Parket bij de Hoge Raad
ECLI:NL:PHR:2026:743
2026-07-24
Civiel recht; Personen- en familierecht
26/00856
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Wvggz. Zorgmachtiging. Weigering mee te werken aan medische verklaring? Verplichte vormen van zorg; tijdsduur opnemen in accommodatie.
Citeert (8)
- ECLI:NL:HR:2024:1075 Hoge Raad 12-07-2024
- ECLI:NL:HR:2024:789 Hoge Raad 31-05-2024
- ECLI:NL:HR:2026:454 Hoge Raad 20-03-2026
- ECLI:NL:HR:2026:789 Hoge Raad 22-05-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:536 Parket bij de Hoge Raad 29-05-2026
- ECLI:NL:HR:2026:1226 Hoge Raad 10-07-2026
- ECLI:NL:HR:2023:1460 Hoge Raad 13-10-2023
- ECLI:NL:HR:2020:1509 Hoge Raad 25-09-2020
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (18.615 tekens)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 26/00856
Zitting 24 juli 2026
CONCLUSIE
B.J. Drijber
In de zaak van
[betrokkene]
,
verzoeker tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: mr. G.E.M. Later,
tegen
Officier van Justitie in het Arrondissementsparket Rotterdam,
verweerder in cassatie,
hierna: de Officier van Justitie,
niet verschenen.
1Inleiding en samenvatting
1.1
In deze zaak klaagt betrokkene dat de medische verklaring niet is opgesteld op basis van een onderzoek in persoon. De rechtbank heeft geoordeeld dat betrokkene, net als bij eerdere gelegenheden, niet in contact wilde komen met een onafhankelijk psychiater. Volgens het middel zou de psychiater drie pogingen hebben moeten ondernemen om betrokkene te spreken te krijgen. Het oordeel van de rechtbank acht ik juist en niet onbegrijpelijk.
1.2
Voorts klaagt betrokkene dat na enkele jaren van behandeling in ambulant kader er geen grond is om het opnemen in een accommodatie toe te staan. De rechtbank heeft gemotiveerd waarom verplichte opname noodzakelijk is en bovendien bepaald dat voor iedere opname een maximale duur van één maand geldt. Ook deze klacht slaagt m.i. niet.
2Feiten en procesverloop
2.1
Bij beschikking van 6 februari 2025 heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend voor de duur van twaalf maanden, tot en met 6 februari 2026.
2.2
Bij verzoekschrift van 15 december 2025 met bijlagen heeft de Officier van Justitie een verzoek ingediend bij de rechtbank om ten aanzien van betrokkene een (aansluitende) zorgmachtiging te verlenen, opnieuw voor de duur van twaalf maanden.
2.3
Op 5 januari 2026 is de zaak mondeling behandeld bij de rechtbank. Aanwezig waren betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat, en daarnaast de behandelaar en een verpleegkundige, beiden verbonden aan Antes.
2.4
Bij (mondeling gegeven) beschikking van 5 januari 2026 (hierna: de bestreden beschikking) heeft de rechtbank ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend voor de duur van twaalf maanden, tot en met 5 januari 2027. Deze beschikking is op 13 januari 2026 schriftelijk uitgewerkt.
2.5
Ten aanzien van de vormen van verplichte zorg heeft de rechtbank het volgende overwogen (cursivering in het origineel, onderstreping toegevoegd; A-G):
“2.7. De in het verzoekschrift opgenomen vormen van verplichte zorg zijn gebaseerd op de medische verklaring, het zorgplan en de bevindingen van de geneesheer-directeur. Deze vormen van verplichte zorg zijn door de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling besproken. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de volgende vormen van verplichte zorg noodzakelijk om het ernstig nadeel af te wenden:
- het toedienen van medicatie, alsmede het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;
- het beperken van de bewegingsvrijheid (zie rechtsoverweging 2.7.1.);
- het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, inhoudende het accepteren en nakomen van ambulante behandelafspraken;
- het opnemen in een accommodatie (zie rechtsoverweging 2.7.1.).
2.7.1.
Ten aanzien van de opname in een accommodatie, en de bijbehorende beperking van de bewegingsvrijheid, bepaalt de rechtbank nog het volgende. Gedurende de looptijd van deze zorgmachtiging zijn meer opnames mogelijk. Voor iedere opname van betrokkene geldt echter een maximale duur van één maand. Indien een langere opname noodzakelijk lijkt, moet een wijziging van de zorgmachtiging worden gevraagd.”
2.6
De rechtbank heeft voorts het volgende overwogen:
“2.8.1. De rechtbank verwerpt het verweer dat de advocaat namens betrokkene heeft gevoerd, te weten dat betrokkene het zat is om verplichte zorg te moeten ontvangen. Betrokkene vindt dat het al lang genoeg heeft geduurd. De wens van betrokkene om geen zorgmachtiging meer te hebben, weegt naar het oordeel van de rechtbankechter niet op tegen het risico van de schade die betrokkene en anderen zullen oplopen wanneer hij geen medicamenteuze behandeling meer ontvangt. (…).
2.8.2.
Uit de stukken blijkt verder dat bij het bepalen van de juiste zorg rekening is gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene maatschappelijk aan het leven te bevorderen, alsmede met de veiligheid van betrokkene.”
2.7
Op 12 maart 2026 is namens betrokkene (tijdig) beroep in cassatie ingesteld. De Officier van Justitie heeft geen verweer gevoerd.
3Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
Het middel omvat twee onderdelen. Het eerste onderdeel klaagt dat de overgelegde medische verklaring niet is opgesteld op basis van een medisch onderzoek in persoon. Het tweede onderdeel keert zich tegen de hiervoor geciteerde rov. 2.7 en 2.7.1 en gaat over de door de rechtbank toegestane verplichte vormen van zorg.
Onderdeel 1: medische verklaring niet gebaseerd op een onderzoek in persoon
3.2
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking het volgende overwogen met betrekking tot de door overgelegde medische verklaring (onderstreping toegevoegd; A-G):
“2.2. Gezien het feit dat betrokkene voor het opstellen van de medische verklaring niet persoonlijk is onderzocht, acht de rechtbank het noodzakelijk om, voorafgaande aan de inhoudelijke beoordeling van het verzoek, in te gaan op de pogingen die door de onafhankelijk psychiater zijn gedaan om betrokkene persoonlijk te onderzoeken. In de medische verklaring ontbreekt namelijk een uitgebreide toelichting daaromtrent.
2.2.1.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de behandelaar desgevraagd verklaard dat betrokkene tijdig op de hoogte is gesteld van het onderzoek door de onafhankelijk psychiater. Betrokkene heeft daarop aangegeven dat hij niet met de onafhankelijk psychiater wilde spreken. Desondanks is gepoogd om betrokkene thuis te spreken. Betrokkene was echter op het aangekondigde moment niet aanwezig. Voor het opstellen van eerdere medische verklaringen, in 2024 en 2025, was het, ondanks verscheidene pogingen, eveneens niet mogelijk om betrokkene bereid te vinden zich persoonlijk te laten onderzoeken. Daarbij komt dat toen het onderwerp werd besproken tijdens de mondelinge behandeling, betrokkene niet heeft gevraagd alsnog met een onafhankelijk psychiater te kunnen spreken.
2.2.2.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de medische verklaring bruikbaar is voor de verdere beoordeling van het verzoek, ondanks dat geen persoonlijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Zij verwerpt daarmee het verweer van betrokkene dat de onafhankelijk psychiater meer pogingen had moeten doen om hem te spreken.”
3.3
Het onderdeel klaagt dat de rechtbank niet op de in rov. 2.2 en rov. 2.2.1 genoemde gronden in rov. 2.2.2 heeft kunnen concluderen dat de overgelegde medische verklaring bruikbaar is hoewel geen persoonlijk onderzoek heeft plaatsgevonden, en dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het verweer van betrokkene dat de onafhankelijk psychiater meer pogingen had moeten doen om hem te spreken, niet opgaat.
3.4
In de toelichting onder 1.2 en 1.3 staat, samengevat, dat meer had moet worden gedaan om toch een onafhankelijk psychiatrisch onderzoek te krijgen. Nu dat niet is gebeurd, kon de rechtbank er niet van uitgaan dat betrokkene heeft geweigerd aan een (fysiek) onderzoek mee te werken. Tijdens de mondelinge behandeling is gesproken over de totstandkoming van de medische verklaring. Op de vraag van de rechter of betrokkene de onafhankelijk psychiater, die hem had benaderd voor het onderzoek, had willen spreken, heeft betrokkene geantwoord: ‘De medicatie is niet de oplossing’. Op de vervolgvraag van de rechter of hij als hij thuis was de onafhankelijk psychiater had willen spreken, antwoordde betrokkene:
“Als het nut heeft. Maar hij kent je niet en heeft toch een oordeel over je. Ik heb dan liever iemand die mij elke week spreekt. Het is een momentopname. Er komt dan iets uit wat niet de bedoeling was. Hij kent me niet. Ik heb liever een psychiater die me goed kent. Dat die me beoordeelt.”
3.5
In de toelichting onder 1.4 wijst het onderdeel erop dat verzoeker heeft gezegd dat de psychiater hem één keer benaderd heeft. Het onderdeel voegt daar aan toe: ‘Het zou drie keer moeten’. Volgens de toelichting was het in de vorige jaren ook zo gegaan en is er onvoldoende geprobeerd om een actuele medische verklaring te krijgen.
3.6
Ik meen dat de klacht niet slaagt. Volgens vaste rechtspraak dient de onafhankelijke psychiater het wettelijk voorgeschreven medische onderzoek in beginsel aldus te verrichten dat hij de betrokkene in een direct contact, dat wil zeggen: in diens fysieke aanwezigheid, spreekt en observeert. Dit is slechts anders indien dat redelijkerwijs niet mogelijk is. Daarbij kan het bijvoorbeeld gaan om een weigering van de betrokkene om aan een onderzoek mee te werken, maar ook andere omstandigheden kunnen meebrengen dat onderzoek in fysieke aanwezigheid van de betrokkene niet of slechts beperkt mogelijk is. In die gevallen zal, met het oog op de beoogde maatregel, steeds op de best mogelijke manier moeten worden getracht inzicht te verkrijgen in de actuele gezondheidstoestand van de betrokkene en de noodzaak tot het treffen van de beoogde maatregel ten aanzien van de betrokkene.
3.7
Wanneer de betrokkene niet meewerkt aan het medisch onderzoek moet de onafhankelijke psychiater in de medische verklaring deugdelijk motiveren waarom de betrokkene niet in diens fysieke aanwezigheid kon worden onderzocht. De psychiater dient in zijn medische verklaring dus te verantwoorden waarom onderzoek in fysieke aanwezigheid van de betrokkene redelijkerwijs niet mogelijk of niet verantwoord was, voor welk alternatief hij heeft gekozen en op welke gronden hij tot de slotsom is gekomen dat aan de vereisten voor verlening van verplichte zorg is voldaan. De rechtbank moet daarna beoordelen of de verzochte machtiging op grond van de medische verklaring, ondanks het feit dat het onderzoek niet in direct contact heeft plaatsgevonden, kan worden verleend.
3.8
In het licht van de omstandigheden van dit geval is het oordeel van de rechtbank dat de medische verklaring bruikbaar is ondanks het ontbreken van een voorafgaand persoonlijk onderzoek naar mijn mening niet onjuist of onbegrijpelijk. Ik licht dat toe.
3.9
Op blz. 2 van de medische verklaring staat het volgende vermeld:
“2. Betrokkene is tijdig door zijn behandelaren geïnformeerd over deze beoordeling en heeft aan hen te kennen gegeven dat hij geen reden ziet om met onderzoeker in gesprek te gaan. Vanuit het dossier blijkt dat betrokkene voor de medische verklaringen van 08-02-2024 en van 16-01-2025 niet bereid was om met een onafhankelijk psychiater in gesprek te gaan. Na overleg met de Geneesheer-Directeur omtrent huidige beoordeling is besloten de medische verklaring te schrijven zonder dat betrokkene gesproken is.”
Bij de mondelinge behandeling heeft de rechter naar aanleiding van deze passage aan de behandelaar gevraagd hoe dat bij de eerdere verklaringen is gegaan. Deze antwoordde:
“Dat was gedaan door mijn collega. Toen zei hij (betrokkene): ik hoef niet met diegene te spreken. Maar we zijn er toch met de psychiater naartoe gegaan en hebben er voor de deur gestaan en gewacht. Begin januari 2025 en in 2024 ging het alle keren hetzelfde. Dat hij wel op de hoogte was, maar niet aanwezig was als we langskwamen.”
3.10
Uit deze verklaringen blijkt dat betrokkene stelselmatig weigert om met een onafhankelijke psychiater in gesprek te gaan en daarvoor (principiële) redenen zegt te hebben. Hij wil niet alleen geen fysiek onderzoek, maar helemaal contact (dus bijvoorbeeld ook niet via beeldbellen). Het ging hem ook niet om de psychiater in kwestie. Betrokkene heeft dit ter zitting bevestigd omdat hij verklaarde geen vertrouwen te hebben in een psychiater die hem niet kent maar die wel over hem oordeelt (zie hiervoor, 3.4). Betrokkene ziet de onafhankelijkheid (en de daarbij behorende afstand) van de psychiater kennelijk niet als een waarborg maar eerder als voor hem potentieel nadelig. In die omstandigheden was de kans dat betrokkene bij een volgende poging wel bereid zou kunnen zijn om met de onafhankelijk psychiater in gesprek te gaan zo klein, dat van deze redelijkerwijs niet kon worden verwacht nadere pogingen te ondernemen om betrokkene te spreken en in persoon te onderzoeken.
3.11
Dit alles hoefde de onafhankelijk psychiater er niet van te weerhouden om op basis van de informatie over de betrokkene die hij tot zijn beschikking had, onderzoek te doen naar en inzicht te verkrijgen in diens actuele toestandsbeeld. Dat blijkt een wisselend beeld, met als grote onzekere factor of betrokkene zijn medicatie inneemt. Op basis daarvan heeft de onafhankelijk psychiater zijn bevindingen kunnen neerleggen in een gemotiveerde medische verklaring die de rechtbank in staat stelde te beoordelen of ten aanzien van betrokkene een aansluitende zorgmachtiging diende te worden verleend.
Onderdeel 2: het opnemen in een accommodatie als vorm van verplichte zorg
3.12
Onderdeel 2 klaagt over de in rov. 2.7 en 2.7.1 gegeven oordelen.
3.13
De toelichting verwijst onder 2.1 naar de passage in het proces-verbaal, waaruit blijkt dat de advocaat naar aanleiding van opmerkingen van de verpleegkundige dat betrokkene vaker opgenomen is geweest en al lang onder behandeling is, onder meer het volgende opmerkt:
“Het standpunt: meneer is het helemaal zat. Al een paar jaar is hij niet opgenomen geweest. Nu is het klaar. Hij vindt het genoeg geweest ...”
Vervolgens zegt de verpleegkundige:
“... Ons standpunt is dat hij zonder gedwongen zorg geen medicatie meer zal willen innemen en dan verwachten wij dat zijn klachten zullen terugkomen ...”
3.14
Tegen deze achtergrond acht het middel het ‘volstrekt onbegrijpelijk’ dat de rechtbank ook de beperking van de bewegingsvrijheid en het opnemen in een accommodatie in de zorgmachtiging wilde opnemen.
3.15
Ik meen dat de klacht faalt. De vraag die de rechtbank moest beantwoorden is of betrokkene verplichte zorg nodig heeft en zo ja welke vormen van verplichte zorg. Dat sinds 2023 ambulante zorg had volstaan en dat betrokkene zelfstandig woont zijn geen beslissende omstandigheden voor het antwoord op de vraag of de rechter gelet op het toestandsbeeld van betrokkene op 5 januari 2026 kon besluiten dat betrokkene ook verplichte zorg nodig heeft in de vorm van het opnemen in een accommodatie en de daarbij behorende beperking van de bewegingsvrijheid. Belangrijkste overweging is dat volgens de behandelaars er meer zekerheid moet komen dat betrokkene zijn medicatie inneemt, zowel in het belang van hem zelf als van derden met wie hij in contact komt. Die zekerheid is er in ambulant kader kennelijk onvoldoende. In hetgeen door betrokkene en zijn advocaat ter zitting naar voren is gebracht hoefde de rechtbank geen aanleiding te zien om te oordelen dat, in afwijking van wat de door de behandelaar en de verpleegkundige gegeven toelichting, kon worden afgezien van het opnemen in een accommodatie.
3.16
In dat verband wijs ik er op dat de rechtbank heeft bepaald, in lijn met het vereiste van proportionaliteit van de verplichte zorg (art. 2:1 lid 3 Wvggz), dat de duur van het opnemen in een accommodatie telkens maximaal één maand mag bedragen (zie rov. 2.7.1, geciteerd in 2.5). Op die manier zou er voldoende mogelijkheid moeten zijn om het gebruik van medicatie te controleren en de toestand van betrokkene te stabiliseren, terwijl betrokkene wel zijn eigen woning kan aanhouden. De maatregel vormt daarmee het juiste middel voor het te bereiken doel. Het oordeel van de rechtbank is bovendien toereikend gemotiveerd.
4Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Zie p. 2 van het proces-verbaal van de zitting.
Zie voor de toepasselijke maatstaf: HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1075, rov, 3.2, JGz 2024/73, m.nt. G.J. Baken, onder verwijzing naar HR 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:789, NJ 2044/244, m.nt. J. Legemaate, rov. 3.3. Zie ook recent: HR 20 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:454, rov. 3.2 en HR 22 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:789 (rov. 3.2.2). Zie ook nrs. 3.6-3.7 van mijn conclusie van 29 mei 2026 in zaak 26/00669, ECLI:NL:PHR:2026:536, bij HR 10 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1226 (81 RO).
Zie o.m. HR 13 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1460, JGz 2023/66, m.nt. R.B.M. Keurentjes, rov. 3.3.
Vgl. HR 25 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1509, NJ 2020/402, m.nt. J. Legemaate, JGz 2020/79, m.nt. W.J.A.M. Dijkers, rov. 3.1.5 in verbinding met 3.1.3 van die beschikking.
Zie het proces-verbaal van de zitting, p. 4.
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 26/00856
Zitting 24 juli 2026
CONCLUSIE
B.J. Drijber
In de zaak van
[betrokkene]
,
verzoeker tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: mr. G.E.M. Later,
tegen
Officier van Justitie in het Arrondissementsparket Rotterdam,
verweerder in cassatie,
hierna: de Officier van Justitie,
niet verschenen.
1Inleiding en samenvatting
1.1
In deze zaak klaagt betrokkene dat de medische verklaring niet is opgesteld op basis van een onderzoek in persoon. De rechtbank heeft geoordeeld dat betrokkene, net als bij eerdere gelegenheden, niet in contact wilde komen met een onafhankelijk psychiater. Volgens het middel zou de psychiater drie pogingen hebben moeten ondernemen om betrokkene te spreken te krijgen. Het oordeel van de rechtbank acht ik juist en niet onbegrijpelijk.
1.2
Voorts klaagt betrokkene dat na enkele jaren van behandeling in ambulant kader er geen grond is om het opnemen in een accommodatie toe te staan. De rechtbank heeft gemotiveerd waarom verplichte opname noodzakelijk is en bovendien bepaald dat voor iedere opname een maximale duur van één maand geldt. Ook deze klacht slaagt m.i. niet.
2Feiten en procesverloop
2.1
Bij beschikking van 6 februari 2025 heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend voor de duur van twaalf maanden, tot en met 6 februari 2026.
2.2
Bij verzoekschrift van 15 december 2025 met bijlagen heeft de Officier van Justitie een verzoek ingediend bij de rechtbank om ten aanzien van betrokkene een (aansluitende) zorgmachtiging te verlenen, opnieuw voor de duur van twaalf maanden.
2.3
Op 5 januari 2026 is de zaak mondeling behandeld bij de rechtbank. Aanwezig waren betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat, en daarnaast de behandelaar en een verpleegkundige, beiden verbonden aan Antes.
2.4
Bij (mondeling gegeven) beschikking van 5 januari 2026 (hierna: de bestreden beschikking) heeft de rechtbank ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend voor de duur van twaalf maanden, tot en met 5 januari 2027. Deze beschikking is op 13 januari 2026 schriftelijk uitgewerkt.
2.5
Ten aanzien van de vormen van verplichte zorg heeft de rechtbank het volgende overwogen (cursivering in het origineel, onderstreping toegevoegd; A-G):
“2.7. De in het verzoekschrift opgenomen vormen van verplichte zorg zijn gebaseerd op de medische verklaring, het zorgplan en de bevindingen van de geneesheer-directeur. Deze vormen van verplichte zorg zijn door de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling besproken. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de volgende vormen van verplichte zorg noodzakelijk om het ernstig nadeel af te wenden:
- het toedienen van medicatie, alsmede het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;
- het beperken van de bewegingsvrijheid (zie rechtsoverweging 2.7.1.);
- het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, inhoudende het accepteren en nakomen van ambulante behandelafspraken;
- het opnemen in een accommodatie (zie rechtsoverweging 2.7.1.).
2.7.1.
Ten aanzien van de opname in een accommodatie, en de bijbehorende beperking van de bewegingsvrijheid, bepaalt de rechtbank nog het volgende. Gedurende de looptijd van deze zorgmachtiging zijn meer opnames mogelijk. Voor iedere opname van betrokkene geldt echter een maximale duur van één maand. Indien een langere opname noodzakelijk lijkt, moet een wijziging van de zorgmachtiging worden gevraagd.”
2.6
De rechtbank heeft voorts het volgende overwogen:
“2.8.1. De rechtbank verwerpt het verweer dat de advocaat namens betrokkene heeft gevoerd, te weten dat betrokkene het zat is om verplichte zorg te moeten ontvangen. Betrokkene vindt dat het al lang genoeg heeft geduurd. De wens van betrokkene om geen zorgmachtiging meer te hebben, weegt naar het oordeel van de rechtbankechter niet op tegen het risico van de schade die betrokkene en anderen zullen oplopen wanneer hij geen medicamenteuze behandeling meer ontvangt. (…).
2.8.2.
Uit de stukken blijkt verder dat bij het bepalen van de juiste zorg rekening is gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene maatschappelijk aan het leven te bevorderen, alsmede met de veiligheid van betrokkene.”
2.7
Op 12 maart 2026 is namens betrokkene (tijdig) beroep in cassatie ingesteld. De Officier van Justitie heeft geen verweer gevoerd.
3Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
Het middel omvat twee onderdelen. Het eerste onderdeel klaagt dat de overgelegde medische verklaring niet is opgesteld op basis van een medisch onderzoek in persoon. Het tweede onderdeel keert zich tegen de hiervoor geciteerde rov. 2.7 en 2.7.1 en gaat over de door de rechtbank toegestane verplichte vormen van zorg.
Onderdeel 1: medische verklaring niet gebaseerd op een onderzoek in persoon
3.2
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking het volgende overwogen met betrekking tot de door overgelegde medische verklaring (onderstreping toegevoegd; A-G):
“2.2. Gezien het feit dat betrokkene voor het opstellen van de medische verklaring niet persoonlijk is onderzocht, acht de rechtbank het noodzakelijk om, voorafgaande aan de inhoudelijke beoordeling van het verzoek, in te gaan op de pogingen die door de onafhankelijk psychiater zijn gedaan om betrokkene persoonlijk te onderzoeken. In de medische verklaring ontbreekt namelijk een uitgebreide toelichting daaromtrent.
2.2.1.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de behandelaar desgevraagd verklaard dat betrokkene tijdig op de hoogte is gesteld van het onderzoek door de onafhankelijk psychiater. Betrokkene heeft daarop aangegeven dat hij niet met de onafhankelijk psychiater wilde spreken. Desondanks is gepoogd om betrokkene thuis te spreken. Betrokkene was echter op het aangekondigde moment niet aanwezig. Voor het opstellen van eerdere medische verklaringen, in 2024 en 2025, was het, ondanks verscheidene pogingen, eveneens niet mogelijk om betrokkene bereid te vinden zich persoonlijk te laten onderzoeken. Daarbij komt dat toen het onderwerp werd besproken tijdens de mondelinge behandeling, betrokkene niet heeft gevraagd alsnog met een onafhankelijk psychiater te kunnen spreken.
2.2.2.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de medische verklaring bruikbaar is voor de verdere beoordeling van het verzoek, ondanks dat geen persoonlijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Zij verwerpt daarmee het verweer van betrokkene dat de onafhankelijk psychiater meer pogingen had moeten doen om hem te spreken.”
3.3
Het onderdeel klaagt dat de rechtbank niet op de in rov. 2.2 en rov. 2.2.1 genoemde gronden in rov. 2.2.2 heeft kunnen concluderen dat de overgelegde medische verklaring bruikbaar is hoewel geen persoonlijk onderzoek heeft plaatsgevonden, en dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het verweer van betrokkene dat de onafhankelijk psychiater meer pogingen had moeten doen om hem te spreken, niet opgaat.
3.4
In de toelichting onder 1.2 en 1.3 staat, samengevat, dat meer had moet worden gedaan om toch een onafhankelijk psychiatrisch onderzoek te krijgen. Nu dat niet is gebeurd, kon de rechtbank er niet van uitgaan dat betrokkene heeft geweigerd aan een (fysiek) onderzoek mee te werken. Tijdens de mondelinge behandeling is gesproken over de totstandkoming van de medische verklaring. Op de vraag van de rechter of betrokkene de onafhankelijk psychiater, die hem had benaderd voor het onderzoek, had willen spreken, heeft betrokkene geantwoord: ‘De medicatie is niet de oplossing’. Op de vervolgvraag van de rechter of hij als hij thuis was de onafhankelijk psychiater had willen spreken, antwoordde betrokkene:
“Als het nut heeft. Maar hij kent je niet en heeft toch een oordeel over je. Ik heb dan liever iemand die mij elke week spreekt. Het is een momentopname. Er komt dan iets uit wat niet de bedoeling was. Hij kent me niet. Ik heb liever een psychiater die me goed kent. Dat die me beoordeelt.”
3.5
In de toelichting onder 1.4 wijst het onderdeel erop dat verzoeker heeft gezegd dat de psychiater hem één keer benaderd heeft. Het onderdeel voegt daar aan toe: ‘Het zou drie keer moeten’. Volgens de toelichting was het in de vorige jaren ook zo gegaan en is er onvoldoende geprobeerd om een actuele medische verklaring te krijgen.
3.6
Ik meen dat de klacht niet slaagt. Volgens vaste rechtspraak dient de onafhankelijke psychiater het wettelijk voorgeschreven medische onderzoek in beginsel aldus te verrichten dat hij de betrokkene in een direct contact, dat wil zeggen: in diens fysieke aanwezigheid, spreekt en observeert. Dit is slechts anders indien dat redelijkerwijs niet mogelijk is. Daarbij kan het bijvoorbeeld gaan om een weigering van de betrokkene om aan een onderzoek mee te werken, maar ook andere omstandigheden kunnen meebrengen dat onderzoek in fysieke aanwezigheid van de betrokkene niet of slechts beperkt mogelijk is. In die gevallen zal, met het oog op de beoogde maatregel, steeds op de best mogelijke manier moeten worden getracht inzicht te verkrijgen in de actuele gezondheidstoestand van de betrokkene en de noodzaak tot het treffen van de beoogde maatregel ten aanzien van de betrokkene.
3.7
Wanneer de betrokkene niet meewerkt aan het medisch onderzoek moet de onafhankelijke psychiater in de medische verklaring deugdelijk motiveren waarom de betrokkene niet in diens fysieke aanwezigheid kon worden onderzocht. De psychiater dient in zijn medische verklaring dus te verantwoorden waarom onderzoek in fysieke aanwezigheid van de betrokkene redelijkerwijs niet mogelijk of niet verantwoord was, voor welk alternatief hij heeft gekozen en op welke gronden hij tot de slotsom is gekomen dat aan de vereisten voor verlening van verplichte zorg is voldaan. De rechtbank moet daarna beoordelen of de verzochte machtiging op grond van de medische verklaring, ondanks het feit dat het onderzoek niet in direct contact heeft plaatsgevonden, kan worden verleend.
3.8
In het licht van de omstandigheden van dit geval is het oordeel van de rechtbank dat de medische verklaring bruikbaar is ondanks het ontbreken van een voorafgaand persoonlijk onderzoek naar mijn mening niet onjuist of onbegrijpelijk. Ik licht dat toe.
3.9
Op blz. 2 van de medische verklaring staat het volgende vermeld:
“2. Betrokkene is tijdig door zijn behandelaren geïnformeerd over deze beoordeling en heeft aan hen te kennen gegeven dat hij geen reden ziet om met onderzoeker in gesprek te gaan. Vanuit het dossier blijkt dat betrokkene voor de medische verklaringen van 08-02-2024 en van 16-01-2025 niet bereid was om met een onafhankelijk psychiater in gesprek te gaan. Na overleg met de Geneesheer-Directeur omtrent huidige beoordeling is besloten de medische verklaring te schrijven zonder dat betrokkene gesproken is.”
Bij de mondelinge behandeling heeft de rechter naar aanleiding van deze passage aan de behandelaar gevraagd hoe dat bij de eerdere verklaringen is gegaan. Deze antwoordde:
“Dat was gedaan door mijn collega. Toen zei hij (betrokkene): ik hoef niet met diegene te spreken. Maar we zijn er toch met de psychiater naartoe gegaan en hebben er voor de deur gestaan en gewacht. Begin januari 2025 en in 2024 ging het alle keren hetzelfde. Dat hij wel op de hoogte was, maar niet aanwezig was als we langskwamen.”
3.10
Uit deze verklaringen blijkt dat betrokkene stelselmatig weigert om met een onafhankelijke psychiater in gesprek te gaan en daarvoor (principiële) redenen zegt te hebben. Hij wil niet alleen geen fysiek onderzoek, maar helemaal contact (dus bijvoorbeeld ook niet via beeldbellen). Het ging hem ook niet om de psychiater in kwestie. Betrokkene heeft dit ter zitting bevestigd omdat hij verklaarde geen vertrouwen te hebben in een psychiater die hem niet kent maar die wel over hem oordeelt (zie hiervoor, 3.4). Betrokkene ziet de onafhankelijkheid (en de daarbij behorende afstand) van de psychiater kennelijk niet als een waarborg maar eerder als voor hem potentieel nadelig. In die omstandigheden was de kans dat betrokkene bij een volgende poging wel bereid zou kunnen zijn om met de onafhankelijk psychiater in gesprek te gaan zo klein, dat van deze redelijkerwijs niet kon worden verwacht nadere pogingen te ondernemen om betrokkene te spreken en in persoon te onderzoeken.
3.11
Dit alles hoefde de onafhankelijk psychiater er niet van te weerhouden om op basis van de informatie over de betrokkene die hij tot zijn beschikking had, onderzoek te doen naar en inzicht te verkrijgen in diens actuele toestandsbeeld. Dat blijkt een wisselend beeld, met als grote onzekere factor of betrokkene zijn medicatie inneemt. Op basis daarvan heeft de onafhankelijk psychiater zijn bevindingen kunnen neerleggen in een gemotiveerde medische verklaring die de rechtbank in staat stelde te beoordelen of ten aanzien van betrokkene een aansluitende zorgmachtiging diende te worden verleend.
Onderdeel 2: het opnemen in een accommodatie als vorm van verplichte zorg
3.12
Onderdeel 2 klaagt over de in rov. 2.7 en 2.7.1 gegeven oordelen.
3.13
De toelichting verwijst onder 2.1 naar de passage in het proces-verbaal, waaruit blijkt dat de advocaat naar aanleiding van opmerkingen van de verpleegkundige dat betrokkene vaker opgenomen is geweest en al lang onder behandeling is, onder meer het volgende opmerkt:
“Het standpunt: meneer is het helemaal zat. Al een paar jaar is hij niet opgenomen geweest. Nu is het klaar. Hij vindt het genoeg geweest ...”
Vervolgens zegt de verpleegkundige:
“... Ons standpunt is dat hij zonder gedwongen zorg geen medicatie meer zal willen innemen en dan verwachten wij dat zijn klachten zullen terugkomen ...”
3.14
Tegen deze achtergrond acht het middel het ‘volstrekt onbegrijpelijk’ dat de rechtbank ook de beperking van de bewegingsvrijheid en het opnemen in een accommodatie in de zorgmachtiging wilde opnemen.
3.15
Ik meen dat de klacht faalt. De vraag die de rechtbank moest beantwoorden is of betrokkene verplichte zorg nodig heeft en zo ja welke vormen van verplichte zorg. Dat sinds 2023 ambulante zorg had volstaan en dat betrokkene zelfstandig woont zijn geen beslissende omstandigheden voor het antwoord op de vraag of de rechter gelet op het toestandsbeeld van betrokkene op 5 januari 2026 kon besluiten dat betrokkene ook verplichte zorg nodig heeft in de vorm van het opnemen in een accommodatie en de daarbij behorende beperking van de bewegingsvrijheid. Belangrijkste overweging is dat volgens de behandelaars er meer zekerheid moet komen dat betrokkene zijn medicatie inneemt, zowel in het belang van hem zelf als van derden met wie hij in contact komt. Die zekerheid is er in ambulant kader kennelijk onvoldoende. In hetgeen door betrokkene en zijn advocaat ter zitting naar voren is gebracht hoefde de rechtbank geen aanleiding te zien om te oordelen dat, in afwijking van wat de door de behandelaar en de verpleegkundige gegeven toelichting, kon worden afgezien van het opnemen in een accommodatie.
3.16
In dat verband wijs ik er op dat de rechtbank heeft bepaald, in lijn met het vereiste van proportionaliteit van de verplichte zorg (art. 2:1 lid 3 Wvggz), dat de duur van het opnemen in een accommodatie telkens maximaal één maand mag bedragen (zie rov. 2.7.1, geciteerd in 2.5). Op die manier zou er voldoende mogelijkheid moeten zijn om het gebruik van medicatie te controleren en de toestand van betrokkene te stabiliseren, terwijl betrokkene wel zijn eigen woning kan aanhouden. De maatregel vormt daarmee het juiste middel voor het te bereiken doel. Het oordeel van de rechtbank is bovendien toereikend gemotiveerd.
4Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Zie p. 2 van het proces-verbaal van de zitting.
Zie voor de toepasselijke maatstaf: HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1075, rov, 3.2, JGz 2024/73, m.nt. G.J. Baken, onder verwijzing naar HR 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:789, NJ 2044/244, m.nt. J. Legemaate, rov. 3.3. Zie ook recent: HR 20 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:454, rov. 3.2 en HR 22 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:789 (rov. 3.2.2). Zie ook nrs. 3.6-3.7 van mijn conclusie van 29 mei 2026 in zaak 26/00669, ECLI:NL:PHR:2026:536, bij HR 10 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1226 (81 RO).
Zie o.m. HR 13 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1460, JGz 2023/66, m.nt. R.B.M. Keurentjes, rov. 3.3.
Vgl. HR 25 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1509, NJ 2020/402, m.nt. J. Legemaate, JGz 2020/79, m.nt. W.J.A.M. Dijkers, rov. 3.1.5 in verbinding met 3.1.3 van die beschikking.
Zie het proces-verbaal van de zitting, p. 4.