Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Parket bij de Hoge Raad

ECLI:NL:PHR:2026:840

2026-09-04 Civiel recht; Insolventierecht 25/02772
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Uitspraakdatum
2026-09-04
Publicatiedatum
2026-09-01
Rechtsgebied
Civiel recht; Insolventierecht
Procedure
—
Zaaknummer
25/02772
Type
Conclusie
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Faillissementsrecht. Zijn tijdens faillissement opgelegde aanslagen OZB-belasting en precariobelasting boedelschuld? Categorieën van boedelschulden van HR 19 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY6108 ([...]/Tideman q.q.). Bate in de zin van art. 24 Fw. Voortzetting van bedrijf ex art. 98 Fw. Beroep door derde op overeenkomst.

Citeert (19)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (79.355 tekens)
PROCUREUR-GENERAAL



BIJ DE



HOGE RAAD DER NEDERLANDEN






Nummer 25/02772

Zitting 4 september 2026




CONCLUSIE



G. Snijders




In de zaak



de gemeente Rotterdam,
eiseres in cassatie,
advocaat: G.C. Nieuwland



tegen



R.J.R.M. de Bok, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Rijnmond Energie C.V.,
verweerder in cassatie,
advocaten: L. van den Reek en T.T. van Zanten



Partijen worden hierna aangeduid als de gemeente respectievelijk de curator. De schuldenaar in wiens faillissement de curator optreedt, wordt aangeduid als Rijnmond Energie.




1Inleiding en samenvatting

Rijnmond Energie is in oktober 2015 in staat van faillissement verklaard. De gemeente heeft haar in januari 2016 aanslagen onroerende zaakbelasting en precariobelasting opgelegd. Inzet van deze procedure is of de vordering van de gemeente uit deze aanslagen kwalificeert als boedelschuld. De gemeente heeft voor haar standpunt dat dit het geval is, een beroep gedaan op de art. 24 Fw en 98 Fw.
Art. 24 Fw bepaalt dat de boedel niet aansprakelijk is voor verbintenissen van de schuldenaar die na de faillietverklaring zijn ontstaan, dan voor zover de boedel ten gevolge daarvan is gebaat (in zoverre is dan sprake van een boedelschuld). Volgens de gemeente is van een dergelijke bate in dit geval sprake omdat de zaak waarop de aanslagen betrekking hebben, door de curator is verkocht en de koper een bedrag heeft betaald dat ziet op de aanslagen.
Art. 98 Fw bepaalt dat de curator bevoegd is het bedrijf van de gefailleerde voort te zetten. Volgens de gemeente is in dit geval met betrekking tot de zaak waarop de aanslagen betrekking hebben, van een dergelijke voortzetting sprake geweest en is daarom sprake van een boedelschuld.
Rechtbank en hof hebben beide geoordeeld dat de aanslagen niet kwalificeren als boedelschuld. Daartegen komt het middel op, naar ik meen tevergeefs.





2Feiten en procesverloop

2.1

In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan:
(i) Rijnmond Energie exploiteerde sinds 3 december 2001 een gasgestookte energiecentrale aan de Vondelingenplaat te Rotterdam (hierna: de energiecentrale). De beherend vennoot van Rijnmond Energie was de besloten vennootschap Madroel Energie B.V. (hierna: Madroel Energie).
(ii) Op 20 oktober 2015 zijn Rijnmond Energie en Madroel Energie in staat van faillissement verklaard met aanstelling van de curator als zodanig.
(iii) Ten tijde van het faillissement was de energiecentrale niet in bedrijf. Zij was stilgelegd en werd geconserveerd, met het oog op behoud van de waarde ervan (ook wel aangeduid als ‘mottenballenstatus’). De energiecentrale diende als onderpand voor verschillende zekerheidsgerechtigden.
(iv) De curator en de zekerheidsgerechtigden hebben afspraken gemaakt over de wijze waarop aan het behoud van de waarde van de energiecentrale invulling werd gegeven. Een van de afspraken was dat de zekerheidsgerechtigden de kosten droegen van de conservatie van de energiecentrale. Deze afspraak en afspraken over de verkoop van de energiecentrale door middel van een onderhandse veiling zijn vastgelegd in een Heads of Terms Sale Process Rijnmond van 12 november 2015. Onderdeel van de gemaakte afspraken is dat bij een afgeronde verkoop een op voorhand vastgestelde bijdrage aan de boedel wordt voldaan.
(v) Het veilingproces heeft ertoe geleid dat op 22 december 2015 tussen de curator en GSO Capital Holding B.V. (hierna: GSO) een Sale and Purchase Agreement (hierna ook wel: de SPA dan wel de koopovereenkomst) is gesloten. Op basis daarvan zijn de energiecentrale en het recht van erfpacht met betrekking tot het perceel waarop de energiecentrale is gelegen (hierna: het recht van erfpacht), aan GSO verkocht en zijn afspraken gemaakt over de (economische) overdracht.
(vi) Op grond van de SPA is per 22 december 2015 de economische eigendom van de energiecentrale en het recht van erfpacht op GSO overgegaan en komen vanaf dat moment de kosten en inkomsten met betrekking tot de energiecentrale voor rekening van GSO.
(vii) De gemeente heeft op 8 januari 2016 aan Rijnmond Energie over het tijdvak 2016 aanslagen onroerende zaakbelasting en precariobelasting van aanvankelijk tezamen € 391.583,34 opgelegd (hierna veelal kort in enkelvoud: de aanslag). Dat bedrag is nadien bij definitieve aanslag verminderd tot € 206.365,45. De aanslag heeft inmiddels formele rechtskracht.
(viii) Bij akte van levering van 22 april 2016 heeft de overdracht van de energiecentrale en het recht van erfpacht aan GSO plaatsgevonden. Het uitstel van de levering hield verband met mededingingsrechtelijke toestemming die verkregen moest worden voor de overdracht.
(ix) In de afrekening van de notaris ter zake van de hiervoor onder (viii) bedoelde overdracht is een door GSO te betalen bedrag voor property tax 2016 opgenomen.



2.2
Bij dagvaarding van 19 juli 2022 heeft de gemeente de curator gedagvaard voor de rechtbank Rotterdam. Zij vordert in deze procedure een verklaring voor recht dat de vordering van de gemeente zoals die voortvloeit uit de aanslag, een boedelschuld oplevert in het faillissement van Rijnmond Energie, en een veroordeling van de curator tot betaling van € 206.365,45 aan de gemeente uit hoofde van de aanslag.


2.3
De rechtbank heeft de vorderingen bij vonnis van 8 maart 2023 afgewezen. Volgens de rechtbank was geen sprake van een boedelschuld op grond van art. 24 Fw (rov. 4.8-4.10) of van een voortzetting van het bedrijf als bedoeld in art. 98 Fw (rov. 4.13-4.15). Ook op andere gronden oordeelde de rechtbank de aanslag geen boedelschuld (rov. 4.11-4.12 en 4.17).


2.4
De gemeente is van het vonnis van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Den Haag. Bij arrest van 20 mei 2025 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.


2.5

Het hof heeft het volgende overwogen.
Op grond van het arrest […] /Tideman q.q. is slechts sprake van een boedelschuld als zich een van de drie in dat arrest genoemde categorieën van schulden voordoet (rov. 6.5). Ten aanzien van onroerende zaakbelastingen en andere belastingen of heffingen, waarvan de verschuldigdheid is gebaseerd op de vaststelling wie op een bepaalde peildatum eigenaar of gebruiker van een pand is, is het enkele feit dat het pand op die peildatum op naam van de gefailleerde staat, onvoldoende om een boedelschuld aan te nemen (rov. 6.6).
Art. 24 Fw eist een direct causaal verband tussen de daarin genoemde bate en verbintenis (rov. 6.10). Dat verband ontbreekt in dit geval omdat de verbintenis uit de aanslag een verbintenis is die volgt uit de wet in combinatie met het feit dat Rijnmond Energie op 1 januari 2016 eigenaar was van de energiecentrale, terwijl de bate de vordering is die de boedel volgens de gemeente op de koper GSO heeft verkregen uit de koopovereenkomst, althans de betaling daarvan (rov. 6.11-6.12). In dit geval is die bate bovendien niet in de boedel gevloeid, maar ten goede gekomen van de zekerheidsgerechtigden, voor wie de curator de energiecentrale tegen een boedelbijdrage heeft verkocht (rov. 6.13).
Van een voorzetting van het bedrijf van Rijnmond Energie door de curator als bedoeld in art. 98 Fw is geen sprake geweest. Op verzoek van de zekerheidsgerechtigden heeft de curator er slechts aan meegewerkt dat de energiecentrale in stand werd gehouden en werd geconserveerd, met andere woorden in de mottenballen werd gehouden. Anders dan de gemeente stelt, maakt het feit dat de activiteiten van Rijnmond Energie al vóór het faillissement bestonden uit het in de mottenballen houden van haar energiecentrale niet dat daardoor sprake is van het voortzetten van het bedrijf in de zin van artikel 98 Fw (rov. 6.17). Bovendien is het beheer van de centrale in december 2015 overgegaan op de koper GSO en heeft de curator een eventuele voortzetting van het bedrijf in elk geval op dat moment gestaakt (rov. 6.18).
Het door de gemeente gedane beroep op de verplichting van de curator om het door de koper GSO betaalde voorschot voor de ‘property tax’ aan de gemeente door te betalen, faalt omdat de gemeente niet (voldoende onderbouwd) heeft gesteld dat er afspraken tussen de curator en de gemeente bestaan op grond waarvan de curator tot doorbetaling verplicht was en een wettelijke grondslag voor die doorbetaling ontbreekt. Bovendien is dat voorschot niet aan de curator betaald en valt er door hem dus niets door te betalen (rov. 6.21, mede met verwijzing naar rov. 6.13). Ook heeft de gemeente onvoldoende feiten of omstandigheden gesteld die de conclusie kunnen dragen dat sprake is van een vordering uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking als bedoeld in art. 6:212 BW (rov. 6.19-6.22).



2.6
De gemeente heeft tijdig cassatieberoep ingesteld van het arrest van het hof. De curator heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. Partijen hebben hun standpunt schriftelijk laten toelichten, waarna de gemeente heeft gerepliceerd.




3Bespreking van het cassatiemiddel

3.1

Het middel bevat vier onderdelen. Onderdeel 1 bestrijdt de verwerping door het hof in rov. 6.15-6.18 van de stelling dat de aanslag een boedelschuld oplevert vanwege voortzetting van het bedrijf ex art. 98 Fw. Onderdeel 2 komt op tegen het oordeel van het hof in rov. 6.8-6.14, dat de aanslag niet op grond van art. 24 Fw in verband met de koopovereenkomst leidt tot een boedelschuld. Onderdeel 3 keert zich tegen rov. 6.21, waarin het hof overweegt dat op de curator ten aanzien van het door de koper betaalde bedrag aan ‘property tax’ geen verplichting rust die tot een boedelschuld leidt. Onderdeel 4 klaagt dat het hof in rov. 6.5 heeft miskend dat de opsomming van categorieën boedelschulden in het arrest […] /Tideman q.q. niet limitatief is.

Het karakter van de vordering van de onderhavige aanslagen




3.2

Het cassatieberoep doet allereerst de vraag rijzen hoe de onderhavige aanslag als vordering moet worden gekwalificeerd in het faillissement van Rijnmond Energie. Het hof heeft in rov. 6.6 vooropgesteld dat die vordering als zodanig geen boedelschuld oplevert. Dat oordeel wordt in cassatie niet bestreden. Dat is terecht, zoals hierna als eerste wordt besproken.

Boedelvorderingen




3.3

In het door het hof in rov. 6.5 vooropgestelde arrest […] /Tideman q.q. heeft de Hoge Raad principieel over boedelschulden overwogen:
“3.7.1. (…) Op grond van die wet [de Faillissementswet] zijn boedelschulden slechts die schulden die een onmiddellijke aanspraak geven jegens de faillissementsboedel hetzij ingevolge de wet, hetzij omdat zij door de curator in zijn hoedanigheid zijn aangegaan, hetzij omdat zij een gevolg zijn van een handelen van de curator in strijd met een door hem in zijn hoedanigheid na te leven verbintenis of verplichting. Onder het aangaan van een schuld door de curator in deze zin is te verstaan dat de curator deze schuld op zich neemt bij een rechtshandeling, doordat zijn wil daarop is gericht (art. 3:33 en 35 BW).



3.7.2.
Vorderingen die een boedelschuld opleveren, moeten worden onderscheiden van vorderingen op de schuldenaar, met het oog op de voldoening waarvan de vereffening van de boedel plaatsvindt. Vorderingen die voortvloeien uit een reeds ten tijde van de faillietverklaring bestaande rechtsverhouding met de schuldenaar en die geen boedelschuld opleveren op een van de hiervoor in 3.7.1 vermelde gronden, behoren tot bedoelde vorderingen op de schuldenaar, ook als ze pas tijdens het faillissement ontstaan (…).



3.7.3.
Opmerking verdient dat uit het hiervoor in 3.6.1 vermelde uitgangspunt van de Faillissementswet dat het faillissement geen invloed heeft op wederkerige overeenkomsten, volgt dat de curator niet bevoegd is om overeenkomsten op te zeggen, tenzij de wet of de overeenkomst hem (of de schuldenaar) daartoe bevoegd maakt. Zegt de curator onbevoegd een overeenkomst op, dan is de verplichting tot vergoeding van de daaruit voortvloeiende schade een boedelschuld, omdat hij dan in strijd handelt met een door hem na te leven verbintenis. Daarmee valt op een lijn te stellen het geval dat de curator wel bevoegd is tot opzegging van een overeenkomst, maar alleen tegen betaling van een schadevergoeding of schadeloosstelling in verband met die beëindiging.



3.7.4.

De in deze zaak aan de orde zijnde verplichting om op grond van de bepalingen van de huurovereenkomst dan wel art. 7:224 BW de schade aan het gehuurde bij het einde van de huur te herstellen dan wel te vergoeden, is een uit de huurovereenkomst voortvloeiende verbintenis van de schuldenaar, die bij het einde van de huur ontstaat of opeisbaar wordt. Die verbintenis is geen boedelschuld, maar een vordering op de schuldenaar (in de hiervoor in 3.7.2 genoemde zin), nu daarbij niet wordt voldaan aan de hiervoor in 3.7.1 genoemde voorwaarden voor het ontstaan van een boedelschuld. Dat is slechts anders indien de schade is ontstaan door een handelen van de curator, welk geval zich hier blijkens de stellingen van partijen niet voordoet.”
Hetgeen in rov. 3.7.1 van dit arrest wordt overwogen, is in diverse arresten herhaald.




3.4

De Hoge Raad noemt in rov. 3.7.1 van het arrest […] /Tideman q.q. drie gronden waarop een boedelschuld kan ontstaan. Voorbeelden van de als eerste door de Hoge Raad genoemde grond, de boedelschuld krachtens de wet, zijn de huur- en pachtprijs en de lonen en premieschulden vanaf de dag van de faillietverklaring, die de wet uitdrukkelijk tot zodanig bestempeld (art. 39 en 40 Fw).
De tweede ontstaansgrond van een boedelschuld die de Hoge Raad noemt, betreft de schuld die de curator in zijn hoedanigheid aangaat. Daaronder verstaat het arrest dat de curator deze schuld op zich neemt bij een rechtshandeling, doordat zijn wil daarop is gericht (art. 3:33 en 3:35 BW). Daarbij gaat het dus om (een beding in) een overeenkomst of een eenzijdige rechtshandeling, zoals een toezegging.
De derde ontstaansgrond van een boedelschuld is een handelen van de curator in strijd met een door hem in zijn hoedanigheid na te leven verbintenis of verplichting. Daarbij gaat het om verplichtingen die op de boedel of de curator als zodanig rusten en die niet faillissementsvorderingen betreffen (faillissementsvorderingen zijn de vorderingen op de schuldenaar die vóór het faillissement zijn ontstaan, dan wel hun ontstaansgrond hebben, en waarvoor het faillissement wordt uitgesproken). Blijkens rov. 3.7.3 van het arrest […] /Tideman q.q. gaat het hierbij onder meer om handelen in strijd met een overeenkomst waaraan de curator zich in zijn hoedanigheid heeft te houden. Blijkens rov. 3.8 tweede alinea van dat arrest en de hiervoor voetnoot 9 genoemde uitspraken in de zaken […] /Eshuis en Ubbens q.q. en Ridderkerk/Heijnen q.q. valt daarbij ook te denken aan de verplichting om, zeer kort gezegd, andermans eigendom c.q. gebruiksrecht te respecteren door daarop geen zaken achter te laten, respectievelijk aan de verplichting tot naleving van de milieuwetgeving met betrekking tot goederen die behoren tot de boedel.

Kwalificatie van belastingschulden als vordering in faillissement




3.5

Belastingschulden zijn normaal gesproken publiekrechtelijke verbintenissen (bestuursrechtelijke geldschulden, zoals titel 4.4 Awb ze noemt, dat mede op belastingschulden van toepassing is; vgl. art. 1 lid 2 Iw 1990). In de regel verbindt de wet het ontstaan van dergelijke verbintenissen aan een bepaald feit. Dateert dat feit en dus het ontstaan van de belastingvordering van vóór het faillissement van de schuldenaar, dan is die vordering een faillissementsvordering in de hiervoor genoemde zin. Dateert de vordering van daarna – zoals de onderhavige aanslag –, dan kan deze niet in het faillissement geldend worden gemaakt, tenzij zich een van de gronden van het arrest […] /Tideman q.q. voordoet, waardoor ze als boedelschuld kunnen worden aangemerkt. Van die gronden komt normaal gesproken alleen de tweede grond in aanmerking, dat de curator de belastingverplichting is aangegaan door het verrichten van een rechtshandeling. Dat de wet een belastingschuld aanmerkt als boedelschuld komt weinig voor. De derde grond speelt uitsluitend als de curator een op de boedel of op hem als zodanig rustende fiscale verplichting niet nakomt.
Het voorgaande vindt bevestiging in de uitspraak Roeffen q.q./Ontvanger. De Hoge Raad brengt daarin tot uitdrukking dat omzetbelasting op de tweede grond een boedelschuld is, mits sprake is van een rechtshandeling van de curator waaraan de verschuldigdheid van die belasting is verbonden. Deze insteek valt steeds bij belastingen te volgen. In het geval dat de wet voor de verschuldigdheid van een belasting bij een andere handeling of gedraging aanknoopt dan bij een rechtshandeling – zoals bijvoorbeeld geldt voor de vennootschapsbelasting, die aanknoopt bij het drijven van een onderneming door vennootschap of vergelijkbare entiteit en het maken van winst daarbij –, valt de tweede grond daarop op een iets aangepaste manier toe te passen. Dan zal het moeten gaan om een handeling of gedraging waarvan de curator weet of behoort te weten dat de verschuldigdheid van de belasting het gevolg is, op dezelfde wijze als hij dat (rechts)gevolg kent of behoort te kennen bij de rechtshandeling die hij in zijn hoedanigheid verricht (ook dat valt dan (nog) aan te merken als het ‘aangaan van een schuld door de curator’, waar het bij de tweede grond om gaat). Het is immers geheel duidelijk dat, als de curator dergelijke handelingen verricht ten behoeve van de boedel (dus, kort gezegd, ‘in zijn hoedanigheid’), de daaruit op grond van de wet (van rechtswege) voortvloeiende belastingschuld een boedelschuld behoort te zijn.
Uiteraard zal bij iedere belasting moeten worden gekeken op grond waarvan deze precies krachtens de wet verschuldigd wordt en of de curator (en dus de boedel) in juist genoemde zin voor dat feit ‘verantwoordelijk’ is te houden. Per belasting en (soort) handeling van de curator kan deze beoordeling anders uitvallen.

Kwalificatie onroerende zaakbelasting en precariobelasting




3.6

In deze zaak gaat het om onroerende zaakbelasting en precariobelasting. Met betrekking tot eerstgenoemde belasting bepaalt art. 220 Gemeentewet:
“Ter zake van binnen de gemeente gelegen onroerende zaken kunnen onder de naam onroerende-zaakbelastingen worden geheven:
a. een belasting van degenen die bij het begin van het kalenderjaar onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht, gebruiken;
b. een belasting van degenen die bij het begin van het kalenderjaar van onroerende zaken het genot hebben krachtens eigendom, bezit of beperkt recht.”
Aldus is sprake van twee soorten belastingen, die wel worden aangeduid als de ‘gebruikersbelasting’ (art. 220 onder a Gemeentewet) en de ‘eigenarenbelasting’ (art. 220 onder b Gemeentewet). De onroerende zaakbelasting wordt bestempeld als ‘objectief’ (het object vormt het aanknopingspunt bij de heffing en met aard, nationaliteit, woon- of vestigingsplaats van de belastingplichtige wordt geen rekening gehouden) en ‘zakelijk’ (persoonlijke omstandigheden van de belastingplichtige hebben geen invloed). Met ‘zakelijk’ wordt niet bedoeld dat de belastingschuld de zaak zou volgen. De onroerende zaakbelasting wordt juist gezien als zuivere tijdstipbelasting die rust op de in art. 220 Gemeentewet genoemde personen, per de datum van 1 januari van het betreffende jaar. Dit brengt met zich mee dat er geen aanleiding is voor verrekening wanneer iemand gedurende het kalenderjaar het gebruik of het bezit van de zaak krijgt of beëindigt. Anders gezegd: als een gebruiker of bezitter (‘genothebbende’) op 2 januari verhuist en een ander de onroerende zaak betrekt, dan blijft eerstgenoemde belastingplichtig en ontstaat voor de tweede pas een belastingplicht op 1 januari van het volgende jaar. Overigens wordt bij transporten van onroerende zaken bij de notaris voor de ‘eigenarenbelasting’ wel aan verrekening tussen verkoper en koper gedaan. Fiscaal is daar echter dus geen reden voor.



3.7

Ten aanzien van de precariobelasting bepaalt art. 228 lid 1 Gemeentewet:
“Ter zake van het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, kan een precariobelasting worden geheven.”
De Gemeentewet laat de gemeente veel vrijheid bij het regelen van precariobelasting, wat bij verordening moet plaatsvinden (de art 216-217 Gemeentewet). Het belastbare feit bij die belasting is echter duidelijk (‘het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond’). Ook is duidelijk dat de heffing naar een tijdvak of tijdstip zal moeten plaatsvinden waarin of waarop dit feit zich voordoet (vgl. art. 217 Gemeentewet). Voorts is duidelijk dat de heffing wordt opgelegd aan de persoon die de voorwerpen in dat tijdvak of op dat tijdstip heeft in de zin van art. 228 lid 1 Gemeentewet; bij verordening kan worden bepaald of dat de gebruiker, de eigenaar of weer iemand anders is (vgl. de tekst van art. 228 lid 1 Gemeentewet).



3.8

De onroerende zaakbelasting is dus verschuldigd wegens het gebruik of bezit van onroerende zaak op 1 januari van het betrokken jaar, de precariobelasting wegens ‘het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond’ in of op het bij verordening bepaalde tijdvak of tijdstip. Nu de aanslag in deze zaak betrekking heeft op 2016, is duidelijk dat beide belastingen in deze zaak zien op het gebruik of bezit van de energiecentrale op 1 januari 2016 en het in samenhang daarmee hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond in 2016 of op een tijdstip in 2016. De vordering is daarmee ontstaan na het faillissement en dus geen faillissementsvordering, zoals ook het hof tot uitgangspunt heeft genomen in rov. 6.6.
Er is geen grond waarop de vorderingen uit de aanslagen boedelschuld zijn. De wet bepaalt dat niet, de vorderingen zullen normaal gesproken niet zijn ontstaan doordat de curator de daarmee corresponderende schulden is aangegaan – het enkele gebruik, genot en ‘hebben’ op genoemd tijdstip of in genoemd tijdvak volstaat als gezegd al voor het ontstaan van de vordering – en er is geen sprake van een verplichting van de boedel die de curator niet nakomt. Over dat laatste zou anders kunnen worden gedacht als de onroerende zaakbelasting of de precariobelasting zou zijn aan te merken als een zakelijke last die rust op de betrokken zaak als zodanig. Zoals juist hiervoor opgemerkt, zijn die belastingen echter geen zakelijke last (die deel uitmaakt van de boedel), maar een persoonlijke verplichting van de schuldenaar (dus een verbintenis), evenals de erfpachtcanon dat is.
Het niet in cassatie bestreden oordeel van het hof in rov. 6.6 dat beide belastingen geen boedelschuld opleveren, is dus juist.

Art. 98 Fw; voortzetting bedrijf en boedelschulden




3.9
Zoals hiervoor vermeld, legt de gemeente aan haar vorderingen onder meer ten grondslag dat de curator het bedrijf van Rijnmond Energie heeft voortgezet als bedoeld in art. 98 Fw en dat de aanslag daarom een boedelschuld is. Onderdeel 1 keert zich als gezegd tegen de verwerping van dat standpunt door het hof. Alvorens die verwerping en de daartegen gerichte klachten te bespreken, sta ik hier eerst stil bij de betekenis van de voorzetting van een bedrijf door de curator voor de vraag of sprake is van een boedelschuld.


3.10

Art. 98 Fw bepaalt:
“De curator is bevoegd het bedrijf van de gefailleerde voort te zetten. Indien er geen schuldeiserscommissie is benoemd, heeft hij daartoe de machtiging van de rechter-commissaris nodig.”
De betekenis van deze bepaling is duidelijk. De curator kan het bedrijf van de gefailleerde voortzetten. Dat zal hij doen als dat in het belang van de boedel is, met andere woorden als daaruit extra inkomsten zijn te genereren ten behoeve van de schuldeisers. Voortzetting van het bedrijf is niet zonder risico. Als er geen schuldeiserscommissie is – die hierover om advies gevraagd moet worden ex art. 78 Fw en die zich terzake eventueel tot de rechter-commissaris kan wenden op de voet van art. 69 Fw –, behoeft hij daarom de toestemming van de rechter-commissaris.



3.11

Art. 98 Fw bepaalt niet dat de schulden die worden gemaakt bij de voortzetting van het bedrijf, boedelschuld zijn. Een dergelijke bepaling ligt ook niet bepaald voor de hand omdat niet altijd duidelijk zal zijn of een handeling plaatsvindt in het kader van de voortzetting van het bedrijf. De wetgever is wel ervan uitgegaan dat de schulden die worden gemaakt in het kader van de voortzetting van het bedrijf, boedelschuld (zullen) zijn. Bij de hiervoor in voetnoot 30 genoemde wijziging van de Faillissementswet is daarover opgemerkt:
“De voortzetting van het bedrijf zal kosten medebrengen van denzelfden aard als die, welke het gevolg zijn van voortzetting van het bedrijf vóór de insolventie. Voor zoover die kosten niet contant kunnen worden voldaan uit de inkomsten welke het bedrijf afwerpt, behooren ze tot de boedelschulden, welke de curator uit de baten des boedels heeft te betalen. Daaraan is ten aanzien van de kosten van voortzetting van het bedrijf vóór de insolventie onder de bestaande wet nooit getwijfeld. Er is geen reden daaraan te twijfelen wat de voortzetting na de insolventie betreft, zoodat wettelijke voorschriften dienaangaande niet noodig zijn.”
In de literatuur wordt deze passage aldus gelezen dat onder de hier genoemde kosten moeten worden verstaan de kosten die ertoe hebben gestrekt de baten van de voortzetting voor de boedel te verkrijgen, bijvoorbeeld salarissen, huur bedrijfspand, inkoopprijzen en belastingschulden ontstaan door de voortzetting van het bedrijf. Dat zijn dus de kosten die daadwerkelijk door de curator worden gemaakt ten behoeve van de voortzetting van het bedrijf.



3.12

In de hiervoor in 3.5 al genoemde uitspraak Roeffen q.q./Ontvanger was mede aan de orde het verband tussen de voortzetting van het bedrijf als bedoeld in art. 98 Fw en de kwalificatie van vorderingen als boedelschuld overeenkomstig het arrest […] /Tideman q.q. Na in rov. 3.3.5 de drie gronden van laatstgenoemd arrest te hebben weergegeven, overwoog de Hoge Raad daarover:
“3.4.5 Indien de curator het bedrijf van de gefailleerde voortzet als bedoeld in art. 98 Fw of art. 173a Fw, zijn de kosten en andere schulden die uit die voortzetting voortvloeien, in het algemeen aan te merken als boedelschulden, omdat ze door de curator in zijn hoedanigheid zijn aangegaan als hiervoor bedoeld in 3.3.5 [dit is een verwijzing naar de tweede grond van het arrest […] /Tideman q.q.]. Dat geldt (dus) ook voor omzetbelastingschulden die ontstaan door leveringen op grond van door de curator in het kader van de voortzetting van het bedrijf verrichte verkopen.



Indien en voor zover de leveringen echter het gevolg zijn van een executoriale verkoop op grond van parate executie door de pand- of hypotheekhouder, ligt daaraan, zoals hiervoor in 3.4.3 is overwogen, geen rechtshandeling van de curator ten grondslag waaraan de verschuldigdheid van omzetbelasting is verbonden. Dit geldt ook als die executoriale verkoop met medewerking van de curator plaatsvindt vanuit (of met de faciliteiten van) het door de curator voortgezette bedrijf.”
Deze overwegingen komen erop neer dat ook bij de voortzetting van het bedrijf als bedoeld in art. 98 Fw beslissend is of zich een van de gronden voordoet van het arrest […] /Tideman q.q. en dat bij de voortzetting van het bedrijf in het algemeen boedelschulden (zullen) ontstaan op de tweede grond daarvan.
Ook bij de voortzetting van het bedrijf moet dus worden nagegaan of de curator de schuld is aangegaan. Mijns inziens valt daarbij van dezelfde (ruime) uitleg van deze grond van het arrest […] /Tideman q.q. uit te gaan als hiervoor in 3.5 tweede alinea is vermeld voor belastingschulden. Bij de voortzetting van het bedrijf kan de curator immers ook schulden veroorzaken door feitelijke gedragingen die een verbintenis uit de wet doen ontstaan en waarvan het gerechtvaardigd is om deze als boedelschuld aan te merken, doordat gezegd moet worden dat de curator ze langs deze weg dan feitelijk aangaat. Deze gedragingen vallen m.i. bij de tweede grond onder te brengen (of, wellicht beter gezegd, ze vallen daar al onder, omdat deze luidt ‘schulden die de curator in zijn hoedanigheid aangaat’).

Art. 24 Fw; boedel gebaat en boedelschuld




3.13
De gemeente heeft aan haar vordering voorts ten grondslag gelegd dat sprake is van een bate in de zin van art. 24 Fw omdat de zaak waarop de aanslag betrekking heeft, door de curator is verkocht en de koper een bedrag is verschuldigd en heeft betaald dat ziet op de aanslag. Onderdeel 2 keert zich tegen de verwerping van dit standpunt door het hof. Voordat die verwerping en de daartegen gerichte klachten worden besproken, wordt hier eerst kort ingegaan op de betekenis van art. 24 Fw.


3.14

Art. 24 Fw luidt:
“Voor verbintenissen van de schuldenaar, na de faillietverklaring ontstaan, is de boedel niet aansprakelijk dan voor zover deze ten gevolge daarvan is gebaat.”
Art. 24 Fw bevat in de eerste plaats een fixatie van het passief in het faillissement. Daarmee wordt voorkomen dat door het in het leven roepen van nieuwe schulden afbreuk wordt gedaan aan de rechten van de bestaande schuldeisers, ten behoeve van wie het faillissement strekt en voor wie er minder valt te verdelen als nieuwe schuldeisers zouden worden toegelaten. Daarnaast houdt art. 24 Fw de aanwijzing van een boedelschuld in. Art. 24 Fw komt namelijk erop neer dat een na het faillissement ontstane verbintenis een boedelschuld oplevert, indien en voor zover de boedel ten gevolge van het ontstaan van de verbintenis is gebaat. Dit volgt (niet zo duidelijk uit de wettekst, maar wel onmiskenbaar) uit de destijds op art. 24 Fw gegeven toelichting, waarin het volgende is opgemerkt (de tekst van art. 24 Fw sprak in het ontwerp nog niet van ‘gebaat’, maar van ‘verrijkt’):
“Verrijkt” beteekent hetzelfde als “werkelijk gebaat” in art. 1487 Burgerlijk Wetboek en “ten voordeele gestrekt” in art. 1681 Burgerlijk Wetboek. Of dit een en ander het geval was, zal telkens op dezelfde wijze moeten worden beoordeeld. Het artikel heeft eene algemeene strekking, betreft alle verbintenissen van vermogensrechtelijken aard, door den gefailleerde aangegaan (…). De woorden “dan voor zooverre deze ten gevolge daarvan verrijkt is” kunnen daarom ook niet vervallen in het stelsel, dat het faillissement alleen betreft de goederen, ten tijde der faillietverklaring aanwezig. Zooals in de Memorie van Toelichting is opgemerkt, duidt het artikel aan, dat handelingen, door den failliet nà de faillietverklaring verricht, niet absoluut nietig zijn, maar alleen hem zelven, niet den boedel binden. Tegenover den curator kan men op die handelingen dus geen beroep doen, hem niet op grond daarvan aanspreken , tenzij ... de boedel van die handelingen voordeel heeft genoten. Geheel hetzelfde stelsel, als in het Burgerlijk Wetboek is aangenomen. De derde, die met den failliet handelde, zal daarvan het bewijs hebben te leveren en wie met een gefailleerde handelt, weet, dat hij handelt met iemand, die het beheer en de beschikking over zijn vermogen heeft verloren.
Indien de boedel verrijkt is, wordt deze in zóó verre verbonden; de wederpartij van den failliet zal te dier zake den curator kunnen aanspreken en is dus niet aan het verificatieproces onderworpen.
Om meer met de terminologie van het Burgerlijk Wetboek en ook met art. 52 ontwerp mede te gaan, worde het onderhavige artikel aldus gewijzigd: “dan voor zooverre deze ten gevolge daarvan is gebaat.”
Art. 24 Fw sprak bij invoering van de Faillissementswet over ‘verbintenissen door de schuldenaar aangegaan’. Dit is later gewijzigd in ‘verbintenissen ontstaan’ om buiten twijfel te stellen dat ook onrechtmatige daad-vorderingen daaronder vallen. De rechtspraak heeft geoordeeld dat (allicht) ook andere verbintenissen uit de wet (zoals zaakwaarneming, onverschuldigde betaling, of ongerechtvaardigde verrijking) die door het handelen of nalaten van de schuldenaar zijn ontstaan, onder het bereik van de bepaling vallen.



3.15

Art. 24 Fw wordt gekarakteriseerd als een toepassing van de regels van ongerechtvaardigde verrijking in de context van het faillissement. De zinsnede in art. 24 Fw dat de boedel ten gevolge van (het ontstaan van) de verbintenis moet zijn gebaat, brengt mee dat de boedel (de waarde) moet teruggeven waarmee deze ten koste van een derde is verrijkt, waarmee dus het actief groter is geworden dan het zou zijn geweest, als de verbintenis niet was ontstaan. Daaruit volgt dat dus sprake moet zijn van een duidelijk causaal verband tussen enerzijds de bate voor de boedel en anderzijds de ontstane verbintenis, in die zin dat moet blijken dat het ontstaan van de verbintenis voor de boedel in zoverre voordelig is geweest, dat dit mede tot de betrokken bate heeft geleid. Voorbeelden die worden genoemd, zijn dat van de gefailleerde die na het faillissement een koopovereenkomst aangaat waarbij het gekochte in de boedel komt, en dat van de gefailleerde die een veearts inschakelt om ziek, tot de boedel behorend vee te genezen en het vee hierdoor inderdaad geneest. De vorderingen tot betaling van de koopprijs respectievelijk het honorarium zijn dan op grond van art. 24 Fw geen faillissementsvordering, maar leveren wel een boedelvordering op, voor zover het actief in het faillissement is toegenomen door deze transacties. Aangenomen wordt dat met ‘gebaat’ in art. 24 Fw ‘werkelijk voordeel’ is bedoeld, zoals nu in art. 6:31 BW staat voor het geval van betaling aan een handelingsonbekwame, zulks in overeenstemming met het eerste deel van, en de verwijzingen naar het BW in, de hiervoor geciteerde wetsgeschiedenis.

Bespreking onderdeel 1




3.16

Onderdeel 1 richt zich tegen rov. 6.15-6.18, die als volgt luiden:
“6.15 De gemeente beroept zich ook op de tweede categorie van het […] /Tideman- arrest en stelt dat sprake is van voortzetting van de onderneming van Rijnmond Energie door de curator. De OZB-aanslag zou om die reden een boedelschuld opleveren, aldus de gemeente.




6.16
Het hof volgt de gemeente hierin niet. De curator heeft ingevolge artikel 68 Fw de taak tot beheer en vereffening van de failliete boedel. Artikel 98 Fw biedt de curator de bevoegdheid het bedrijf van de gefailleerde voort te zetten. Indien de failliet een onderneming drijft, betekent dit niet zonder meer dat de curator de onderneming voortzet in het geval hij activiteiten verricht of maatregelen neemt tot behoud van de waarde van de activa of ter voorkoming van calamiteiten.



6.17
Het hof is van oordeel dat de maatregelen die de curator heeft genomen in het kader van het behoud van de energiecentrale van Rijnmond Energie, niet de strekking hadden de ondernemingsactiviteiten te hervatten. Het doel van de onderneming van Rijnmond Energie was het opwekken en verhandelen van elektriciteit. Niet ter discussie staat dat deze ondernemingsactiviteiten ten tijde van de faillietverklaring reeds waren gestaakt; er werd geen energie meer opgewekt. Na datum faillissement heeft de curator deze ondernemingsactiviteiten ook niet hervat. Op verzoek van de zekerheidsgerechtigden heeft de curator er slechts aan meegewerkt dat de energiecentrale in stand werd gehouden en werd geconserveerd, met andere woorden in de mottenballen werd gehouden. Anders dan de gemeente stelt, maakt het feit dat de activiteiten van Rijnmond Energie al vóór het faillissement bestonden uit het in de mottenballen houden van haar energiecentrale niet dat daardoor sprake is van voortzetten van het bedrijf in de zin van artikel 98 Fw. De activiteiten van de curator waren enkel ter conservering van de activabestanddelen van de centrale. Er was geen sprake van exploitatie van de energiecentrale overeenkomstig haar doel. Van voortzetting van het bedrijf door de curator in de zin van artikel 98 Fw was dan ook geen sprake. Er was bovendien geen sprake van een verzoek of machtiging van de rechter-commissaris op grond van artikel 98 Fw. Grief 2 faalt dus eveneens.



6.18
Ten overvloede merkt het hof nog op dat het beheer van de energiecentrale, zoals de curator onweersproken heeft aangevoerd, vanaf de datum van de verkoopovereenkomst van 22 december 2015 is overgegaan naar de koper (GSO) en de energiecentrale voor haar rekening en risico is gekomen. Indien al geoordeeld zou worden dat de curator de ondernemingsactiviteiten van de energiecentrale na faillissement heeft voortgezet, dan dient geconcludeerd te worden dat deze activiteiten eind 2015 – dus voordat de OZB-aanslag is opgelegd – zijn gestaakt.”


3.17


Subonderdeel 1.1 klaagt dat het hof in rov. 6.16-6.17 een te strikte uitleg heeft gegeven aan het begrip 'voortzetting van het bedrijf van de gefailleerde' als bedoeld in art. 98 Fw of te hoge eisen heeft gesteld bij de beoordeling of daarvan in dit geval sprake is geweest. Het hof miskent dat in een geval als het onderhavige sprake is van voortzetting van het bedrijf van de gefailleerde in de zin van art. 98 Fw, omdat (i) de activiteiten van Rijnmond Energie reeds voor de faillietverklaring bestonden uit het in de mottenballen houden van haar energiecentrale, (ii) de curator na de faillietverklaring (op precies dezelfde wijze) is voortgegaan met die activiteiten, en (iii) het in de mottenballen houden van de energiecentrale substantiële (door externe partijen verrichte) werkzaamheden en kosten vergde. In elk geval miskent het hof dat in een geval als het onderhavige voor 'voortzetting' niet is vereist dat de curator de oorspronkelijke activiteiten van de gefailleerde (die zijn activiteiten reeds had afgeschaald) heeft hervat. Het hof miskent voorts dat activiteiten ter conservering van de energiecentrale rechtens voldoende kunnen zijn voor (en zelfs bij uitstek het doel kunnen zijn van) voortzetting. In elk geval heeft het hof zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd in het licht van de genoemde omstandigheden, aldus het subonderdeel.

Subonderdeel 1.2 klaagt dat, voor zover het hof ervan is uitgegaan dat (een verzoek tot) een machtiging van de rechter-commissaris een constitutief vereiste is voor (het ontstaan van boedelschulden als gevolg van) voortzetting in de zin van art. 98 Fw, dat rechtens onjuist is, omdat die machtiging daarvoor geen constitutief vereiste is.

Subonderdeel 1.3 klaagt dat het hof in rov. 6.18 miskent dat in geval van een economische eigendomsoverdracht van activa van de gefailleerde (zoals hier per 22 december 2015 aan de orde was) de curator tot aan het moment van de juridische eigendomsoverdracht jegens derden rechtens verantwoordelijk blijft voor een voortzetting van het bedrijf van de gefailleerde met die activa. Althans is dat volgens het subonderdeel in elk geval zo waar het gaat om tussen die beide momenten (naar hun aard aan de juridisch rechthebbende) opgelegde OZB-aanslagen ter zake van de grond waarop zich de economisch overgedragen activa bevinden waarmee het bedrijf van de gefailleerde wordt voortgezet.



3.18

Al deze klachten falen. Of sprake is van een voortzetting van het bedrijf als bedoeld in art. 98 Fw vergt een beoordeling van de feiten. Dat oordeel is dus sterk feitelijk van aard. Het oordeel van het hof dat om de door hem in rov. 6.17 genoemde redenen geen sprake is geweest van een voortzetting van het bedrijf van Rijnmond Energie door de curator, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd in het licht van de gebleken feiten of de stellingen van de gemeente.
Daar komt bij dat niet blijkt van een aangaan van belastingschulden die in de aanslag zijn vervat, door de curator in de zin van de tweede grond van het arrest […] /Tideman q.q. Dat ‘aangaan’ heeft de gemeente ook niet gesteld in dit verband. Volgens de gemeente zou het enkele feit dat sprake is van een voortzetting van het bedrijf, al maken dat sprake is van een boedelschuld. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor is vermeld in 3.11-3.12, is die opvatting onjuist. Ook bij voortzetting van een bedrijf moet zich een van de gronden van het arrest […] /Tideman q.q. voordoen, wil sprake zijn van een boedelschuld. Dat zal per verschuldigde belasting moeten worden gesteld door de schuldeiser (vgl. hetgeen hiervoor in 3.5 laatste alinea en 3.12 laatste alinea is opgemerkt), wat de gemeente niet heeft gedaan.
Ook het oordeel van het hof in rov. 6.18 dat als al sprake is geweest van een voortzetting van het bedrijf van Rijnmond Energie door de curator, deze al voor het belastingjaar 2016 is gestaakt doordat GSO als economisch eigenaar de ‘exploitatie’ van de centrale in december 2015 heeft overgenomen, is in hoofdzaak feitelijk. Ook dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
Op een en ander lopen de klachten van de subonderdelen 1.1 en 1.3 stuk. Subonderdeel 1.2 faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag in het arrest van het hof. Het hof niet geoordeeld dat een machtiging van de rechter-commissaris een constitutief vereiste is voor (het ontstaan van boedelschulden als gevolg van) voortzetting van het bedrijf in de zin van art. 98 Fw.

Bespreking onderdeel 2




3.19


Onderdeel 2 is gericht tegen rov. 6.8-6.14, die als volgt luiden:
“6.8 De gemeente betoogt primair dat de OZB-aanslag een boedelschuld is op grond van de wet. Volgens de gemeente heeft de SPA in combinatie met de opgelegde OZB-aanslag een bate opgeleverd voor de boedel, die bestaat uit het bedrag dat de koper van de energiecentrale (GSO) bij de juridische overdracht moest voldoen c.q. heeft voldaan ter zake van onroerende zaak- en precariobelastingen. De vordering van de gemeente uit hoofde van de OZB-aanslag levert om die reden op grond van artikel 24 Fw een boedelschuld op, aldus de gemeente.




6.9
Dit betoog slaagt niet. De belastingschuld uit hoofde van de OZB-aanslag is geen na haar faillietverklaring ontstane verbintenis van Rijnmond Energie die tot een bate voor de boedel heeft geleid als bedoeld in artikel 24 Fw. Het enkele feit dat in de SPA is opgenomen dat de koper (GSO) vanaf 22 december 2015 de zakelijke lasten met betrekking tot de energiecentrale op zich neemt, maakt dit niet anders. Het hof licht dit als volgt toe.



6.10
Artikel 24 Fw bepaalt dat voor verbintenissen van de schuldenaar, na de faillietverklaring ontstaan, de boedel niet aansprakelijk is dan voor zover deze ten gevolge daarvan is gebaat. Voor deze aansprakelijkheid is vereist dat het in het faillissement vallende vermogen moet zijn vergroot door de verbintenis, met andere woorden: de baat voor de boedel dient direct te volgen uit de verbintenis.



6.11
Een dergelijk direct causaal verband ontbreekt in dit geval. De verbintenis bestaat hier uit de opgelegde aanslag tot het betalen van onroerende zaak- en precariobelasting. Die betalingsverplichting is slechts opgelegd omdat Rijnmond Energie op (de peildatum van) 1 januari 2016 als kadastraal eigenaar van de energiecentrale stond ingeschreven. De bate voor de boedel bestaat volgens de gemeente uit de vordering die de boedel heeft verkregen op GSO om de (definitief) aangeslagen onroerende zaak- en precariobelasting te voldoen, althans het bedrag dat GSO blijkens de notariële afrekening aan ‘property tax’ daadwerkelijk aan de boedel heeft voldaan (memorie van grieven, onder 4.9).



6.12
Deze (gestelde) bate voor de boedel is echter niet het directe gevolg van de OZB-aanslag. De door GSO gedane betaling van een vergoeding voor 'property tax’ vloeit enkel en alleen voort uit de afspraken in de SPA. Daarin is overeengekomen dat de koper (GSO) vanaf 22 december 2015 alle zakelijke lasten van de energiecentrale voor zijn rekening neemt. Artikel 2.2 van de SPA luidt als volgt (memorie van antwoord, onder 2.6): “No later than the Transfer Date, the Purchaser shall pay any arrear amounts to third parties regarding property charges (zakelijke lasten) in relation to the Property as shall be due and payable as per the Transfer Date, including any charges (retributies) in relation to the right of temporary ground lease, with a maximum of EUR 250,000 in totall”. Deze bepaling in de SPA ziet niet specifiek op de OZB-aanslag zoals gevorderd door de gemeente. Ten tijde van de verkoop en de formulering van de voorwaarden in de SPA waren de curator en de koper ook niet met de OZB-aanslag bekend, omdat deze niet bestond. Van een bedongen vergoeding is, anders dan de gemeente stelt, dan ook geen sprake. Met deze afspraak in de SPA is enkel beoogd, zoals de curator ter zitting bij het hof nader heeft toegelicht, om zo snel mogelijk (vanaf 22 december 2015) volledig van elke verplichting die verband hield met de energiecentrale – onderhoud, conserveren en alle aanslagen die hiermee verband houden – af te komen en de betreffende zakelijke lasten voor rekening van de koper te laten komen. Een rechtstreeks verband tussen de opgelegde OZB-aanslag en de (gestelde) bate bestaande uit de betaling door de koper ontbreekt derhalve om het aannemen van een boedelschuld op grond van artikel 24 Fw te rechtvaardigen.



6.13
Door de opgelegde OZB-aanslag is het actief van de boedel: de waarde van het onroerend goed of de opbrengst voor de boedel ook niet vergroot, zodat artikel 24 Fw (ook om die reden) geen toepassing kan vinden. In dit verband is het volgende van belang. Tussen partijen is niet in geschil dat het door de koper (GSO) betaalde bedrag aan ‘property tax’ aan de zekerheidsgerechtigden is uitgekeerd. De curator heeft in dit verband toegelicht dat de verkoop van de energiecentrale als een vorm van parate executie door zekerheidsgerechtigden heeft plaatsgevonden. Daarbij zijn tussen de curator en de zekerheidsgerechtigden afspraken gemaakt over de vergoeding van de werkzaamheden van de curator en over een vaste bijdrage die bij verkoop aan de boedel zou toekomen, zoals vastgelegd in de Heads of Terms Sale Process Rijnmond van 12 november 2015. Nadat op 22 april 2016 de levering van de energiecentrale heeft plaatsgevonden, is overeenkomstig deze afspraken tussen de curator en de zekerheidsgerechtigden de gerealiseerde verkoopopbrengst verdeeld, waarbij dus een overeengekomen vast bedrag van € 200.000,- aan de boedel is toegekomen. De koopprijs en andere bedragen die als kosten c.q. lasten aan de koper op de overdrachtsdatum in rekening zijn gebracht, zijn op basis van die contractuele afspraken door de notaris aan de zekerheidsgerechtigden uitgekeerd. Deze door de curator geschetste gang van zaken rondom de verkoop van de energiecentrale is door de gemeente niet betwist. Gezien het karakter van de verkoop als een vorm van parate executie door de zekerheidsgerechtigden, is het - anders dan de gemeente stelt - ook niet een keuze van de curator geweest om deze bedragen aan de zekerheidsgerechtigden te laten toekomen. De gemeente heeft in het licht hiervan onvoldoende onderbouwd dat de boedel voordeel heeft genoten ten gevolge van de aan failliet opgelegde OZB-aanslag. Nu vast staat dat de boedel geen enkel bedrag van de koper (GSO) ter zake van de ‘property tax’ heeft ontvangen, is van een bate voor de boedel in de zin van artikel 24 Fw geen sprake.



6.14
De conclusie is dat de vordering van de gemeente uit hoofde van de OZB-aanslag geen boedelschuld op grond van artikel 24 Fw oplevert. Grief 1 faalt daarom.”


3.20


Subonderdeel 2.1 klaagt dat het oordeel van het hof in rov. 6.10-6.12 blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omdat het hof voor de toepasselijkheid van art. 24 Fw een direct/rechtstreeks causaal verband eist tussen de verbintenis en de bate voor de boedel. Het hof miskent volgens het subonderdeel dat een condicio sine qua non-verband tussen beide voldoende is, althans kan zijn.

Subonderdeel 2.2 klaagt dat het oordeel van het hof in rov. 6.11-6.12 onbegrijpelijk is, indien het hof heeft geoordeeld dat in het geheel geen (condicio sine qua non) verband bestaat tussen de vordering uit hoofde van de OZB-aanslag en de door de gemeente gestelde bate voor de boedel, gelet op de door de gemeente gestelde en als zodanig niet door de curator betwiste omstandigheden dat (i) in de SPA met de koper (GSO) van de energiecentrale is afgesproken dat zij “property charges” zal betalen, (ii) de curator op grond van de SPA derhalve het bedrag van de OZB-aanslag kon doorberekenen aan GSO, (iii) blijkens de notariële afrekening ook daadwerkelijk betaling van een vergoeding ter zake van deze lasten heeft plaatsgevonden, en (iv) de boedel blijkens de faillissementsverslagen jegens GSO aanspraak heeft op het verschil tussen het op de notariële afrekening opgenomen (reeds betaalde) bedrag en het (hogere) bedrag van de definitieve aanslag en de curator daar ook daadwerkelijk aanspraak op heeft gemaakt. Zonder de OZB-aanslag zou de boedel simpelweg geen daarmee corresponderende vordering op de koper hebben gehad, zoals de gemeente ook heeft gesteld en de curator als zodanig niet heeft betwist. Indien het hof van iets anders is uitgegaan, is dat dus onbegrijpelijk, aldus het subonderdeel. Dat geldt temeer nu het hof in rov. 6.12 zelf ervan uitgaat dat de curator met de SPA heeft beoogd om volledig van elke verplichting die verband hield met de energiecentrale – onderhoud, conserveren en alle aanslagen die hiermee verband houden – af te komen en de desbetreffende zakelijke lasten voor rekening van de koper te laten komen. In dat licht is volgens het subonderdeel voorts onbegrijpelijk (en innerlijk tegenstrijdig) dat het hof overweegt dat van een ‘bedongen vergoeding’ geen sprake is. Dat wordt niet anders doordat de OZB-aanslag ten tijde van het sluiten van de SPA nog niet bij de curator en de koper bekend was nu deze nog niet bestond. Dat laat immers onverlet dat de (naar zijn aard overigens heel wel voorzienbare) OZB-aanslag, zoals blijkt uit het voorgaande, zonder meer valt onder het bereik van de daarin gemaakte afspraken over ‘alle aanslagen’ (ter zake van "property tax"). Voor zover het hof ervan uitgaat dat voor causaal verband in de zin van art. 24 Fw rechtens méér nodig is, getuigt dat van een onjuiste rechtsopvatting.

Subonderdeel 2.3 klaagt dat, ook indien het hof terecht heeft aangenomen dat voor de toepasselijkheid van art. 24 Fw een direct/rechtstreeks causaal verband is vereist, de in subonderdeel 2.2 bedoelde omstandigheden geen andere conclusie toelaten dan dat in het onderhavige geval van een zodanig verband sprake is.

Subonderdeel 2.4 voert aan dat het hof in rov. 6.13 miskent dat voor het bestaan van een bate in de zin van art. 24 Fw volstaat dat de boedel een (inbare) vordering verkrijgt en dat (dus) niet is vereist dat de boedel het bedrag van die vordering ook daadwerkelijk heeft ontvangen, omdat ook een (inbare) vordering, zoals in casu de vordering van de boedel op de koper, immers het actief van de boedel vergroot. Indien het hof zou hebben geoordeeld dat van een vordering geen sprake is, is dat volgens het subonderdeel onbegrijpelijk in het licht van de in subonderdeel 2.2 genoemde omstandigheden en de aldaar aangehaalde stellingen.

Subonderdeel 2.5 gaat uit van de lezing dat het oordeel van het hof in rov. 6.13 dat geen sprake is van een bate voor de boedel, erop is gebaseerd dat van een vordering als bedoeld in subonderdeel 2.4 weliswaar sprake was, maar (i) dat de tussen de boedel en de koper bedongen vergoeding voor zakelijke lasten op basis van afspraken tussen de curator en de zekerheidsgerechtigde is toegevloeid naar de zekerheidsgerechtigden en (ii) dat het, gezien het karakter van de verkoop als ‘een vorm van parate executie’, niet ‘een keuze was van de curator’ om het betrokken bedrag aan hen te laten toekomen. Het subonderdeel klaagt dat, indien het hof ervan is uitgegaan dat de verkoop van de energiecentrale heeft plaatsgevonden in het kader van parate executie door de zekerheidsgerechtigden, het hof daarmee buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden omdat geen van partijen heeft gesteld dat daarvan daadwerkelijk sprake was. Indien het hof ervan is uitgegaan dat sprake is geweest van onderhandse parate executie, miskent het hof dat daarvoor ingevolgde art. 3:268 lid 2 BW toestemming van de voorzieningenrechter nodig is. In ieder geval is zijn oordeel dan onbegrijpelijk omdat die toestemming niet is gesteld dan wel uit het procesdossier blijkt. In ieder geval is volgens het subonderdeel het oordeel van het hof onjuist of onbegrijpelijk. De gemeente heeft gesteld dat de vergoeding van de OZB-belasting niet onder een hypotheekrecht of pandrecht van de zekerheidsgerechtigden valt. Bij die stand van zaken valt niet in te zien waarom de curator terzake geen keuze had en ermee moest instemmen dat de betrokken vergoeding aan de zekerheidsgerechtigden zou toekomen.



3.21

De klachten van het onderdeel falen, omdat het hof terecht heeft geoordeeld dat de vordering uit de koopoverkomst dan wel de voldoening daarvan niet is aan te merken als een bate die zijn oorzaak vindt in hetzelfde (rechts)feit als de aanslag, zoals is vereist voor het van toepassing zijn van art. 24 Fw (zie hiervoor in 3.15). De schuld uit de aanslag staat als zodanig immers geheel los van de koopovereenkomst waaruit de vordering volgt. Die schuld vindt haar bestaansgrond in een geheel ander feit, namelijk het gebruik en genot van de energiecentrale op het relevante tijdstip en het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond op het relevante tijdstip of in het relevante tijdvak. Dat in de koopovereenkomst is afgesproken dat de koper “shall pay any arrear amounts to third parties regarding property charges (zakelijke lasten) in relation to the Property as shall be due and payable as per the Transfer Date” (rov. 6.12), maakt niet dat deze vordering in de zin van art. 24 Fw zijn oorzaak zou vinden in de aanslag. Bij art. 24 Fw gaat het er immers om dat vordering en bate in hetzelfde (rechts)feit hun oorzaak vinden, te weten een overeenkomst of een ander rechtsfeit dat leidt tot een verbintenis en een bate. Dat kan met betrekking tot de onderhavige aanslag en vordering uit de koopovereenkomst onmiskenbaar niet worden gezegd.
De subonderdelen 2.1-2.3 gaan uit van een andere, (veel) ruimere en dus onjuiste uitleg van art. 24 Fw en falen om die reden.
De subonderdelen 2.4-2.5 kunnen niet tot cassatie leiden omdat het oordeel van het hof in rov. 6.13 ten overvloede is gegeven. De gemeente mist bij die subonderdelen dus belang. Bovendien zijn de subonderdelen ongegrond. Zoals hiervoor bleek, is alleen sprake van een bate in de zin van art. 24 Fw als de boedel daadwerkelijk is gebaat (zie opnieuw hiervoor in 3.15). Het hof heeft op begrijpelijke gronden in rov. 6.13 geoordeeld dat daarvan geen sprake is, nu de betaling van de koper al door de notaris is doorgeleid naar de zekerheidsgerechtigden – ten behoeve van wie de verkoop plaatsvond en overeenkomstig de van begin af aan met dezen gemaakte afspraken – en dat de boedel uitsluitend een vooraf al afgesproken vast bedrag heeft ontvangen voor de verkoop (€ 200.000,-). De in subonderdeel 2.5 genoemde, door de gemeente ingeroepen omstandigheid dat voor de afspraken met de zekerheidsgerechtigden de noodzakelijke toestemming van de voorzieningenrechter ontbrak, maakt dat niet anders. Die omstandigheid leidt er immers niet toe dat wel sprake is van een bate voor de boedel (althans: dat valt niet zonder meer in te zien), wat de gevolgen van die omstandigheid ook precies zijn.

Bespreking onderdeel 3




3.22

Onderdeel 3 komt op tegen rov. 6.21. De rov. 6.19-6.22 luiden als volgt:
“6.19 Met grief 3 komt de gemeente op tegen het (ten overvloede gegeven) oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 4.17 dat de OZB-aanslag niet leidt tot een schuld aan de gemeente die een gevolg is van een handelen van de curator in strijd met een door hem in zijn hoedanigheid na te leven verbintenis of verplichting en daarom evenmin sprake is van een boedelschuld op grond van categorie (iii) van het […] /Tideman-arrest.




6.20
De rechtbank heeft in dit verband overwogen dat de OZB-aanslag niet kwalificeert als een door de curator in zijn hoedanigheid na te leven verbintenis of verplichting. Hiertegen richt de gemeente haar grief niet, zodat dit in hoger beroep geen onderwerp van geschil is. Volgens de gemeente was de curator als beheerder van de failliete boedel echter wel verplicht om het door de koper (GSO) betaalde voorschot voor de ‘property tax’ aan de gemeente door te betalen. Dit geld was blijkens de notariële afrekening uitsluitend bestemd voor de voldoening van de gemeentelijke heffingen. Door het voor de gemeente bestemde voorschot voor de ‘property tax’ niet aan de gemeente af te dragen handelt de curator in strijd met een op hem in zijn hoedanigheid rustende verplichting, waarmee hij een boedelschuld zoals bedoeld in de derde categorie van het […] /Tideman- arrest riskeert, aldus de gemeente.



6.21
Dit betoog faalt. Een wettelijke grondslag voor de gestelde verplichting van de curator om het door de koper betaalde bedrag aan ‘property tax’ aan de gemeente door te betalen ontbreekt. Ook heeft de gemeente niet (voldoende onderbouwd) gesteld dat er afspraken tussen de curator en de gemeente bestaan op grond waarvan de curator tot doorbetaling verplicht was. Van ‘geoormerkt geld’ ten behoeve van de gemeente is derhalve geen sprake. Maar zelfs indien sprake zou zijn van ‘geoormerkt geld’ voor wat betreft de ‘property tax’ betaling van GSO, dan bestaat er - in het licht van hetgeen hiervoor in 6.13 is overwogen - nog geen verplichting of verbintenis voor de curator in zijn hoedanigheid op grond waarvan de vordering van de gemeente kan worden toegewezen.”



6.22
De gemeente beroept zich in dit verband nog op ongerechtvaardigde verrijking. Zij stelt dat de boedel ongerechtvaardigd is verrijkt door de door GSO betaalde vergoeding voor de ‘property tax’ en dat de gemeente in zoverre een schadevergoedingsvordering op de curator in zijn hoedanigheid heeft, hetgeen een boedelschuld zoals bedoeld in de derde categorie van het […] /Tideman-arrest oplevert. Daarmee heeft de gemeente echter onvoldoende feiten of omstandigheden gesteld die de conclusie kunnen dragen dat sprake is van een vordering uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking als bedoeld in artikel 6:212 BW. Zoals hiervoor is overwogen, is het door GSO betaalde bedrag aan ‘property tax’ niet in de boedel terechtgekomen en is de boedel dus (ook in de zin van artikel 6:212 BW) niet verrijkt. Ook ontbreekt het voor een schadevergoedingsvordering uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking vereiste voldoende verband tussen de verrijking van de een (in dit geval de boedel) en de verarming van de ander (de gemeente): voor zover de boedel al zou zijn verrijkt, is de boedel niet ten koste van de gemeente verrijkt. Grief 3 faalt daarom evenzeer.”


3.23


Subonderdeel 3.1 bevat een voortbouwklacht die inhoudt dat de klachten van de subonderdelen 2.4 en 2.5 ook het oordeel in rov. 6.21 aantasten. Als de curator wel een keuze had ter zake van het al dan niet aan de zekerheidsgerechtigden laten toekomen van de vergoeding voor zakelijke lasten, dan geldt in elk geval dat de curator – door het afdragen van die vergoeding aan de zekerheidsgerechtigden – heeft gehandeld in strijd met de op hem in zijn hoedanigheid rustende verplichting.

Subonderdeel 3.2 klaagt dat onbegrijpelijk is dat het hof het beroep van de gemeente op de derde categorie als bedoeld in het arrest […] /Tideman (uitsluitend) heeft geplaatst in de sleutel van het leerstuk ongerechtvaardigde verrijking. Uit de gedingstukken blijkt dat dit beroep in de kern inhield dat, nu sprake is van een specifiek voor zakelijke lasten bedongen vergoeding van de koper, de curator er rechtens van had moeten afzien die vergoeding te laten toekomen aan de zekerheidsgerechtigden en gehouden was die vergoeding door te betalen aan de gemeente, als "rechthebbende" van de betrokken vergoeding.

Subonderdeel 3.3 klaagt dat waar het hof het in subonderdeel 3.2 bedoelde beroep op de derde categorie als bedoeld in het arrest […] /Tideman in rov. 6.21 verwerpt op de grond dat niet is gesteld dat tussen de gemeente en de curator afspraken bestaan op grond waarvan de curator tot doorbetaling (van de bedongen vergoeding voor zakelijke lasten) verplicht was, dit bovendien van een onjuiste rechtsopvatting getuigt. Het hof miskent dat dergelijke afspraken tussen de curator en de betrokken schuldeiser (hier: de gemeente) rechtens niet vereist zijn voor het aannemen van een boedelschuld van de derde categorie. Waren die afspraken er geweest, dan was (immers) reeds sprake van een boedelschuld van de tweede categorie.



3.24

Het onderdeel faalt. Het hof heeft terecht in rov. 6.21 overwogen dat de afspraak met de koper dat deze de verschuldigde ‘property tax’ zou betalen, de curator niet verplichtte om deze door te betalen aan de gemeente. Een overeenkomst schept immers in beginsel uitsluitend rechten en verplichtingen tussen partijen. Het hof wijst er in rov. 6.21 op dat de wet voor dit geval niet anders bepaalt, en dat de gemeente niet (voldoende onderbouwd) heeft gesteld dat er afspraken tussen de curator en de gemeente bestonden op grond waarvan de curator tot doorbetaling verplicht was. Opmerking verdient dat de gemeente, blijkens de vaststellingen van het hof, evenmin (voldoende onderbouwd) heeft gesteld dat tussen de curator en de koper GSO de afspraak bestond dat de curator verplicht was tot doorbetaling aan de gemeente, laat staan dat sprake was van een (daartoe strekkend) derdenbeding ten behoeve van de gemeente als bedoeld in art. 6:253 BW. In het licht van een en ander heeft het hof in rov. 6.21 het beroep van de gemeente op de derde grond van het arrest […] /Tideman q.q. terecht verworpen: naar zijn vaststelling is er immers geen grond voor een plicht tot doorbetaling aan de gemeente van de curator waarop de gemeente een beroep kan doen. Hierop stuiten de klachten van het onderdeel alle al af.

Bespreking onderdeel 4




3.25
Onderdeel 4 klaagt dat het oordeel van het hof in rov. 6.5, dat ‘slechts’ sprake kan zijn van een boedelschuld als die valt in één van de drie categorieën uit het arrest […] /Tideman, onjuist is. Het hof miskent dat onder omstandigheden ook buiten die categorieën om sprake kan zijn van een boedelschuld, aldus het onderdeel. Blijkens de op het onderdeel gegeven toelichting leidt de gemeente dit af uit de arresten Ridderkerk/Heijnen q.q. en Paperlinx. Volgens het onderdeel miskent het hof in het verlengde hiervan dat de onderhavige vordering uit hoofde van de OZB-aanslag, indien zij niet reeds een boedelschuld oplevert die valt in (een van) de […] /Tideman-categorieën, gelet op de kenmerken van dit geval een dergelijke boedelschuld (van de buitencategorie) oplevert.


3.26

Ook dit onderdeel faalt. Niet blijkt immers dat de gemeente in deze procedure er een beroep op heeft gedaan dat haar vordering een boedelschuld is op een andere grond dan in het arrest […] /Tideman q.q. is genoemd, laat staan dat zij in dat verband daartoe de benodigde feitelijke stellingen heeft aangevoerd. Het onderdeel voert althans niet aan dat een dergelijke grond aldus door de gemeente is ingeroepen, laat staan dat het vermeldt waar dat is gebeurd. Het onderdeel komt daarmee neer op een feitelijke en daarom in cassatie ongeoorloofd novum.
In de arresten Ridderkerk/Heijnen q.q. en Paperlinx kan ik overigens niet lezen dat de Hoge Raad zou zijn teruggekomen van het uitdrukkelijk limitatieve karakter van de opsomming van gronden waarop een vordering een boedelschuld kan zijn, van het arrest […] /Tideman q.q. Het enkele achterwege laten van het woord ‘slechts’ in het arrest Ridderkerk/Heijnen q.q. en het niet kwalificeren van de grond voor het zijn van een boedelschuld in Paperlinx zijn daarvoor onvoldoende (daargelaten nog dat in latere arresten wel weer wordt verwezen naar de limitatieve opsomming van […] /Tideman q.q. en de boedelschuld wel wordt gekwalificeerd).
Overigens heb ik hiervoor opgemerkt dat er m.i. wel grond bestaat om de tweede grond van het arrest […] /Tideman q.q. (‘schulden die door de curator in zijn hoedanigheid zijn aangegaan’) aldus uit te leggen dat daaronder niet alleen rechtshandelingen, maar ook feitelijke gedragingen van de curator zijn te verstaan, van welke gedragingen de curator weet of behoort te weten dat het ontstaan van de schuld daarvan het gevolg is (als verbintenis uit de wet), op dezelfde wijze als hij dat rechtsgevolg kent of behoort te kennen bij een rechtshandeling die hij in zijn hoedanigheid verricht. Daardoor vallen onder die grond ook de verbintenissen uit de wet die de curator ‘aangaat’ door zich op een bepaalde wijze te gedragen, zonder dat sprake is van een rechtshandeling. Het is duidelijk dat ook dergelijke gedragingen een boedelschuld kunnen opleveren (zie hiervoor in 3.5 tweede alinea en 3.12 laatste alinea).

Slotsom




3.27
Het middel is ongegrond.




4Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.



De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden



A-G




Vgl. voor de vaststaande feiten rov. 3.2-3.10 van het arrest van het hof.


De aanslagen zijn door de gemeente overgelegd als productie 4 bij de inleidende dagvaarding.


Vgl. de vaststelling van de vordering door het hof in rov. 4.1.


Rb. Rotterdam 8 maart 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:2069, JOR 2023/192, m.nt. A.J. Tekstra.


Hof Den Haag 20 mei 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:974, JOR 2025/201, m.nt. I.E.J. Bakker.


De procesinleiding is bij de Hoge Raad ingekomen op 19 augustus 2025.


Zie in dezelfde zin voor de OZB-aanslag Hof Amsterdam 23 april 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1071, en ten aanzien van waterschapsbelasting Rb. Groningen 12 december 2000, ECLI:NL:RBGRO:2000:AG3846, JOR 2001/100, rov. 4.1-4.4, waarnaar het hof in rov. 6.6 verwijst.


HR 19 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY6108, NJ 2013/291 m.nt. F.M.J. Verstijlen ( […] /Tideman q.q.).


Namelijk HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:563, NJ 2018/142, m.nt. F.M.J. Verstijlen ( […] /Eshuis en Ubbens q.q.), rov. 3.4.1 slot, HR 15 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3149, NJ 2018/194, m.nt. F.M.J. Verstijlen (Roeffen q.q./Ontvanger), rov. 3.3.5, en HR 4 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:833, NJ 2021/233 (Ridderkerk/Heijnen q.q.), m.nt. F.M.J. Verstijlen, rov. 2.6.2. In HR 19 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:56, NJ 2024/43, rov. 3.2 en HR 13 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:239, NJ 2026/92, m.nt F.M.J. Verstijlen, rov. 3.2.3, wordt naar rov. 3.7.1 van het arrest […] /Tideman q.q. verwezen.


Zie voor andere voorbeelden Wessels Insolventierecht VII 2021/7089.


Zie voor andere voorbeelden Wessels Insolventierecht VII 2021/7094f en 7095.


Zie hierover ook Wessels Insolventierecht VII 2021/7094g-h.


Vgl. bijv. A. Steneker & A.J. Tekstra, De negatieve boedel, Deventer: Wolters Kluwer 2025, par. 2.7.1, M.J.M. Franken, Het insolventiepassief, Deventer: Wolters Kluwer 2019, par. 7.5.1.4, en F.M.J. Verstijlen & M.H.M. van Oers, Kwalificatie van schulden in faillissement en fiscus, WFR 2022/37.


Aangenomen wordt dat de loonbelasting ten aanzien van loon als bedoeld in art. 40 Fw ook onder die bepaling valt, omdat het in die bepaling gaat om het brutoloon. Vgl. A. Steneker & A.J. Tekstra, De negatieve boedel, Deventer: Wolters Kluwer 2025, par. 2.7.5.


HR 15 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3149, NJ 2018/194, m.nt. F.M.J. Verstijlen (Roeffen q.q./Ontvanger), rov. 3.3.5-3.4.3 (“Omdat in de hiervoor (…) vermelde gevallen steeds sprake is van verkoop en levering als gevolg van parate executie door de pandhouder, kan niet worden gezegd dat sprake is van een rechtshandeling van de curator waaraan de verschuldigdheid van omzetbelasting is verbonden”).


Zie aldus ook A. Steneker & A.J. Tekstra, De negatieve boedel, Deventer: Wolters Kluwer 2025, 2.1.5, F.M.J. Verstijlen & M.H.M. van Oers, Kwalificatie van schulden in faillissement en fiscus, WFR 2022/37, onder 5.2, Wessels Insolventierecht VII 2021/7100, en Wessels Insolventierecht II 2019/2262.


Vgl. kennelijk in die zin A. Steneker & A.J. Tekstra, De negatieve boedel, Deventer: Wolters Kluwer 2025, par. 2.7.1-2.7.2, en F.M.J. Verstijlen & M.H.M. van Oers, Kwalificatie van schulden in faillissement en fiscus, WFR 2022/37, onder 5. Zie voor de ruime opvatting van ‘aangaan’ in dit verband ook Wessels Insolventierecht VII 2021/7095 (niet specifiek m.b.t. belastingschulden) en Wessels Insolventierecht II 2019/2260 (wel specifiek m.b.t. belastingschulden).


Vgl. in deze zin ook A. Steneker & A.J. Tekstra, De negatieve boedel, Deventer: Wolters Kluwer 2025, par. 2.7, en F.M.J. Verstijlen & M.H.M. van Oers, Kwalificatie van schulden in faillissement en fiscus, WFR 2022/37, die verschillende soorten belastingen onder de loep nemen, met andere uitkomsten tot gevolg.


In dit geval gaat het om beide soorten belasting. Zie de aanslagen, die de gemeente als gezegd heeft overgelegd als productie 4 bij de inleidende dagvaarding.


Zie over het rechtskarakter van de OZB en de kritiek daarop nader M.P. van der Burg e.a., Compendium Gemeentelijke belastingen en de Wet WOZ, Deventer: Wolters Kluwer 2026, par. 3.3, en J.C. Scherff, in: De Gemeentewet en haar toepassing, art. 220 Gemeentewet, aant. 2.1 (actueel t/m 26 januari 2026).


M.P. van der Burg e.a., Compendium Gemeentelijke belastingen en de Wet WOZ, Deventer: Wolters Kluwer 2026, par. 3.4.2 en 3.10.


M.P. van der Burg e.a., Compendium Gemeentelijke belastingen en de Wet WOZ, Deventer: Wolters Kluwer 2026, par. 13.4-13.10, en J.C. Scherff, in: De Gemeentewet en haar toepassing, art. 228 Gemeentewet, aant. 2.1 en 2.3 (actueel t/m 10 februari 2024), waarin ook wordt ingegaan op verschillende ‘smaken’ die daarin mogelijk zijn.


De voorwerpen waar het in deze zaak om gaat, zijn kennelijk onderdelen van de centrale. Zie de aanslag, die als gezegd is overgelegd als productie 4 bij de inleidende dagvaarding.


Vgl. in dezelfde zin Wessels Insolventierecht II 2019/2263, A. Steneker & A.J. Tekstra, De negatieve boedel, Deventer: Wolters Kluwer 2025, par. 2.7.5, M.J.M. Franken, Het insolventiepassief, Deventer: Wolters Kluwer 2019, par. 10.4.1, en I.E.J. Bakker en A.J. Tekstra in hun hiervoor in voetnoten 4 en 5 genoemde noten onder de uitspraken van rechtbank en hof in deze zaak.


Kennelijk denken W.J.P. Jongepier, in zijn noot onder Rb. Amsterdam 8 december 2021, in JOR 2023/15, onder 7, en B.F.M. Vulto, Het fixatiebeginsel in het faillissementsrecht (diss. Nijmegen), Deventer: Wolters Kluwer 2026, par. 9.9.7, slot, die naar Jongepier verwijst, hieraan.


Zie uitvoerig over het geval dat sprake is van een zakelijke last die op de betrokken zaak als zodanig rust, mijn conclusies in de zaken 23/00045 en 24/02505, ECLI:NL:PHR:2023:1037, NJ 2024/43, en ECLI:NL:PHR:2025:786, NJ 2025/291, onder respectievelijk 3.6 e.v. (specifiek m.b.t. de erfpachtcanon) en 3.7-3.14 (meer algemeen).


Zie voor dat laatste HR 19 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:56, NJ 2024/43. De in de vorige voetnoot als eerste genoemde conclusie is genomen voor dit arrest.


Vgl. de vaststelling van het standpunt van de gemeente door het hof in rov. 6.15.


Vgl. bijv. GS Faillissementswet, art. 98 Fw, aant. 1 (F.M.J. Verstijlen, actueel t/m 16-06-2025) en Wessels Insolventierecht IV 2020/4375. Eventueel kunnen ook belangen van maatschappelijke aard een rol spelen, maar dat is in deze zaak niet aan de orde en kan hier dus verder onbesproken blijven.


Voor het geval de boedel in staat van insolventie verkeert (zie voor die staat art. 173 lid 1 Fw), bevat de afdeling over de vereffening van de boedel sinds 1925 een aantal aanvullende bepalingen over voortzetting van het bedrijf (de art. 173a-175 Fw), die hier niet van belang zijn en daarom verder onbesproken blijven.


Kamerstukken II 1923/24, 334, nr. 3, p. 2. Met insolventie is in dit citaat dus bedoeld de vorige voetnoot genoemde toestand die intreedt op grond van art. 173 lid 1 Fw.


Vgl. bijv. Wessels Insolventierecht IV 2020/4376, F.M.J. Verstijlen, GS Faillissementswet, art. 98 Fw, aant. 6 (actueel t/m 16 juni 2025) en B. Rikkert, 'Een voorstel tot herijking van de voortzetting in faillissement', in: Ph.W. Schreurs e.a. (red.), De curator en het faillissementsproces(recht) 2020/16.4.


HR 15 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3149, NJ 2018/194, m.nt. F.M.J. Verstijlen (Roeffen q.q./Ontvanger), rov. 3.4.5.


Vgl. eerder al in dezelfde zin – nog voor het arrest […] / Tideman q.q. – m.b.t. een voortzetting van het bedrijf tijdens een surseance van betaling HR 22 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6123, NJ 2011/113 m.nt. P. van Schilfgaarde (instemming van bewindvoerder met voortzettingshandelingen constitueert boedelschuld).


Vgl. bijv. Asser Procesrecht/Verstijlen 11 2025/211.


Van der Feltz I, p. 361-362.


Zie aldus enigszins tussen neus en lippen door Kamerstukken II 1933/34, 424, nr. 3, p. 5 en 9, in de eerste plaats bij art. 228 lid 2 Fw (“De bepaling is, in afwijking van het geldende art. 230, zoodanig gesteld, dat een twijfelpunt nopens onrechtmatige daden niet bestaat. Art. 24 Fw wordt dienovereenkomstig gewijzigd”). De wetgever achtte dus ook ‘aangaan’ buiten rechtshandeling mogelijk.


Vgl. m.n. HR 14 december 1984, ECLI:NL:HR:1984:AG4920, NJ 1985/288, m.nt. W.C.L. van der Grinten (Floritex), rov. 3.2 (verbintenis uit onverschuldigde betaling). Vgl. voorts bijv. F.M.J. Verstijlen, Ongerechtvaardigde verrijking en insolventie, in het bijzonder ongerechtvaardigde verrijking van de faillissementsboedel, Deventer: Wolters Kluwer 2025, par. 4.3.3, en W.L.P.A. Molengraaff & C.W. Star Busmann, De Faillissementswet, Zwolle: Tjeenk Willink 1951, p. 179, voetnoot 1.


Vgl. bijv. Wessels Insolventierecht II 2019/2256, F.M.J. Verstijlen, Ongerechtvaardigde verrijking en insolventie, in het bijzonder ongerechtvaardigde verrijking van de faillissementsboedel, Deventer: Wolters Kluwer 2025, par. 4.3.3, F.P. van Koppen, Actio Pauliana en onrechtmatige daadvordering (diss. Tilburg), Deventer: Kluwer 1998, p. 224-226, en M.J.M. Franken, Het insolventiepassief, Deventer: Wolters Kluwer 2019, par. 7.4.6.2.


Wessels Insolventierecht II 2019/2260.


Vgl. bijv. GS Faillissementswet, art. 24 Fw, aant. 3 (B. Rikkert, actueel t/m 28-01-2026) en Wessels Insolventierecht II 2019/2257 en 2260. Vgl. ook Polak/Pannevis, Insolventierecht 2026, par. 4.3.3, en M.J.M. Franken, Het insolventiepassief, Deventer: Wolters Kluwer 2019, par. 7.4.6.2.


Deze voorbeelden worden genoemd in Wessels Insolventierecht II 2019/2256. Zie voor verdere uitwerking daarvan bijv. M.J.M. Franken, Het insolventiepassief, Deventer: Wolters Kluwer 2019, par. 7.4.6.2.


Vgl. bijv. GS Faillissementswet, art. 24 Fw, aant. 3 (B. Rikkert, actueel t/m 28-01-2026), Wessels Insolventierecht II 2019/2259, en T&C Insolventierecht, commentaar op art. 24 Fw, aantek. 3 (F.M.J. Verstijlen, actueel t/m 01-04-2026).


Het subonderdeel verwijst in de voetnoten 7-11 naar de dagvaarding, nrs. 1.6-1.7, 2.2, 3.3, de pleitnota van de gemeente van 26 januari 2023, nrs. 14-21, de memorie van grieven, nrs. 2.7-2.8, 4.9-4.12, en de pleitnota van de gemeente van 4 maart 2025, nrs. 2.1, 2.6 en 2.10.


Het subonderdeel verwijst in voetnoot 12 naar de dagvaarding, nrs. 2.2-2.3, de pleitnota van de gemeente van 26 januari 2023, nr. 17, de memorie van grieven, nrs. 4.9-4.12, en de pleitnota van de gemeente van 4 maart 2025, nrs. 2.2-2.6.


Het subonderdeel verwijst daarbij in voetnoot 16 en 17 naar de dagvaarding, nr. 3.6, de memorie van grieven, nr. 4.15, en de pleitnota van de gemeente van 4 maart 2025, nr. 2.8-2.10.


Het subonderdeel verwijst hiervoor in voetnoot 18 naar de memorie van grieven, nrs. 4.31-4.34, en de pleitnota van de gemeente van 4 maart 2024, nrs. 3.1-3.3.


Zie haar schriftelijke toelichting onder 5.2-5.3.


Vgl. daarover bijv. Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/207.


HR 4 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:833, NJ 2021/233 (Ridderkerk/Heijnen q.q.), m.nt. F.M.J. Verstijlen, rov. 2.6.2.


HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1994, NJ 2022/49, m.nt. F.M.J. Verstijlen (Paperlinx).