Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Parket bij de Hoge Raad

ECLI:NL:PHR:2014:1729

2014-06-20 Civiel recht 14/01904
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Uitspraakdatum
2014-06-20
Publicatiedatum
2014-09-16
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
—
Zaaknummer
14/01904
Type
Conclusie
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Art. 80a lid 1 RO. Onrechtmatige daad. Toewijsbaarheid gevorderde verklaring voor recht. Schade, causaal verband. Stelplicht en bewijslast.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (2.902 tekens)
14/01904
mr. J. Spier
Zitting 20 juni 2014


art. 80a Conclusie inzake




[eiseres]

tegen

[verweerster]


1. Het gaat in deze zaak om de vraag of [verweerster] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiseres] door – kort gezegd – in haar boeken te vermelden dat [eiseres] werkzaamheden heeft verricht voor de sekstelefoondiensten van [verweerster].

2. Het cassatieberoep tegen ’s Hofs arrest van 7 januari 2014 is tijdig ingesteld. [eiseres] kan daarin evenwel niet worden ontvangen omdat [verweerster] in feitelijke aanleg geen partij was. Ware dat anders, dan loopt het beroep stuk op art. 80a lid 1 RO.

3. Het Hof heeft zijn oordeel op een aantal zelfstandig dragende gronden gebaseerd. Eén daarvan is dat de schade als gevolg van een veronderstellenderwijs aangenomen onrechtmatig handelen niet op de voet van art. 6:98 BW zou kunnen worden toegerekend (rov. 4 zesde volzin).


4.1 Tegen ’s Hofs onder 3 vermelde oordeel komt het middel onder 29 en 30 op met de klacht dat voor de gevorderde verklaring voor recht voldoende is dat aannemelijk is dat mogelijk is dat [eiseres] schade lijdt. Die klacht faalt. Als, bij veronderstellenderwijs aangenomen onrechtmatig handelen en schade, toerekening niet mogelijk zou zijn, is voor de gevorderde verwijzing naar een schadestaatprocedure geen plaats.



4.2 Anders ook dan het middel wil doen geloven, heeft het Hof niet geoordeeld dat [eiseres] “de toerekenbaarheid aan [verweerster]” moet bewijzen, nog daargelaten dat [eiseres] daarbij kennelijk doelt op toerekening in de zin van art. 6:162 lid 3 BW, terwijl het Hof klaarblijkelijk doelt op toerekening in de zin van art. 6:98 BW; eerstgenoemde toerekening komt in de daaraan voorafgaande volzin aan bod door het tussen haakjes plaatsen van “toerekenbaar”.


5. Ten overvloede: eveneens in rov. 4 brengt het Hof, geparafraseerd en naar de kennelijke strekking weergegeven, het volgende tot uitdrukking. [eiseres] heeft in de gegeven omstandigheden onvoldoende gesteld waaruit valt af te leiden dat [verweerster] redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat hetgeen hij met betrekking tot [eiseres] in zijn boeken zette onjuist was. Onbegrijpelijk is dat oordeel zeker niet nu zowel de belastingdienst als de strafrechter in twee instanties klaarblijkelijk tot de slotsom zijn gekomen dat [eiseres] inderdaad de betrokken werkzaamheden heeft verricht; zie rov. 1. De onder 24 – 28 verwoorde klachten miskennen deze gedachtegang; zij lopen daarop stuk.

6. Bij deze stand van zaken behoeven de overige klachten, voor zover al begrijpelijk, geen bespreking.







Conclusie

Ik concludeer tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.




De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,







Advocaat-Generaal