Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
ECLI:NL:OGHACMB:2026:224
2026-05-29
Strafrecht
500.00243/25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
vrijspraak medeplichtigheid overval, bewezen medeplichtigheid aan diefstal met geweld, strafkorting wegens politiegeweld
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2020:1890 Hoge Raad 01-12-2020
- ECLI:NL:HR:2020:1889 Hoge Raad 01-12-2020
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (32.786 tekens)
Parketnummer: 500.00243/25
Uitspraak : 29 mei 2026 Tegenspraak
Vonnis van dit Gerecht
in de strafzaak tegen de verdachte:
[Verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats],
wonende in [woonplaats], [adres 1],
thans gedetineerd in het huis van bewaring in Curaçao.
Onderzoek van de zaak
Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2026. De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. J.R. Joemmanbaks, advocaat in Curaçao.
De officier van justitie, mr. S.M. Scheer, heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het subsidiair ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met aftrek van voorarrest.
De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van het Gerecht. Voorts heeft zij een strafmaatverweer gevoerd.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
PRIMAIR: MEDEPLEGEN DIEFSTAL MET GEWELD
hij, op of omstreeks 11 oktober 2025 te Curaçao, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen, een kassalade/kassaregisterlade met geldinhoud van ongeveer CG 1.750,- en/of USD 103,-, in elk geval enig geldbedrag, toebehorende aan KFC Colon, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),
welk feit werd vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreigd met geweld tegen één of meer werknemers van voornoemd restaurant, te weten onder meer [getuige 1], en/of [getuige 2] en/of [getuige 3] gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededader(s), hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
welk geweld en/of die bedreiging met geweld daarin bestond(en) uit:
met gemaskeerde en/of bedekte gezichten, via het drive-thru raam het restaurant binnen dringen, en/of,
een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, dreigend op/in de richting van (die) medewerkster(s) tonen en/of richten, en/of,
(onder bedreiging) de kassalade uit het kassaregister weg nemen,
(art. 2:291 jo. 1:123 Wetboek van Strafrecht Curaçao)
SUBSIDIAIR: MEDEPLICHTIGHEID AAN DIEFSTAL MET GEWELD
een of meerdere daders op of omstreeks 11 oktober 2025 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft/hebben weggenomen, een kassalade/kassaregisterlade met geldinhoud van ongeveer CG 1.750,- en/of USD 103,-, in elk geval enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan KFC Colon, althans aan een ander of anderen dan aan hen,
welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen of meer werknemers van voornoemd restaurant, te weten onder meer [getuige 1], en/of [getuige 2] en/of [getuige 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, bestaande dat geweld en/of die bedreiging met geweld uit:
met gemaskeerde en/of bedekte gezichten, via het drive-thru raam het restaurant binnen dringen, en/of,
een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, dreigend op/in de richting van (die) medewerkster(s) tonen en/of richten, en/of,
(onder begeleiding) de kassalade uit het kassaregister weg nemen,
bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen en daar opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door,
het plan te beramen om de overval te plegen en/of,
de auto [automerk/model 1] te huren en/of,
met een door hem bestuurde blauwgelakte [automerk/model 1] de daders naar en van de plaats van het misdrijf te vervoeren en/of,
op de uitkijk te staan en/of op de dader(s) te wachten;
(art. 1:123 jo. 2.291 Wetboek van Strafrecht Curaçao)
Formele voorvragen
Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
Vrijspraak van het primair tenlastegelegde feit
Het Gerecht is, evenals de officier van justitie en de raadsvrouw, van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat om vast te stellen dat sprake is van medeplegen.
De verdachte zal daarom van het primair tenlastegelegde worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring
Het Gerecht acht - op grond van de hierna weergegeven bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
Subsidiair
een of meerdere daders op of omstreeks 11 oktober 2025 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft/hebben weggenomen, een kassalade/kassaregisterlade met geldinhoud van ongeveer CG 1.750,- en/of USD 103,-, in elk geval enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan KFC Colon, althans aan een ander of anderen dan aan hen,
welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van bedreiging met geweld en/of bedreiging met geweld tegen of meer werknemers van voornoemd restaurant, te weten onder meer [getuige 1], en/of [getuige 2] en/of [getuige 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijker te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, bestaande dat geweld en/of die bedreiging met geweld uit:
met gemaskeerde en/of bedekte gezichten, via het drive-thru raam het restaurant binnendringen, en/of,
een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, dreigend op/in de richting van (die) medewerkster(s) tonen en/of richten, en/of,
(onder begeleiding)
onder bedreiging de kassalade uit het kassaregister wegnemen,
bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen en daar opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door,
het plan te beramen om de overval te plegen en/of,
de auto ([automerk/model 1) te huren
,
en/of,
met de een door hem bestuurde blauwgelakte [automerk/model 1] de daders naar en van de plaats van het misdrijf te vervoeren, en/of,
op de uitkijk te staan en/of op de dader(s) te wachten.
Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd (cursief). De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsmiddelen
Het Gerecht grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen zijn vervat en redengevend zijn voor de bewezenverklaring.
Voorts wordt opgemerkt dat in de bewijsmiddelen geen (expliciete) landsaanduiding is opgenomen, maar dat algemeen bekend is dat de in die bewijsmiddelen wel opgenomen plaatsen zijn gelegen in Curaçao.
1. [Betrokkene 1] deed op 11 oktober 2025 aangifte te KFC Colon. Hij heeft bij die gelegenheid onder meer het volgende verklaard:
“Ik ben manager bij Kentucky Fried Chicken. (…) Vandaag omstreeks 21.20 uur zat ik in het kantoor (…) Op een gegeven moment hoorde ik een geschreeuw. Kort hierna werd de deur van het kantoor door de werknemer genaamd [getuige 1] geopend. Zij was zeer nerveus en kon bijna niet praten. Zij was niet voor rede vatbaar. (…) Een werknemer sprak mij aan: “nan a drenta paden, nan a drenta paden” vrije vertaling verbalisant: “ze zijn naar binnen gekomen, ze zijn naar binnen gekomen.”
Later werd ik in kennis gesteld dat drie (3) gemaskeerde mannen via het raam bij de “Drive-Thru” naar binnen waren gekomen en hadden het kasregister inhoudende het geldbedrag (…) weggenomen. (…)
Weggenomen goederen: kasregister inhoudende 1750 XCG en 103 Amerikaanse dollar.”
2. [Getuige 1] werd op 11 oktober 2025 als getuige verhoord te KFC Colon. Zij heeft bij die gelegenheid onder meer het volgende verklaard:
“Ik ben (…) werkzaam bij (…) KFC. (…) omstreeks 19:00 uur (…) werd ik tewerkgesteld als kassière bij het drive station. Terwijl ik daar werkzaam was en een klant bij de drive-thru in zijn auto zat en ik hem zijn wisselgeld en zijn bestelling moest overhandigen, voelde ik opeens dat iemand van buitenaf zijn arm (…) over mijn arm heen streek. Ik keek en zag dat de persoon die mijn hand zojuist had aangetast een mij onbekende persoon betrof, die buiten het raam van de drive-thru stond (…)
Ik zag dat die persoon gekleed was in een zwartkleurig met grijs capuchon jacket met lange mouwen. Verder zag ik dat bedoelde persoon de capuchon over zijn hoofd droeg en zijn gezicht was geheel bedekt met iets zwartkleurig. (…)
Bij het voelen van zijn kledingstof tegen mijn arm, was ik hevig geschrokken. (…)
Terwijl ik (…) hard schreeuwde, begon ik gelijk naar achteren te rennen om richting het kantoor toe te gaan, zodat ik mezelf in dat kantoor kon opsluiten en beschermen. (…)”
3. [Getuige 1] werd op 11 oktober 2025 als getuige verhoord. Zij heeft bij die gelegenheid onder meer het volgende verklaard:
“(…) Ik was bezig voor te bereiden om in de “Lobby” schoon te maken. Op een gegeven moment hoorde ik mijn collega genaamd [getuige 1] schreeuwen. (…) Op een gegeven moment zag ik een man helemaal in zwart gekleed achter de toonbank staan. Hij had een capuchon over zijn hoofd. (…)
Ik was in shock en bleef staan kijken wat er gaande was. (…) Kort hierna zag ik via de etalageruit van het restaurant drie (3) gemaskeerde mannen wegrennen. (…)”
4. [Getuige 2] werd op 11 oktober 2025 als getuige verhoord. Zij heeft bij die gelegenheid onder meer het volgende verklaard:
“(…) ik ben bij KFC te Colon werkzaam. (…) Ik stond bij de “sandwich station” in de keuken. Mijn collega (…) [getuige 1] stond achter het kasregister bij de (…) “Drive-Thru”.
Op een gegeven moment hoorde ik [getuige 1]schreeuwen. Ik draaide om en zag een man helemaal in zwart gekleed die via het raam bij de “Drive-Thru” naar binnen sprong. Hierna zag ik een tweede man die de eerste dader volgde. (…)
Op dat moment schrok ik hevig en rende in de richting van de cooler om dekking te zoeken. (…)”
5. De verdachte werd op 11 oktober 2025 omstreeks 21.40 uur aangehouden. De verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben het volgende gerelateerd:
“Door de Centrale Meldkamer werden wij gedirigeerd naar de Swammerdamstraat ter hoogte van de protestantse begraafplaats, in verband met een verdachte auto. Volgens de melding stond er een kleine, blauwe auto geparkeerd langs de muur van de begraafplaats. De melder had gezien dat drie mannen uit het voertuig waren gestapt en over de muur naar de begraafplaats waren gesprongen. De auto bleef daar achter, met de koplampen nog aan.
Bij aankomst zagen wij de bedoelde kleine, blauwe auto, een [automerk/model 1], met de koplampen aan en de motor nog draaiend. De ramen waren getint, maar wij konden de bestuurder nog steeds achter het stuur waarnemen. Toen hij ons zag, stapte hij uit het voertuig en stak zijn handen in de lucht. (…)
(…) Tijdens de doorzoeking meldde de Centrale Meldkamer via de portofoon dat er zojuist een beroving had plaatsgevonden bij Kentucky Fried Chicken in het winkelcentrum Colon, en dat drie verdachten richting de protestante begraafplaats waren gevlucht, de locatie waar wij ons bevonden. (…)
Even later hoorden wij geluiden in de omgeving. (…) Kort daarna meldde de Centrale dat de verdachten door omstanders waren gezien terwijl zij richting Domi vluchtten. (…)”
6. De videobeelden van de beroving in KFC Colon werden uitgewerkt. De verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] hebben het volgende gerelateerd:
“(…) Op afbeelding 01 en 01-A is op het tijdstip 09:32:33 te zien dat er drie subjecten richting de KFC Colon aankwam rennen. Het eerste subject heeft een zwart voorwerp, gelijkend op een vuurwapen, in zijn rechterhand. (…) Op afbeelding 13 is op het tijdstip 09:32:43 te zien dat subject 01, namelijk het gewapende subject, zich ook via het raam naar binnen dringt. (…) Op afbeelding 14 is op het tijdstip 09:32:43 te zien dat subject 02 bezig is met de kassalade van het kasregister. (…) Op afbeelding 16 is op tijdstip 09:32:46 te zien dat subject 02 met de kassalade bij de opening van het raam van de drive-thru staat. Op afbeelding 17 is op tijdstip 09:32:53 te zien dat subject 02 buiten op de rijbaan van de drive-thru bevindt met de kassalade in zijn handen.”
7. De videobeelden in de omgeving van Swammerdamstraat zijn uitgewerkt. De verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] hebben het volgende gerelateerd:
“Op afbeeldingen 1 is op de tijdstippen 20:58:51 en 20:58:56 te zien dat een blauwgelakte [automerk/model 1] in Swammerdamstraat richting zuid aankwam rijden. (…) Op afbeeldingen 3 is op de tijdstippen 20:59:23, 20:59:28 en 20:59:38 te zien toen bedoelde vluchtauto een kortslag naar rechts draaide en met zijn voorzijde langs de muur van de begraafplaats ging parkeren. (…) Op afbeelding 6 is op het tijdstip 21:01:28 te zien toen de bijrijder, rechter en linker achterportieren opengingen. Verder is te zien dat (2) twee subjecten vanuit de bijrijder en rechter achterportier van bedoeld voertuig stapten. Op afbeelding 7 is op het tijdstip 21:01:28 te zien toen een derde subject vanuit de linker achterportier van bedoelde vluchtauto, stapte. (…) Op afbeeldingen 9 is op de tijdstippen 21:01:40 en 21:01:43 te zien dat (2) twee subjecten die in donkere kleren gekleed waren, wegrenden richting in de hoek langs de muur van de begraafplaats en op een gegeven moment sprongen beiden over de muur van de begraafplaats. Op afbeelding 10 is op het tijdstip 21:01:48 te zien dat een 3e subject ook in dezelfde richting die de twee andere subjecten hadden gerend, rende en over de muur van de begraafplaats klom. (…)”
8. De verdachte heeft ter terechtzitting het volgende verklaard:
“Ik bestuurde de avond van 11 november 2025 een door mij gehuurde auto. Ik had de auto twee dagen tevoren gehuurd met gebruikmaking van het rijbewijs van [betrokkene 2] (het Gerecht begrijpt: [betrokkene 2]). Het klopt dat ik toen drie mannen naar de begraafplaats naast de school in Otrobanda heb gebracht. Bij één van de mannen heb ik een vuurwapen gezien. In Otrobanda zijn de mannen uitgestapt, waarna ik in de auto op hen ben blijven wachten”
Bewijsoverwegingen
De centrale vraag die het Gerecht dient te beantwoorden is welke rol de verdachte bij de overval heeft vervuld en of zijn bijdrage kan worden gekwalificeerd als medeplichtigheid.
Het Gerecht stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van medeplichtigheid sprake moet zijn van ‘dubbel opzet’. Dat betekent dat de verdachte niet alleen opzettelijk behulpzaam moet zijn geweest, maar ook (voorwaardelijk) opzet moet hebben gehad op het door de daders gepleegde gronddelict.
Het Gerecht is van oordeel dat in het onderhavige geval aan deze vereisten is voldaan en overweegt daartoe als volgt.
Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen staat vast dat de verdachte de op 9 oktober 2025 door hem, op naam van een ander gehuurde blauwe [automerk/model 1] op 11 oktober 2025 heeft bestuurd en deze heeft geparkeerd aan de Swammerdamstraat in Otrobanda, in de directe nabijheid van de protestantse begraafplaats en de KFC te Colon. Vervolgens zijn drie in donkere kleding geklede mannen uit de auto gestapt en over de muur van de begraafplaats geklommen, terwijl de verdachte als bestuurder in de auto achterbleef met draaiende motor en brandende koplampen. Kort daarna heeft bij de KFC te Colon een gewapende overval plaatsgevonden, gepleegd door drie in donkere kleding geklede en gemaskerde mannen, van wie één een op een vuurwapen gelijkend voorwerp bij zich had. Na de overval zijn de daders in de richting van de begraafplaats weggerend.
De verdachte heeft verklaard dat hij de drie mannen slechts een lift had gegeven en niet wist wat zij van plan waren. Eerst in een later stadium heeft hij verklaard dat hij door één van de mannen met een vuurwapen zou zijn bedreigd en daarom moest blijven wachten. Het Gerecht acht deze verklaring volstrekt ongeloofwaardig. Daarbij betrekt het Gerecht dat de verdachte hierover niet direct heeft verklaard, maar eerst nadat hij met de camerabeelden was geconfronteerd. Voorts heeft de verdachte wisselende en onderling tegenstrijdige verklaringen afgelegd over zijn aanwezigheid ter plaatse. Aanvankelijk ontkende hij enige betrokkenheid en stelde hij dat niemand uit zijn auto was gestapt, terwijl uit de camerabeelden het tegendeel blijkt. Daarnaast heeft de verdachte, ondanks zijn gestelde bedreiging, geen poging ondernomen zich aan de situatie te onttrekken, weg te rijden of de politie te waarschuwen op het moment dat de drie mannen uit beeld waren geraakt. Evenmin heeft hij bij zijn aanhouding onmiddellijk melding gemaakt van die gestelde bedreiging. Onder deze omstandigheden acht het Gerecht geenszins aannemelijk dat de verdachte slechts een nietsvermoedende bestuurder was.
Bij de verwerping van het verweer neemt het Gerecht tevens in aanmerking dat het volstrekt onaannemelijk is dat de overvallers, die evident uitvoering hebben gegeven aan een vooropgezet plan, het slagen van dat plan zouden hebben laten afhangen van een ‘willekeurige c.q. onwetende passant’ die hen zou moeten vervoeren naar en van de plaats delict, en die, nadat hij hen gedrieën, donker gekleed en bewapend met een vuurwapen heeft zien uitstappen, ‘geduldig’ zou hebben moeten wachten op hun terugkeer, zonder de politie c.q. derden terstond of nadien te alarmeren c.q. in te lichten.
Hieruit leidt het Gerecht af dat de verdachte wist dat de mannen een ernstig (vermogens)delict zouden plegen. Door onder die omstandigheden als bestuurder beschikbaar te blijven en gereed te staan voor het vervoer van de uitvoerders, heeft de verdachte opzettelijk ondersteuning verleend aan de uitvoering van het misdrijf en de vluchtmogelijkheid van de daders.
Het Gerecht is dan ook van oordeel dat de verdachte opzettelijk behulpzaam is geweest bij het plegen van de overval en tevens minst genomen voorwaardelijk opzet heeft gehad op het door de uitvoerders gepleegde misdrijf. De subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid aan de overval kan derhalve wettig en overtuigend worden bewezen.
Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde
Het onder het subsidiair bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:291 juncto artikel 1:124 van het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
Medeplichtigheid aan diefstal, vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijker te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.
De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.
Oplegging van straf
Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals één en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De verdachte heeft zich als bestuurder van de vluchtauto schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan een gewapende overval. Met dit handelen heeft de verdachte een bijdrage geleverd aan een zeer ernstig feit. Overvallen veroorzaken heftige gevoelens van angst en onveiligheid, niet alleen bij de direct betrokken slachtoffers, maar ook in de samenleving als geheel. Dergelijke feiten dragen bij aan gevoelens van maatschappelijke onrust en hebben een ontwrichtende invloed op de rechtsorde in Curaçao.
Het Gerecht heeft kennis genomen van de Justitiële Documentatie van de verdachte gedateerd 14 oktober 2025. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een soortgelijk strafbaar feit is veroordeeld.
Het Gerecht heeft verder, wat de persoon van de verdachte betreft, kennisgenomen van het Voorlichtingsrapport van 6 mei 2026 en het rapport van de psycholoog van 11 februari 2026.
Naar het oordeel van het Gerecht kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een vrijheidsbeneming met zich brengt. Het Gerecht zal een gedeelte van die straf voorwaardelijk opleggen teneinde de verdachte in te scherpen zich gedurende de proeftijd niet weer aan misdrijf schuldig te maken. Daarbij houdt het Gerecht rekening met de omstandigheid dat de verdachte een jongvolwassene is en dat hij nog gebaat kan zijn bij begeleiding en ondersteuning, welke in het kader van de bijzondere voorwaarden kunnen worden vormgegeven.
Het Gerecht acht, na dit een en ander te hebben afgewogen, in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 15 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest, passend en geboden. Daarmee wijkt het Gerecht af van de eis van de officier van justitie, nu die eis naar het oordeel van het Gerecht onvoldoende recht doet aan de ernst van het bewezenverklaarde.
Bij de strafoplegging houdt het Gerecht evenwel in het voordeel van de verdachte rekening met het tijdens de aanhouding toegepaste politiegeweld. Uit het dossier, de daarvan deel uitmakende beelden en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte na zijn aanhouding, terwijl hij geknield op de grond zat, zijn handen achter zijn rug had en zijn hoofd naar voren gebogen hield, door twee politieambtenaren meermalen tegen het hoofd is geslagen en eenmaal tegen de rug is geschopt, zonder dat daarvoor een rechtvaardiging bestond. Naar het oordeel van het Gerecht is hiermee sprake van een normschending als bedoeld in artikel 413 van het Wetboek van Strafvordering. Hoewel bij de verdachte geen zichtbaar letsel is vastgesteld dat medische behandeling noodzakelijk maakte, dient ook een aangehouden verdachte gevrijwaard te blijven van ongerechtvaardigd geweld door politieambtenaren. Het Gerecht neemt daarbij het volgende in aanmerking. Samenleven vergt het maken van afspraken, regels, wetten, én de naleving én de handhaving daarvan. De handhavende macht, waarvan de politie een essentieel onderdeel is, vervult hierin een voorbeeldrol binnen de samenleving. Hier ligt dus voor de politie een zeer grote verantwoordelijkheid. Het is dan ook volstrekt onaanvaardbaar dat een weerloze aangehouden persoon geconfronteerd wordt met ongerechtvaardigd fysiek gewelddadig optreden, gelijk hier aan de orde is. Ook arrestanten die zich houden aan de regels/instructies, moeten zich veilig weten in handen van de politie. Dit geldt ook in ‘spannende’ omstandigheden waarin van politiemensen, zijnde getrainde professionals, zelfbeheersing en discipline moet kunnen worden gevergd.
Strafvermindering laat zich als rechtsgevolg dat geschikt is voor compensatie van door de verdachte ondervonden nadeel, verbinden aan onder meer vormverzuimen die een inbreuk hebben gemaakt op de lichamelijke integriteit of de persoonlijke levenssfeer. En daarvan is in deze zaak sprake. Voor toepassing van strafvermindering als aan dit vormverzuim te verbinden rechtsgevolg is vereist dat (a) de verdachte daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden, (b) dit nadeel veroorzaakt is door het verzuim, (c) het nadeel geschikt is voor compensatie door minder van strafvermindering, en (d) strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is. De Hoge Raad heeft bij arresten van 1 december 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1890 en ECLI:NL:HR:2020:1889) bepaald dat het moet gaan om een voldoende ernstig vormverzuim dat concreet de belangen van de verdachte in de strafzaak heeft aangetast.
Het Gerecht is van oordeel dat van dit laatste in onderhavige zaak sprake is. Op grond van de hierboven vastgestelde feiten en omstandigheden is sprake geweest van een onherstelbaar vormverzuim dat een inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van de verdachte. Dat dient gecompenseerd te worden door middel van strafvermindering, aangezien de verdachte door het vormverzuim daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden en strafvermindering in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is. Het Gerecht ziet derhalve aanleiding om de aan de verdachte op te leggen straf te matigen.
Het Gerecht acht, gelet op de aard en ernst van deze normschending, strafvermindering het passende rechtsgevolg en zal daarom een strafkorting toepassen van drie maanden. Alles afwegende acht het Gerecht een gevangenisstraf voor de duur van 27 maanden, waarvan 15 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van drie jaren, passend en geboden. De verdachte zal daartoe dan ook worden veroordeeld.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:19, 1:20 en 1:21 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.
BESLISSING
Het Gerecht:
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte primair ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de 27 (zevenentwintig) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;
bepaalt dat van deze straf een gedeelte, groot 15 (vijftien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt;
als bijzondere voorwaarde wordt gesteld dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, te geven door of namens de Uitvoeringsorganisatie Reclassering Curaçao, zulks zolang deze instelling dit gedurende de proeftijd nodig oordeelt, ook als dat inhoudt dat de verdachte een SoVa-training gericht op emotieregulatie en weerbaarheid dient te volgen en zich onder behandeling stelt bij FMA.
Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. W. Foppen, bijgestaan door mr. O.H.M. Leito (zittingsgriffier), en op 29 mei 2026 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Curaçao.
Hierna wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar ambtsedige - en door de desbetreffende verbalisant(en) in wettelijke vorm opgemaakte - processen-verbaal en overige geschriften, die als bijlagen zijn opgenomen in het eindproces-verbaal van het Korps Politie Curaçao (Recherche Informatie Dienst, Divisie Centrale Recherche, Lokaal Ernstige Criminaliteit, Team Roofovervallen) d.d. 22 april 2026, geregistreerd onder proces-verbaalnummer 77/26 BRB en de onderzoeksnaam “[onderzoeksnaam]”, doorgenummerde dossierpagina’s 1 – 142.
Proces-verbaal van aangifte d.d. 12 oktober 2025, geregistreerd onder documentcode 2025033426_20251012_08.00doc, dossierpagina’s 16 - 17.
Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1], d.d. 12 oktober 2025, geregistreerd onder documentcode 2025033426_20251012_1230.doc, dossierpagina’s 18 – 20.
Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3], d.d. 13 oktober 2025, geregistreerd onder het proces-verbaalnummer 2025033426.20251013.09.00, dossierpagina’s 24 – 26.
Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2], d.d. 13 oktober 2025, geregistreerd onder het proces-verbaalnummer 2025033426.20251013.09.30, dossierpagina’s 21 – 23.
Proces-verbaal van aanhouding op heterdaad verdachte [verdacte], d.d. 12 oktober 2025, documentcode 2025033426_20251012_132009.doc, dossierpagina’s 78 – 81.
Proces-verbaal van bevinding uitwerking videobeelden KFC, d.d. 16 oktober 2025, geregistreerd onder het proces-verbaalnummer 20251016 15.15, dossierpagina’s 27 -39.
Proces-verbaal van bevinding uitwerking videobeelden omgeving begraafplaats, d.d. 16 oktober 2025, geregistreerd onder het proces-verbaalnummer 20250616 15.15, dossierpagina’s 46 – 53.
Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 8 mei 2026, zoals die eventueel later – indien tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld – in het proces-verbaal van die terechtzitting zal worden weergegeven.
Uitspraak : 29 mei 2026 Tegenspraak
Vonnis van dit Gerecht
in de strafzaak tegen de verdachte:
[Verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats],
wonende in [woonplaats], [adres 1],
thans gedetineerd in het huis van bewaring in Curaçao.
Onderzoek van de zaak
Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2026. De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. J.R. Joemmanbaks, advocaat in Curaçao.
De officier van justitie, mr. S.M. Scheer, heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het subsidiair ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met aftrek van voorarrest.
De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van het Gerecht. Voorts heeft zij een strafmaatverweer gevoerd.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
PRIMAIR: MEDEPLEGEN DIEFSTAL MET GEWELD
hij, op of omstreeks 11 oktober 2025 te Curaçao, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen, een kassalade/kassaregisterlade met geldinhoud van ongeveer CG 1.750,- en/of USD 103,-, in elk geval enig geldbedrag, toebehorende aan KFC Colon, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),
welk feit werd vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreigd met geweld tegen één of meer werknemers van voornoemd restaurant, te weten onder meer [getuige 1], en/of [getuige 2] en/of [getuige 3] gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededader(s), hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
welk geweld en/of die bedreiging met geweld daarin bestond(en) uit:
met gemaskeerde en/of bedekte gezichten, via het drive-thru raam het restaurant binnen dringen, en/of,
een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, dreigend op/in de richting van (die) medewerkster(s) tonen en/of richten, en/of,
(onder bedreiging) de kassalade uit het kassaregister weg nemen,
(art. 2:291 jo. 1:123 Wetboek van Strafrecht Curaçao)
SUBSIDIAIR: MEDEPLICHTIGHEID AAN DIEFSTAL MET GEWELD
een of meerdere daders op of omstreeks 11 oktober 2025 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft/hebben weggenomen, een kassalade/kassaregisterlade met geldinhoud van ongeveer CG 1.750,- en/of USD 103,-, in elk geval enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan KFC Colon, althans aan een ander of anderen dan aan hen,
welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen of meer werknemers van voornoemd restaurant, te weten onder meer [getuige 1], en/of [getuige 2] en/of [getuige 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, bestaande dat geweld en/of die bedreiging met geweld uit:
met gemaskeerde en/of bedekte gezichten, via het drive-thru raam het restaurant binnen dringen, en/of,
een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, dreigend op/in de richting van (die) medewerkster(s) tonen en/of richten, en/of,
(onder begeleiding) de kassalade uit het kassaregister weg nemen,
bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen en daar opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door,
het plan te beramen om de overval te plegen en/of,
de auto [automerk/model 1] te huren en/of,
met een door hem bestuurde blauwgelakte [automerk/model 1] de daders naar en van de plaats van het misdrijf te vervoeren en/of,
op de uitkijk te staan en/of op de dader(s) te wachten;
(art. 1:123 jo. 2.291 Wetboek van Strafrecht Curaçao)
Formele voorvragen
Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
Vrijspraak van het primair tenlastegelegde feit
Het Gerecht is, evenals de officier van justitie en de raadsvrouw, van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat om vast te stellen dat sprake is van medeplegen.
De verdachte zal daarom van het primair tenlastegelegde worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring
Het Gerecht acht - op grond van de hierna weergegeven bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
Subsidiair
een of meerdere daders op of omstreeks 11 oktober 2025 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft/hebben weggenomen, een kassalade/kassaregisterlade met geldinhoud van ongeveer CG 1.750,- en/of USD 103,-, in elk geval enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan KFC Colon, althans aan een ander of anderen dan aan hen,
welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van bedreiging met geweld en/of bedreiging met geweld tegen of meer werknemers van voornoemd restaurant, te weten onder meer [getuige 1], en/of [getuige 2] en/of [getuige 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijker te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, bestaande dat geweld en/of die bedreiging met geweld uit:
met gemaskeerde en/of bedekte gezichten, via het drive-thru raam het restaurant binnendringen, en/of,
een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, dreigend op/in de richting van (die) medewerkster(s) tonen en/of richten, en/of,
(onder begeleiding)
onder bedreiging de kassalade uit het kassaregister wegnemen,
bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen en daar opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door,
het plan te beramen om de overval te plegen en/of,
de auto ([automerk/model 1) te huren
,
en/of,
met de een door hem bestuurde blauwgelakte [automerk/model 1] de daders naar en van de plaats van het misdrijf te vervoeren, en/of,
op de uitkijk te staan en/of op de dader(s) te wachten.
Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd (cursief). De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsmiddelen
Het Gerecht grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen zijn vervat en redengevend zijn voor de bewezenverklaring.
Voorts wordt opgemerkt dat in de bewijsmiddelen geen (expliciete) landsaanduiding is opgenomen, maar dat algemeen bekend is dat de in die bewijsmiddelen wel opgenomen plaatsen zijn gelegen in Curaçao.
1. [Betrokkene 1] deed op 11 oktober 2025 aangifte te KFC Colon. Hij heeft bij die gelegenheid onder meer het volgende verklaard:
“Ik ben manager bij Kentucky Fried Chicken. (…) Vandaag omstreeks 21.20 uur zat ik in het kantoor (…) Op een gegeven moment hoorde ik een geschreeuw. Kort hierna werd de deur van het kantoor door de werknemer genaamd [getuige 1] geopend. Zij was zeer nerveus en kon bijna niet praten. Zij was niet voor rede vatbaar. (…) Een werknemer sprak mij aan: “nan a drenta paden, nan a drenta paden” vrije vertaling verbalisant: “ze zijn naar binnen gekomen, ze zijn naar binnen gekomen.”
Later werd ik in kennis gesteld dat drie (3) gemaskeerde mannen via het raam bij de “Drive-Thru” naar binnen waren gekomen en hadden het kasregister inhoudende het geldbedrag (…) weggenomen. (…)
Weggenomen goederen: kasregister inhoudende 1750 XCG en 103 Amerikaanse dollar.”
2. [Getuige 1] werd op 11 oktober 2025 als getuige verhoord te KFC Colon. Zij heeft bij die gelegenheid onder meer het volgende verklaard:
“Ik ben (…) werkzaam bij (…) KFC. (…) omstreeks 19:00 uur (…) werd ik tewerkgesteld als kassière bij het drive station. Terwijl ik daar werkzaam was en een klant bij de drive-thru in zijn auto zat en ik hem zijn wisselgeld en zijn bestelling moest overhandigen, voelde ik opeens dat iemand van buitenaf zijn arm (…) over mijn arm heen streek. Ik keek en zag dat de persoon die mijn hand zojuist had aangetast een mij onbekende persoon betrof, die buiten het raam van de drive-thru stond (…)
Ik zag dat die persoon gekleed was in een zwartkleurig met grijs capuchon jacket met lange mouwen. Verder zag ik dat bedoelde persoon de capuchon over zijn hoofd droeg en zijn gezicht was geheel bedekt met iets zwartkleurig. (…)
Bij het voelen van zijn kledingstof tegen mijn arm, was ik hevig geschrokken. (…)
Terwijl ik (…) hard schreeuwde, begon ik gelijk naar achteren te rennen om richting het kantoor toe te gaan, zodat ik mezelf in dat kantoor kon opsluiten en beschermen. (…)”
3. [Getuige 1] werd op 11 oktober 2025 als getuige verhoord. Zij heeft bij die gelegenheid onder meer het volgende verklaard:
“(…) Ik was bezig voor te bereiden om in de “Lobby” schoon te maken. Op een gegeven moment hoorde ik mijn collega genaamd [getuige 1] schreeuwen. (…) Op een gegeven moment zag ik een man helemaal in zwart gekleed achter de toonbank staan. Hij had een capuchon over zijn hoofd. (…)
Ik was in shock en bleef staan kijken wat er gaande was. (…) Kort hierna zag ik via de etalageruit van het restaurant drie (3) gemaskeerde mannen wegrennen. (…)”
4. [Getuige 2] werd op 11 oktober 2025 als getuige verhoord. Zij heeft bij die gelegenheid onder meer het volgende verklaard:
“(…) ik ben bij KFC te Colon werkzaam. (…) Ik stond bij de “sandwich station” in de keuken. Mijn collega (…) [getuige 1] stond achter het kasregister bij de (…) “Drive-Thru”.
Op een gegeven moment hoorde ik [getuige 1]schreeuwen. Ik draaide om en zag een man helemaal in zwart gekleed die via het raam bij de “Drive-Thru” naar binnen sprong. Hierna zag ik een tweede man die de eerste dader volgde. (…)
Op dat moment schrok ik hevig en rende in de richting van de cooler om dekking te zoeken. (…)”
5. De verdachte werd op 11 oktober 2025 omstreeks 21.40 uur aangehouden. De verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben het volgende gerelateerd:
“Door de Centrale Meldkamer werden wij gedirigeerd naar de Swammerdamstraat ter hoogte van de protestantse begraafplaats, in verband met een verdachte auto. Volgens de melding stond er een kleine, blauwe auto geparkeerd langs de muur van de begraafplaats. De melder had gezien dat drie mannen uit het voertuig waren gestapt en over de muur naar de begraafplaats waren gesprongen. De auto bleef daar achter, met de koplampen nog aan.
Bij aankomst zagen wij de bedoelde kleine, blauwe auto, een [automerk/model 1], met de koplampen aan en de motor nog draaiend. De ramen waren getint, maar wij konden de bestuurder nog steeds achter het stuur waarnemen. Toen hij ons zag, stapte hij uit het voertuig en stak zijn handen in de lucht. (…)
(…) Tijdens de doorzoeking meldde de Centrale Meldkamer via de portofoon dat er zojuist een beroving had plaatsgevonden bij Kentucky Fried Chicken in het winkelcentrum Colon, en dat drie verdachten richting de protestante begraafplaats waren gevlucht, de locatie waar wij ons bevonden. (…)
Even later hoorden wij geluiden in de omgeving. (…) Kort daarna meldde de Centrale dat de verdachten door omstanders waren gezien terwijl zij richting Domi vluchtten. (…)”
6. De videobeelden van de beroving in KFC Colon werden uitgewerkt. De verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] hebben het volgende gerelateerd:
“(…) Op afbeelding 01 en 01-A is op het tijdstip 09:32:33 te zien dat er drie subjecten richting de KFC Colon aankwam rennen. Het eerste subject heeft een zwart voorwerp, gelijkend op een vuurwapen, in zijn rechterhand. (…) Op afbeelding 13 is op het tijdstip 09:32:43 te zien dat subject 01, namelijk het gewapende subject, zich ook via het raam naar binnen dringt. (…) Op afbeelding 14 is op het tijdstip 09:32:43 te zien dat subject 02 bezig is met de kassalade van het kasregister. (…) Op afbeelding 16 is op tijdstip 09:32:46 te zien dat subject 02 met de kassalade bij de opening van het raam van de drive-thru staat. Op afbeelding 17 is op tijdstip 09:32:53 te zien dat subject 02 buiten op de rijbaan van de drive-thru bevindt met de kassalade in zijn handen.”
7. De videobeelden in de omgeving van Swammerdamstraat zijn uitgewerkt. De verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] hebben het volgende gerelateerd:
“Op afbeeldingen 1 is op de tijdstippen 20:58:51 en 20:58:56 te zien dat een blauwgelakte [automerk/model 1] in Swammerdamstraat richting zuid aankwam rijden. (…) Op afbeeldingen 3 is op de tijdstippen 20:59:23, 20:59:28 en 20:59:38 te zien toen bedoelde vluchtauto een kortslag naar rechts draaide en met zijn voorzijde langs de muur van de begraafplaats ging parkeren. (…) Op afbeelding 6 is op het tijdstip 21:01:28 te zien toen de bijrijder, rechter en linker achterportieren opengingen. Verder is te zien dat (2) twee subjecten vanuit de bijrijder en rechter achterportier van bedoeld voertuig stapten. Op afbeelding 7 is op het tijdstip 21:01:28 te zien toen een derde subject vanuit de linker achterportier van bedoelde vluchtauto, stapte. (…) Op afbeeldingen 9 is op de tijdstippen 21:01:40 en 21:01:43 te zien dat (2) twee subjecten die in donkere kleren gekleed waren, wegrenden richting in de hoek langs de muur van de begraafplaats en op een gegeven moment sprongen beiden over de muur van de begraafplaats. Op afbeelding 10 is op het tijdstip 21:01:48 te zien dat een 3e subject ook in dezelfde richting die de twee andere subjecten hadden gerend, rende en over de muur van de begraafplaats klom. (…)”
8. De verdachte heeft ter terechtzitting het volgende verklaard:
“Ik bestuurde de avond van 11 november 2025 een door mij gehuurde auto. Ik had de auto twee dagen tevoren gehuurd met gebruikmaking van het rijbewijs van [betrokkene 2] (het Gerecht begrijpt: [betrokkene 2]). Het klopt dat ik toen drie mannen naar de begraafplaats naast de school in Otrobanda heb gebracht. Bij één van de mannen heb ik een vuurwapen gezien. In Otrobanda zijn de mannen uitgestapt, waarna ik in de auto op hen ben blijven wachten”
Bewijsoverwegingen
De centrale vraag die het Gerecht dient te beantwoorden is welke rol de verdachte bij de overval heeft vervuld en of zijn bijdrage kan worden gekwalificeerd als medeplichtigheid.
Het Gerecht stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van medeplichtigheid sprake moet zijn van ‘dubbel opzet’. Dat betekent dat de verdachte niet alleen opzettelijk behulpzaam moet zijn geweest, maar ook (voorwaardelijk) opzet moet hebben gehad op het door de daders gepleegde gronddelict.
Het Gerecht is van oordeel dat in het onderhavige geval aan deze vereisten is voldaan en overweegt daartoe als volgt.
Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen staat vast dat de verdachte de op 9 oktober 2025 door hem, op naam van een ander gehuurde blauwe [automerk/model 1] op 11 oktober 2025 heeft bestuurd en deze heeft geparkeerd aan de Swammerdamstraat in Otrobanda, in de directe nabijheid van de protestantse begraafplaats en de KFC te Colon. Vervolgens zijn drie in donkere kleding geklede mannen uit de auto gestapt en over de muur van de begraafplaats geklommen, terwijl de verdachte als bestuurder in de auto achterbleef met draaiende motor en brandende koplampen. Kort daarna heeft bij de KFC te Colon een gewapende overval plaatsgevonden, gepleegd door drie in donkere kleding geklede en gemaskerde mannen, van wie één een op een vuurwapen gelijkend voorwerp bij zich had. Na de overval zijn de daders in de richting van de begraafplaats weggerend.
De verdachte heeft verklaard dat hij de drie mannen slechts een lift had gegeven en niet wist wat zij van plan waren. Eerst in een later stadium heeft hij verklaard dat hij door één van de mannen met een vuurwapen zou zijn bedreigd en daarom moest blijven wachten. Het Gerecht acht deze verklaring volstrekt ongeloofwaardig. Daarbij betrekt het Gerecht dat de verdachte hierover niet direct heeft verklaard, maar eerst nadat hij met de camerabeelden was geconfronteerd. Voorts heeft de verdachte wisselende en onderling tegenstrijdige verklaringen afgelegd over zijn aanwezigheid ter plaatse. Aanvankelijk ontkende hij enige betrokkenheid en stelde hij dat niemand uit zijn auto was gestapt, terwijl uit de camerabeelden het tegendeel blijkt. Daarnaast heeft de verdachte, ondanks zijn gestelde bedreiging, geen poging ondernomen zich aan de situatie te onttrekken, weg te rijden of de politie te waarschuwen op het moment dat de drie mannen uit beeld waren geraakt. Evenmin heeft hij bij zijn aanhouding onmiddellijk melding gemaakt van die gestelde bedreiging. Onder deze omstandigheden acht het Gerecht geenszins aannemelijk dat de verdachte slechts een nietsvermoedende bestuurder was.
Bij de verwerping van het verweer neemt het Gerecht tevens in aanmerking dat het volstrekt onaannemelijk is dat de overvallers, die evident uitvoering hebben gegeven aan een vooropgezet plan, het slagen van dat plan zouden hebben laten afhangen van een ‘willekeurige c.q. onwetende passant’ die hen zou moeten vervoeren naar en van de plaats delict, en die, nadat hij hen gedrieën, donker gekleed en bewapend met een vuurwapen heeft zien uitstappen, ‘geduldig’ zou hebben moeten wachten op hun terugkeer, zonder de politie c.q. derden terstond of nadien te alarmeren c.q. in te lichten.
Hieruit leidt het Gerecht af dat de verdachte wist dat de mannen een ernstig (vermogens)delict zouden plegen. Door onder die omstandigheden als bestuurder beschikbaar te blijven en gereed te staan voor het vervoer van de uitvoerders, heeft de verdachte opzettelijk ondersteuning verleend aan de uitvoering van het misdrijf en de vluchtmogelijkheid van de daders.
Het Gerecht is dan ook van oordeel dat de verdachte opzettelijk behulpzaam is geweest bij het plegen van de overval en tevens minst genomen voorwaardelijk opzet heeft gehad op het door de uitvoerders gepleegde misdrijf. De subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid aan de overval kan derhalve wettig en overtuigend worden bewezen.
Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde
Het onder het subsidiair bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:291 juncto artikel 1:124 van het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
Medeplichtigheid aan diefstal, vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijker te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.
De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.
Oplegging van straf
Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals één en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De verdachte heeft zich als bestuurder van de vluchtauto schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan een gewapende overval. Met dit handelen heeft de verdachte een bijdrage geleverd aan een zeer ernstig feit. Overvallen veroorzaken heftige gevoelens van angst en onveiligheid, niet alleen bij de direct betrokken slachtoffers, maar ook in de samenleving als geheel. Dergelijke feiten dragen bij aan gevoelens van maatschappelijke onrust en hebben een ontwrichtende invloed op de rechtsorde in Curaçao.
Het Gerecht heeft kennis genomen van de Justitiële Documentatie van de verdachte gedateerd 14 oktober 2025. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een soortgelijk strafbaar feit is veroordeeld.
Het Gerecht heeft verder, wat de persoon van de verdachte betreft, kennisgenomen van het Voorlichtingsrapport van 6 mei 2026 en het rapport van de psycholoog van 11 februari 2026.
Naar het oordeel van het Gerecht kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een vrijheidsbeneming met zich brengt. Het Gerecht zal een gedeelte van die straf voorwaardelijk opleggen teneinde de verdachte in te scherpen zich gedurende de proeftijd niet weer aan misdrijf schuldig te maken. Daarbij houdt het Gerecht rekening met de omstandigheid dat de verdachte een jongvolwassene is en dat hij nog gebaat kan zijn bij begeleiding en ondersteuning, welke in het kader van de bijzondere voorwaarden kunnen worden vormgegeven.
Het Gerecht acht, na dit een en ander te hebben afgewogen, in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 15 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest, passend en geboden. Daarmee wijkt het Gerecht af van de eis van de officier van justitie, nu die eis naar het oordeel van het Gerecht onvoldoende recht doet aan de ernst van het bewezenverklaarde.
Bij de strafoplegging houdt het Gerecht evenwel in het voordeel van de verdachte rekening met het tijdens de aanhouding toegepaste politiegeweld. Uit het dossier, de daarvan deel uitmakende beelden en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte na zijn aanhouding, terwijl hij geknield op de grond zat, zijn handen achter zijn rug had en zijn hoofd naar voren gebogen hield, door twee politieambtenaren meermalen tegen het hoofd is geslagen en eenmaal tegen de rug is geschopt, zonder dat daarvoor een rechtvaardiging bestond. Naar het oordeel van het Gerecht is hiermee sprake van een normschending als bedoeld in artikel 413 van het Wetboek van Strafvordering. Hoewel bij de verdachte geen zichtbaar letsel is vastgesteld dat medische behandeling noodzakelijk maakte, dient ook een aangehouden verdachte gevrijwaard te blijven van ongerechtvaardigd geweld door politieambtenaren. Het Gerecht neemt daarbij het volgende in aanmerking. Samenleven vergt het maken van afspraken, regels, wetten, én de naleving én de handhaving daarvan. De handhavende macht, waarvan de politie een essentieel onderdeel is, vervult hierin een voorbeeldrol binnen de samenleving. Hier ligt dus voor de politie een zeer grote verantwoordelijkheid. Het is dan ook volstrekt onaanvaardbaar dat een weerloze aangehouden persoon geconfronteerd wordt met ongerechtvaardigd fysiek gewelddadig optreden, gelijk hier aan de orde is. Ook arrestanten die zich houden aan de regels/instructies, moeten zich veilig weten in handen van de politie. Dit geldt ook in ‘spannende’ omstandigheden waarin van politiemensen, zijnde getrainde professionals, zelfbeheersing en discipline moet kunnen worden gevergd.
Strafvermindering laat zich als rechtsgevolg dat geschikt is voor compensatie van door de verdachte ondervonden nadeel, verbinden aan onder meer vormverzuimen die een inbreuk hebben gemaakt op de lichamelijke integriteit of de persoonlijke levenssfeer. En daarvan is in deze zaak sprake. Voor toepassing van strafvermindering als aan dit vormverzuim te verbinden rechtsgevolg is vereist dat (a) de verdachte daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden, (b) dit nadeel veroorzaakt is door het verzuim, (c) het nadeel geschikt is voor compensatie door minder van strafvermindering, en (d) strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is. De Hoge Raad heeft bij arresten van 1 december 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1890 en ECLI:NL:HR:2020:1889) bepaald dat het moet gaan om een voldoende ernstig vormverzuim dat concreet de belangen van de verdachte in de strafzaak heeft aangetast.
Het Gerecht is van oordeel dat van dit laatste in onderhavige zaak sprake is. Op grond van de hierboven vastgestelde feiten en omstandigheden is sprake geweest van een onherstelbaar vormverzuim dat een inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van de verdachte. Dat dient gecompenseerd te worden door middel van strafvermindering, aangezien de verdachte door het vormverzuim daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden en strafvermindering in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is. Het Gerecht ziet derhalve aanleiding om de aan de verdachte op te leggen straf te matigen.
Het Gerecht acht, gelet op de aard en ernst van deze normschending, strafvermindering het passende rechtsgevolg en zal daarom een strafkorting toepassen van drie maanden. Alles afwegende acht het Gerecht een gevangenisstraf voor de duur van 27 maanden, waarvan 15 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van drie jaren, passend en geboden. De verdachte zal daartoe dan ook worden veroordeeld.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:19, 1:20 en 1:21 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.
BESLISSING
Het Gerecht:
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte primair ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de 27 (zevenentwintig) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;
bepaalt dat van deze straf een gedeelte, groot 15 (vijftien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt;
als bijzondere voorwaarde wordt gesteld dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, te geven door of namens de Uitvoeringsorganisatie Reclassering Curaçao, zulks zolang deze instelling dit gedurende de proeftijd nodig oordeelt, ook als dat inhoudt dat de verdachte een SoVa-training gericht op emotieregulatie en weerbaarheid dient te volgen en zich onder behandeling stelt bij FMA.
Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. W. Foppen, bijgestaan door mr. O.H.M. Leito (zittingsgriffier), en op 29 mei 2026 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Curaçao.
Hierna wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar ambtsedige - en door de desbetreffende verbalisant(en) in wettelijke vorm opgemaakte - processen-verbaal en overige geschriften, die als bijlagen zijn opgenomen in het eindproces-verbaal van het Korps Politie Curaçao (Recherche Informatie Dienst, Divisie Centrale Recherche, Lokaal Ernstige Criminaliteit, Team Roofovervallen) d.d. 22 april 2026, geregistreerd onder proces-verbaalnummer 77/26 BRB en de onderzoeksnaam “[onderzoeksnaam]”, doorgenummerde dossierpagina’s 1 – 142.
Proces-verbaal van aangifte d.d. 12 oktober 2025, geregistreerd onder documentcode 2025033426_20251012_08.00doc, dossierpagina’s 16 - 17.
Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1], d.d. 12 oktober 2025, geregistreerd onder documentcode 2025033426_20251012_1230.doc, dossierpagina’s 18 – 20.
Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3], d.d. 13 oktober 2025, geregistreerd onder het proces-verbaalnummer 2025033426.20251013.09.00, dossierpagina’s 24 – 26.
Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2], d.d. 13 oktober 2025, geregistreerd onder het proces-verbaalnummer 2025033426.20251013.09.30, dossierpagina’s 21 – 23.
Proces-verbaal van aanhouding op heterdaad verdachte [verdacte], d.d. 12 oktober 2025, documentcode 2025033426_20251012_132009.doc, dossierpagina’s 78 – 81.
Proces-verbaal van bevinding uitwerking videobeelden KFC, d.d. 16 oktober 2025, geregistreerd onder het proces-verbaalnummer 20251016 15.15, dossierpagina’s 27 -39.
Proces-verbaal van bevinding uitwerking videobeelden omgeving begraafplaats, d.d. 16 oktober 2025, geregistreerd onder het proces-verbaalnummer 20250616 15.15, dossierpagina’s 46 – 53.
Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 8 mei 2026, zoals die eventueel later – indien tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld – in het proces-verbaal van die terechtzitting zal worden weergegeven.