.18
De derde klacht (onder 10 t/m 12) is gebaseerd op de veronderstelling dat de toepassing van Egyptisch recht, in het bijzonder art. 20 Wet 2000 no. 1, leidt tot een resultaat dat in strijd is met de openbare orde in de zin van art. 10:6 BW. De klacht gaat in op de gevolgen van het buiten toepassing laten van art. 20 Wet 2000 no. 1 wegens strijd met de openbare orde. Deze klacht mist feitelijke grondslag. In het bestreden arrest heeft het hof niet geoordeeld dat de toepassing van Egyptisch recht kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde in de zin van art. 10:6 BW. Het hof kwam dan ook niet toe aan de vraag welke gevolgen moeten worden verbonden aan het buiten toepassing laten van het Egyptische recht wegens kennelijke strijd met de openbare orde.
3.19
De veegklacht van onderdeel III behoeft geen afzonderlijke bespreking.
4Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging en verwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Zie het in cassatie bestreden arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 24 juni 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:1759, JPF 2025/119, m.nt. E.N. Frohn, rov. 3.1 t/m 3.3.2.
De beëdigde vertaling van de aanvullende overeenkomst is te vinden als bijlage bij de brief van de advocaat van de vrouw van 26 mei 2023 in de procedure in eerste aanleg.
Rb. Limburg 15 november 2023, ECLI:NL:RBLIM:2023:6697.
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 24 juni 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:1759.
Voetnoot 1 in het bestreden arrest vermeldt: ‘Door Nadia Sonneveld bewerkte vertaling van The Middle East Library for Economic Services (MELES) in Cairo.’
Met Wet 2000 no. 1 wordt gedoeld op ‘The Law on Reorganization of Certain Terms and Procedures of Litigation in Personal Status Matters’ van januari 2000. Zie hierover N. Sonneveld, Khul’ divorce in Egypt: public debates, judicial practices, and everyday life, 2009; P. Kruiniger, Islamic divorces in Europe. Bridging the gap between European and Islamic legal orders, 2015, p. 124-126.
Zie repliek in cassatie, onder 1 en 2: ‘(…) Zoals in de procesinleiding onder randnummer 2 aangegeven heeft het hof de naar Nederlands recht ingestelde echtscheidingsprocedure ten onrechte gelijk gesteld met (gekwalificeerd als) een khul-scheiding. Dat moet in strijd worden geacht met (…) Nederlands recht. Er is in zoverre sprake van een onjuiste rechtsopvatting ter zake, dan wel is dat oordeel, uitgaande van Nederlands recht, onbegrijpelijk. Dat oordeel is daarmee dan ook geen uitleg van, in dit geval, Egyptisch recht. Dat op de vordering van de vrouw Egyptisch recht van toepassing is verklaard maakt dat niet anders. de vrouw klaagt in haar middel namelijk niet over de schending van Egyptisch recht, maar over schending van Nederlands recht.’ Voor zover de repliek hiermee zou doelen op een schending van de openbare orde in de zin van art. 10:6 BW, verwijs ik naar de bespreking van onderdeel II.
Zie B.T.M. van der Wiel & L.V. van Gardingen, Cassatie (BPP nr. 20) 2026/295.
Zie rov. 4.4 van het vonnis van de kantonrechter van 15 november 2023; vgl. conclusie van repliek, onder 5; proces-verbaal van de mondeling behandeling bij de kantonrechter van 31 augustus 2023, p. 2.
Zie rov. 4.5 van het vonnis van de kantonrechter van 15 november 2023; vgl. conclusie van antwoord, onder 6; conclusie van dupliek, onder 11.
Zie rov. 3.5 van het bestreden arrest.
Zie o.a. HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:200, NJ 2023/79, rov. 3.2.2 en 3.2.3; HR 4 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1093, NJ 2025/192, rov. 3.2; vgl. Asser/Vonken 10-I 2023/398.
HR 30 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:126, NJ 2026/76, rov. 4.2.2.
Zie rov. 4.17 van het vonnis van 15 november 2023: ‘(…) Dat [de vrouw] geen aanspraak kan maken op de bruidsgave omdat zij de erkenningsprocedure van de echtscheidingsbeschikking van 28 april 2021 is gestart in Egypte, wijst de kantonrechter af. Voor zover een dergelijke verplichting volgt uit het Egyptische recht, is de kantonrechter van oordeel dat dat hieraan in de Nederlandse rechtsorde geen rechtsgevolgen kunnen worden verbonden vanwege strijd met de openbare orde (artikel 10:6 BW). Een ander oordeel zou in strijd zijn met het in Nederland voor fundamenteel gehouden recht van de echtgenoten om van elkaar te kunnen scheiden (vgl. Gerechtshof Den Haag, 4 april 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:562).’
Het middel verwijst hiervoor naar S.W.E. Rutten, De islamitische bruidsgave, FJR 2025/17, onder 2.4. Zie ook mijn conclusie, onder 3.6, voor HR 17 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1278.
HR 17 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1278, rov. 3.3.
HR 19 november 2021, ECLI:N:HR:2021:1721, NJ 2023/95, m.nt. Th.M. de Boer, rov. 3.2. Zie ook Kamerstukken II 2009/10, 32 137, nr. 3, p. 14; Asser/Vonken 10-I 2023/492 e.v.
In HR 17 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1293, rov. 4.3 en 4.4 is het bestreden arrest van het hof om dezelfde reden gecasseerd.
De man heeft alleen aangevoerd dat ‘(o)nbegrijpelijk is (…) dat de kantonrechter vindt dat de aanvullende overeenkomst kennelijk Egyptisch recht is maar aan de uitwerking daarvan geen rechtsgevolgen verbonden kunnen worden omdat deze in strijd zouden zijn met de openbare Nederlandse rechtsorde.’ (memorie van grieven, onder 63, p. 11) Zie verder het proces-verbaal van de mondeling behandeling bij het hof op 10 januari 2025, waaruit blijkt dat de advocaat van de man heeft opgemerkt (p. 2): ‘U vraagt mij naar de openbare orde exceptie. Dat is iets is wat het Egyptisch recht niet kent. De openbare orde exceptie is ook niet te beoordelen als er niet bij wordt betrokken hoe de aanvullende overeenkomst moet worden geduid.’