Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Parket bij de Hoge Raad

ECLI:NL:PHR:2026:774

2026-08-18 Strafrecht 24/04250
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Uitspraakdatum
2026-08-18
Publicatiedatum
2026-08-16
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
—
Zaaknummer
24/04250
Type
Conclusie
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

-

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (16.851 tekens)
PROCUREUR-GENERAAL


BIJ DE


HOGE RAAD DER NEDERLANDEN


Nummer 24/04250

Zitting 18 augustus 2026



CONCLUSIE



D.J.C. Aben




In de zaak




[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
hierna: de verdachte




Inleiding

1. De verdachte is bij arrest van 12 november 2024 (parketnr. 21-004050-21) door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wegens "Overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 6.2 Waterwet, opzettelijk begaan, strafbaar gesteld bij artikel 6 van de Wet op de economische delicten", veroordeeld tot een geldboete van vijfhonderd euro, subsidiair tien dagen hechtenis.

2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J. Kuijper, advocaat in Amsterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld dat zich met twee deelklachten tegen de bewezenverklaring richt.



Bewezenverklaring en bewijsvoering

3. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat:



“hij op 27 maart 2020, te [plaats], in de gemeente [gemeente] opzettelijk stoffen, te weten afvalwater, heeft gebracht in een oppervlaktewaterlichaam, terwijl:


a. een daartoe strekkende vergunning niet was verleend door Onze Minister dan wel het bestuur van het betrokken waterschap en


b. daarvoor geen vrijstelling was verleend bij of krachtens algemene maatregel van bestuur en


c. artikel 6.3 van de Waterwet niet van toepassing was, immers heeft hij, verdachte, vanuit een (oude) mestkelder, (zuurstofloos) afvalwater met een slang in de bermsloot, welke is aangesloten op Waterloop WL01111 (beneden Saalveldermedenleiding) gepompt.”



4. De bewezenverklaring is gegrond op de volgende bewijsmiddelen:


“1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van overtreding van Waterschap Vechtstromen, proces-verbaalnummer 270320201645053979, d.d. 15 juli 2020, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beide buitengewoon opsporingsambtenaar domein milieu, welzijn en infrastructuur, p. 1-3, voor zover inhoudende, als relaas van de verbalisanten:




Overtredingsgegevens / waarneming


Datum: 27-03-2020


Omstreeks: 16:45 uur


Plaats: [plaats]


Gemeente: [gemeente]


(…)


Op vrijdag 27 maart 2020 omstreeks 15.30 uur kregen wij een melding dat aan de [a-straat] te [plaats] ter hoogte van huisnummer […] bruin water werd geloosd vanuit een blauwe buis/slang op het oppervlaktewater. Omstreeks 16.30 uur waren wij ter plaatse. Wij zagen op de talud van de bermsloot ter hoogte van [a-straat] nummer […] te [plaats] een blauwe slang liggen. Wij zagen bruin visueel verontreinigd water vanuit de slang komen. De bermsloot is aangesloten op waterloop WL01111 (Beneden Saalveldermedenleiding), en is dus een oppervlaktewaterlichaam in de zin van de Waterwet.


De mate van geleidbaarheid geeft een indicatie van de vervuiling van het water. De Ph was 8,0. Vervolgens vulden wij een emmer met het water uit de blauwe slang. Wij namen een ABC-monster van dit afvalwater.


De man kwam aanlopen en stelde zich voor als [verdachte], de eigenaar. Ik, [verbalisant 2], hoorde hem zeggen: De kelder onder de voormalige veestal is volgelopen met regenwater. Wij willen deze als hemelwateropvang gaan gebruiken, maar voor de aansluiting van de buizen moet eerst het niveau in de kelder worden verlaagd. De heer [verdachte] schoof een de ijzeren putdeksel aan de kant. In de mestkelder lag een dompelpomp, die het water middels een blauwe slang wegpompte naar de sloot. Ons was ook bekend dat voor afpompen van dergelijk afvalwater naar oppervlaktewater geen vergunning wordt verleend.


Wij hadden een ABC-monster genomen. Het monster A hebben wij verzegeld en verzonden naar laboratorium Aqualysis in Zwolle.





Analyse uitslag


De analyse uitslag geeft aan dat het afvalwater betreft, dat sterk zuurstof onttrekkend water is, en wat reeds zuurstofloos is. Daarnaast bevat het afvalwater veel chloride, zwavel, fosfor en gebonden stikstof en ammonium. De analyse-uitslag is in de bijlage opgenomen. De parameters komen overeen met mest in een zeer verdunde vorm.





2. Een schriftelijk bescheid, zijnde een analyserapport, opgenomen als bijlage op p. 13 van het hiervoor aangehaalde proces-verbaal:


(…)





3. Het proces-verbaal van verhoor getuige door de raadsheer-commissaris bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, d.d. 30 maart 2023, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige]:





U raadsheer-commissaris vraagt mij of ik me de voorwaarden van de verkoop nog herinner. Bij de mestkelder is het een standaardverhaal, die moeten leeg zijn bij oplevering. Hier is ook leeg opgeleverd, daar was ik bij toen het opgeleverd werd. De mestkelder is dan ‘zuigleeg’. Dat was toen de term. Er kan een dikke fractie bezinksel achterblijven.


Ik ben zelfstandige, ik heb een kantoor aan huis, ik doe zakelijk vastgoed, onteigeningswerk. U vraagt mij of ik bij dit huis alleen heb gewerkt. Ja. Alleen als aankoopmakelaar.


U vraagt mij of ik me kan herinneren wat de afspraken waren voor de oplevering van het huis in kwestie. Schoon, ontruimd, en de kelders zuigleeg. Dat is een standaardafspraak die ik maak bij dit soort opleveringen, dat is door de jaren heen niet veranderd.


Je krijgt nooit alles uit een gierkelder. Als de kelder aan de voorkant leeg hebt, dan kan er achter afhankelijk van de lengte van de kelder achterin nog wel 25 centimeter staan, dat kun je niet zien. Gemiddeld kan er 10 tot 15 centimeter in staan. Dit is ook afhankelijk van het verloop van de vloer van de kelder. Daar gaan kopers vervolgens mee akkoord.





4. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van het gerechtshof Arnhem- Leeuwarden op 29 oktober 2024, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte:





Om de watertoevoer in stand te houden moest ik een aansluiting maken en daarvoor moest ik het waterpeil in de kelder laten zakken. Ik pompte daarom water vanuit de voormalige mestkelder en loosde dat in de sloot.”


5. Het hof heeft verder het volgende overwogen:


“Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat niet bewezen kan worden dat verdachte opzettelijk afvalwater in het oppervlaktewaterlichaam heeft gebracht. De raadsvrouw heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte, nadat hij de pomp had aangesloten, slechts helder water uit de kelder zag komen. Dat het water later, nadat verdachte was weggelopen, kennelijk donkerder van kleur is geworden en verontreinigende stoffen bleek te bevatten, maakt dat niet anders. Verdachte wist ook niet dat zich ergens in de mestkelder nog resten van mest bevonden die het in de kelder verzamelde regenwater konden bevuilen. Bij de oplevering in 2002 heeft verdachte ook niet van de makelaar vernomen dat de kelders zuigleeg waren, dan wel is aan hem niet uitgelegd dat zuigleeg betekent dat er nog 10 tot 15 centimeter mest op de bodem van de kelder kon liggen. Bovendien moet de zware mest zich op de bodem van de kelder hebben bevonden. Er was daarom ook geen sprake van een aanmerkelijke kans dat er mest met het regenwater zou meekomen. Van voorwaardelijk opzet is daarom ook geen sprake.




Oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat de namens verdachte gevoerde verweren strekkende tot vrijspraak en ontslag van rechtsvervolging, van het tenlastegelegde worden weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.





Ten aanzien van de door de raadsvrouw gevoerde verweren overweegt het hof als volgt:





Verdachte is in 2022 [bedoeld zal zijn: 2002, D.A.] in een landelijke omgeving komen te wonen, waar mestkelders een bekend verschijnsel zijn. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij water heeft opgepompt uit de voormalige mestkelder en dat hij dit in de sloot heeft geloosd. Naar het oordeel van het hof is de kans dat zich in een voormalige mestkelder nog mestresten vinden en dat die, bij vermenging met water, loskomen en oplossen aanmerkelijk. Dat volgt ook uit de verklaring van makelaar [getuige], die op verzoek van de verdediging bij de raadsheer-commissaris is gehoord. Uit die verklaring volgt dat het zuigleeg opleveren de standaardafspraak is bij opleveren. Omdat een mestkelder nooit helemaal leeg te krijgen is, betekent dit dat er een dikke fractie bezinksel achterblijft, gemiddeld nog 10 tot 15 centimeter mest. Door de kelder (gedeeltelijk) leeg te pompen en het water af te voeren op de sloot zonder daarop toezicht te houden, heeft verdachte de aanmerkelijke kans dat hij verontreinigd water loosde aanvaard.




Dat, zoals de verdediging heeft aangevoerd, niet kan worden vastgesteld dat het opzet van verdachte ook was gericht op het niet hebben van een vergunning staat aan een bewezenverklaring niet in de weg. Voor een bewezenverklaring van opzet bij economische, delicten is niet vereist dat de dader opzet had op de wederrechtelijkheid van zijn handelen.





Op grond van het voorgaande acht het hof bewezen dat verdachte opzettelijk afvalwater in een oppervlaktewaterlichaam heeft gebracht, terwijl geen daartoe strekkende vergunning en/of vrijstelling was verleend.”




De klachten van het middel

6. Het middel bevat twee deelklachten. Aangevoerd wordt dat

a) de feiten en omstandigheden die het hof heeft ontleend aan de verklaring van [getuige] niet uit diens (voor het bewijs gebezigde) verklaring volgen en het hof die verklaring dus heeft gedenatureerd;
b) de bewezenverklaring van het (voorwaardelijk) opzet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting of onbegrijpelijk is.




De bespreking van het middel



De verklaring van [getuige]



7. De voor het bewijs gebruikte verklaring van [getuige] houdt onder meer in dat een mestkelder leeg moet zijn bij de oplevering. De mestkelder is dan ‘zuigleeg’, wat betekent dat er een dikke fractie bezinksel kan achterblijven. Schoon, ontruimd en de kelders ‘zuigleeg’ is een standaardafspraak die hij maakt bij dit soort opleveringen. Je krijgt (namelijk) nooit alles uit een gierkelder. Als de kelder aan de voorkant leeg is, kan er achter nog wel 25 centimeter staan, dat kan je niet zien. Gemiddeld kan er 10 tot 15 centimeter staan, dit is afhankelijk van het verloop van de vloer van de kelder, aldus verklaarde [getuige].

8. Het hof heeft geoordeeld de kans dat zich in een voormalige mestkelder nog mestresten vinden en dat die, bij vermenging met water, loskomen en oplossen aanmerkelijk is en dat dat ook volgt uit de verklaring van [getuige]. Uit die verklaring volgt, aldus het hof, dat het zuigleeg opleveren de standaardafspraak is bij opleveren. Omdat een mestkelder nooit helemaal leeg te krijgen is, betekent dit dat er een dikke fractie bezinksel achterblijft, gemiddeld nog 10 tot 15 centimeter mest.

9. De overweging van het hof over de aanwezigheid van een aanmerkelijke kans dat mestresten in de kelder, bij vermenging met water, loskomen en oplossen, blinkt niet uit in helderheid. Uit de weergave van de verklaring van [getuige], die overigens overeenkomt met de inhoud van diens voor het bewijs gebruikte verklaring, volgt m.i. weliswaar dat er een aanmerkelijke kans was dat er nog mestresten in de mestkelder aanwezig waren nadat deze ‘zuigleeg’ aan de verdachte was opgeleverd. Maar uit diens voor het bewijs gebruikte verklaring volgt niet dat de kans ook aanmerkelijk was dat die mestresten bij vermenging met water zouden loskomen en in dat water zouden oplossen, en dat de verdachte dus door de kelder leeg te pompen en het water af te voeren op de sloot de aanmerkelijke kans aanvaardde dat hij verontreinigd water loosde. In zoverre wordt hierover terecht geklaagd.

10. Desondanks hoeft dat niet tot cassatie te leiden. Immers kon het hof dat oordeel wel baseren op de niet voor het bewijs gebruikte inhoud van de verklaring van [getuige], die nota bene in de schriftuur wordt geciteerd. Immers heeft [getuige] ook verklaard (mijn onderstreping):



“U raadsheer-commissaris vraagt mij of de mest zich met water mengt na 18 jaar, als de kelder met water gevuld wordt.
Nee, je pompt er kleurrijk water uit, het verkleurt een beetje, niemand wil dat water op het land hebben. Ik weet niet of dat dan ook verontreinigd water zou kunnen zijn, daar kan ik niks van zeggen. Als je het water eruit pompt dan verkleurt het niet zoveel.
Als je dit met een dompelpomp doet, dan lukt dat niet, want de dikke fractie blokkeert het dan. De dikke fractie die mogelijk achterblijft krijg je er met een simpele dompelpomp niet uit. Dan moet je het mixen, bijvoorbeeld met een hoge drukspuit.
Als zo’n kelder volloopt, met bijvoorbeeld regenwater, en je zet de giertank ervoor, dan blijft de dikke fractie nagenoeg achter.
”



11. Anders dan de steller van het middel aanvoert, heeft [getuige] dus niet verklaard dat van vermenging van mest met regenwater geen sprake is. Weliswaar heeft [getuige] verklaard dat de dikke fractie ‘nagenoeg’ achterblijft als je het water met een dompelpomp eruit pompt, maar uit zijn verklaring volgt ook dat het water wel ‘een beetje’ verkleurt. ’s Hofs oordeel dat er een aanmerkelijke kans was dat de verdachte verontreinigd water zou lozen, kon daarop gebaseerd worden. Nu de verklaring van [getuige] blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep aan de verdachte is voorgehouden en in de schriftuur geen melding is gemaakt van een rechtens te respecteren belang bij deze klacht over de toereikendheid van de bewijsvoering, kan de klacht niet tot cassatie leiden.



Het voorwaardelijk opzet; bewuste aanvaarding van een aanmerkelijke kans



12. Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte de aanmerkelijke kans dat hij verontreinigd water loosde heeft aanvaard “door de kelder (gedeeltelijk) leeg te pompen en het water af te voeren op de sloot zonder daarop toezicht te houden”. Deze conclusie volgt op het hierboven besproken oordeel dat de kans aanmerkelijk is dat zich in een voormalige mestkelder nog mestresten vinden en dat die, bij vermenging met water, loskomen en oplossen en op de weergave van de verklaring van [getuige]. Uit diens verklaring volgt ook dat de afspraken voor de oplevering van het huis in kwestie inhielden dat de kelders zuigleeg opgeleverd werden, dat ‘zuigleeg’ inhoudt dat je nooit alles uit een gierkelder krijgt en dat de kopers daarmee akkoord gaan.

13. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het hof gelet daarop geoordeeld dat de verdachte wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat er zich nog mestresten in de kelder bevonden. Daarin is ook de weerlegging te vinden van wat in hoger beroep namens de verdachte is aangevoerd, dat hij dacht dat de kelder leeg was en dat aan hem niet is uitgelegd wat de term ‘zuigleeg’ inhoudt. Met het oog op deze wetenschap van de verdachte is ook het oordeel dat de verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij verontreinigd water op de sloot zou lozen niet onbegrijpelijk. Dat oordeel getuigt bovendien niet van een onjuiste rechtsopvatting.

14. De klacht faalt en daarmee faalt het middel.



Afronding

15. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering,

16. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

17. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.


De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden



AG



Vgl. o.m. HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:202, rov 2.3.3 en 2.3.4.