Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

ECLI:NL:OGHACMB:2026:229

2026-08-18 Civiel recht BON2024H00040
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Uitspraakdatum
2026-08-18
Publicatiedatum
2026-08-20
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
BON2024H00040
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Bonaire. Art. 3:226 BW BES. Kort geding ontruiming woning. Ondercuratelegestelde rechthebbende op persoonlijk recht van gebruik en bewoning. Vordering afgewezen.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.694 tekens)
BURGERLIJKE ZAKEN OVER 2026
UITSPRAAK: 18 augustus 2026
ZAAKNRS: BON202400234 (eerste aanleg) BON2024H00040 (hoger beroep)




GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba





Vonnis in kort geding in de zaak van:





[APPELLANTE],
wonend in Curaçao,
in eerste aanleg eiseres, thans appellante,
hierna te noemen: [Appellante],
gemachtigde: mr. N.B. Louisa,



- tegen -




[GEÏNTIMEERDE],
wonend in Curaçao,
in eerste aanleg gedaagde, thans geïntimeerde,
hierna te noemen: [Geïntimeerde],
gemachtigde: mr. E. Frins.






1Het verloop van de procedure


1.1
Verwezen wordt naar het proces-verbaal van 4 september 2024 waaruit blijkt van het tussen partijen uitgesproken mondelinge vonnis in kort geding (hierna: het bestreden vonnis) van het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, zittingsplaats Bonaire (hierna: het Gerecht). De inhoud van dat proces-verbaal geldt als hier ingevoegd.



1.2 [
Appellante] heeft op 24 september 2024 een akte van hoger beroep ingediend. Daarna heeft zij een memorie van grieven ingediend waarna [Geïntimeerde] een memorie van antwoord heeft genomen. Vervolgens heeft [Geïntimeerde] op 12 mei 2025 en op 16 juni 2025 mailberichten met bijlagen aan het Hof gezonden. Beide partijen hebben op 1 juli 2025 een akte uitlating ingediend.



1.3
Op 23 juni 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden in het gerechtsgebouw in Bonaire. Aldaar zijn partijen en hun gemachtigden verschenen. Bij die gelegenheid hebben partijen hun standpunten, ieder aan de hand van een overgelegde pleitnota, nader toegelicht, en zijn vragen van het Hof beantwoord.



1.4
Uitspraak is bepaald op heden.






2De feiten


2.1 [
Geïntimeerde] is een van de vier dochters van [Appellante] (geboren op [geboortedatum Apellante). In 2012 heeft [Appellante] haar woning verkocht aan [Geïntimeerde]. De woning is gelegen aan de Kaya Lourdes #7 te Bonaire (hierna: de woning). Blijkens de notariële leveringsakte van 20 juli 2012 is aan [Appellante] het levenslange beperkte recht van gebruik en bewoning toegekend (artikel 3:226 BW BES). Sinds 2022 woont [Appellante] niet meer in de woning. Zij woont of verblijft bij een van haar andere dochters in Curaçao. Bij advocatenbrief van 7 mei 2024 wordt namens [Appellante] aan [Geïntimeerde] medegedeeld dat zij haar ten onrechte de toegang tot de woning ontzegt. [Geïntimeerde] wordt gesommeerd om [Appellante] tot de woning toe te laten. Aan die sommatie heeft [Geïntimeerde] geen gehoor gegeven.



2.2

In de leveringsakte staat onder andere:

“De gebruiker mag als goed gebruiker het verkochte bewonen gedurende de duur van het recht en wel uitsluitend voor zich en voor zijn gezin.”








3De beslissing van het Gerecht


[Appellante] is een kort geding begonnen dat strekt tot ontruiming van de woning door [Geïntimeerde]. Die vordering is door het Gerecht afgewezen met veroordeling van [Appellante] in de proceskosten. Het Gerecht heeft overwogen dat uit meerdere geneeskundige verklaringen blijkt dat [Appellante] lijdt aan dementie en niet meer in staat is om zelfstandig haar wil te bepalen. Er is geen sprake van spoedeisend belang nu zij al jaren niet meer in de woning woont, zodat het Gerecht niet begrijpt waarom er nu haast bij is om naar de woning terug te keren. Verder staat vast dat [Appellante] er niet zonder voortdurende begeleiding en zorg kan wonen. Dat de andere dochters iemand op het oog hebben die bij haar kan inwonen in de woning gaat voorbij aan de omstandigheid dat [Appellante]’s vruchtgebruik een persoonlijk recht betreft. Dat staat eraan in de weg dat iemand anders dan een gezinslid bij haar inwoont.






4De beoordeling in hoger beroep


4.1
Het Hof verleent [Appellante] toelating om kosteloos te procederen, zoals zij heeft verzocht.



4.2
De bezwaren (“grieven”) van [Appellante] tegen het bestreden vonnis komen op het volgende neer. [Appellante] heeft altijd ingeschreven gestaan bij de Burgerlijke Stand op Bonaire. Door [Geïntimeerde] was zij destijds voor drie maanden naar Curaçao gestuurd. Op een gegeven moment heeft [Appellante] de sleutels desgevraagd aan [Geïntimeerde] afgegeven. [Appellante] heeft juist regelmatig gevraagd wanneer zij terug kon keren naar de woning maar dat werd door [Geïntimeerde] alsmaar afgehouden. Zij wil juist zo snel mogelijk terug naar haar vertrouwde woning op haar geliefde Bonaire, temeer omdat zij gerechtigd is tot het recht van gebruik en bewoning dat door [Geïntimeerde] zodoende opzettelijk wordt gefrustreerd. Er is slechts één medische verklaring dat [Appellante] niet compos mentis is. Die klopt niet; er is geen sprake van dementie. Er is hooguit sprake van een beperkte neurocognitieve stoornis, zoals door twee medici vastgesteld. De dochters kunnen in de woning voor [Appellante] zorgen.



4.3
De stellingen van [Appellante] worden door [Geïntimeerde] inhoudelijk weersproken. Voor zover dat nodig is voor de beoordeling gaat het Hof hierna op haar argumenten in.



4.4
Het Hof stelt allereerst vast dat [Appellante] sinds 17 april 2025 onder curatele is gesteld wegens een geestelijke stoornis (Alzheimer met dementie, waardoor er sprake is van stoornissen in het korte- en langetermijngeheugen, in oriëntatie in tijd en plaats en in het denken), door het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (CUR202403470). [Geïntimeerde] is tot curator benoemd. Die beslissing is door het Hof op 13 januari 2026 vernietigd (CUR2025H00147) vanwege de benoeming van een andere curator, maar de curatele is in stand gebleven. Het Hof zag geen aanleiding om te twijfelen aan de geestelijke stoornis. Eerst was [Geïntimeerde] haar curator en sinds de uitspraak van het Hof is een andere dochter van [Appellante] als curator aangesteld, namelijk [naam andere dochter/curator], wonende te Bonaire.



4.5
Door [Geïntimeerde] worden enkele ontvankelijkheidsverweren gevoerd die zijn gegrond op de geestelijke stoornis van [Appellante] en op de omstandigheid dat zij onder curatele is gesteld. [Geïntimeerde] heeft echter geen belang bij de behandeling van deze ontvankelijkheidsverweren vanwege het hiernavolgende inhoudelijke oordeel.



4.6
Het Hof zal de vorderingen van [Appellante], net als het Gerecht heeft gedaan, namelijk afwijzen. In de eerste plaats omdat ook in hoger beroep het vereiste spoedeisend belang ontbreekt bij de gevraagde voorziening in kort geding. [Appellante] woont al sinds 2022 niet meer in de woning in Bonaire, maar in Curaçao. Gesteld noch gebleken is dat voor haar verzorging terugkeer naar de woning dringend noodzakelijk is. Daarvoor zijn geen medische verklaringen of andere bewijsstukken ingebracht. Het Hof moet er dus vanuit gaan dat [Appellante] op Curaçao goed wordt verzorgd, nu van het tegendeel niet is gebleken. Dat de andere dochters, waaronder de curator, denken dat het wel goed voor moeder zou zijn als zij zou verhuizen naar haar voormalige woning op Bonaire doet hier niet aan af.



4.7
Zelfs al zou wel spoedeisend belang kunnen worden aangenomen dan geldt, naar voorlopig oordeel van het Hof, dat een belangenafweging niet in het voordeel van [Appellante] uitvalt. [Geïntimeerde] heeft namelijk voldoende gesteld om aan te nemen dat [Appellante] niet alleen in de woning kan verblijven. Zij heeft verzorging en permanent toezicht nodig. Door [Appellante] wordt niet, althans onvoldoende uitgelegd, hoe daarin kan worden voorzien. Bovendien geldt dat art. 3:226 BW BES en de leveringsakte, zoals geciteerd in rov. 2.2., eraan in de weg staan dat zij permanent (mantel)zorg in de woning zou kunnen krijgen. Een verzorger behoort immers niet tot haar gezin. Dat de woning momenteel leeg staat legt onvoldoende gewicht in de schaal, nu de woning immers eigendom van [Geïntimeerde] is en zij daar als eigenares vrijelijk over mag beschikken. Tot slot geldt dat het Hof, gelet op wat uit het dossier en het verhandelde op de zitting is gebleken, de indruk heeft dat het in deze zaak niet zozeer gaat om het belang van [Appellante] maar dat sprake is van een vete tussen drie dochters enerzijds en de andere dochter ([Geïntimeerde]) anderzijds met als mogelijke oorzaak de verkoop van de woning destijds door [Appellante] aan [Geïntimeerde].



4.8
Deze indruk werd ter zitting nog versterkt door ongewenste interventies van de andere twee dochters/zusters die op de publieke tribune aanwezig waren. Verder zat de curator naast de advocaat van [Appellante], alsof zij de partij was, en zat [Appellante] er zelf als toeschouwer bij. Ook bleek uit vragen van de voorzitter aan [Appellante] dat ze dacht in Curaçao te zijn en had ze geen idee dat ze zich bij het Hof in het gerechtsgebouw te Bonaire bevond, noch wat ze daar deed.



4.9
De conclusie is dat de vorderingen van [Appellante] moeten worden afgewezen. Het bestreden vonnis wordt bevestigd.



4.10
Als in het ongelijk gestelde partij wordt [Appellante] in de proceskosten veroordeeld. Deze veroordeling wordt, zoals verzocht door [Geïntimeerde], uitvoerbaar bij voorraad verklaard.




BESLISSING:




Het Hof:



verleent [Appellante] toelating om kosteloos te procederen;



bevestigt het bestreden vonnis;



veroordeelt [Appellante] in de kosten van de procedure in hoger beroep tot op heden begroot op USD 159 aan verschotten en op USD 3,351 aan salaris gemachtigde (3 x tarief 5) en verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.



wijst het meer of anders gevorderde af.




Dit vonnis is gewezen door mrs. E.M. van der Bunt, C.G. ter Veer en A.J.J. van Rijen, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao op 18 augustus 2026 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.