Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
ECLI:NL:OGHACMB:2026:219
2026-08-13
Civiel recht
AUA2026H00111
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Aruba. Art. 272 Rv. Schorsingsprocedure naar zijn aard beperkt tot condemnatoire vonnissen.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.949 tekens)
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
op de vordering tot schorsing ex artikel 272 Rv van:
[VERZOEKSTER],
wonend in Aruba,
hierna te noemen: [Verzoekster],
oorspronkelijk eiseres in conventie, verweerster in reconventie, thans appellante,
verzoekster tot schorsing,
gemachtigden: mrs. A.A. Ruiz, B.F.H. Croes en M.R.M. Reinkemeyer,
tegen
[VERWEERSTER],
wonend in Aruba,
hierna te noemen: [Verweerster],
oorspronkelijk gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, thans geïntimeerde,
verweerster tegen het schorsingsverzoek,
gemachtigden: mrs. V.C. Perše, R.A. Wix en R.A.M. van de Velde.
1Het verloop van de procedure
1.1.
Bij akte van 2 juli 2026 is [Verzoekster] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen op 12 juni 2026 uitgesproken vonnis in kort geding (hierna: het bestreden vonnis) van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht).
1.2.
Bij op 24 juli 2026 ingekomen afzonderlijk verzoekschrift, met producties, heeft [Verzoekster] de volgende vordering ingesteld:
I. De tenuitvoerlegging van het Vonnis te schorsen totdat Uw Hof in hoger beroep einduitspraak heeft gedaan;
II. Bij wijze van ordemaatregel aan [Verweerster] te bevelen om met onmiddellijke ingang alle bouw- en graafwerkzaamheden op en/of aan Perceel [Verweerster] te staken en gestaakt te houden, voor zover en zolang deze werkzaamheden een onrechtmatige inbreuk maken op de rechten en belangen van [Verzoekster], waaronder in ieder geval begrepen bouwwerkzaamheden die:
- plaatsvinden in strijd met dwingendrechtelijke bouwvoorschriften; en/of
- leiden tot schade aan, dan wel een reëel risico opleveren voor de fundering, het pand en het erfpacht- en eigendomsrecht van [Verzoekster],
III. te bepalen dat [Verweerster] voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij in strijd handelt met het onder II bepaalde, een dwangsom verbeurt van Afl. 15.000,00, althans een door Uw Hof in goede justitie vast to stellen bedrag;
IV. [Verweerster] te veroordelen in de proceskosten en nakosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de veertiende dag na betekening van het in deze te wijzen vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.
1.3.
Bij verweerschrift, met producties, ingediend op 31 juli 2026, heeft [Verweerster] verweer gevoerd en geconcludeerd dat het Hof [Verzoekster] niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vorderingen, althans deze zal afwijzen, met haar veroordeling in de kosten.
1.4.
Op 7 augustus 2026 hebben partijen zich per e-mail uitgelaten over de vorderingen.
1.5.
Vonnis is bepaald op heden.
2De beoordeling
2.1.
Art. 272 Rv bepaalt dat indien hoger beroep is ingesteld tegen een vonnis dat uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, het Hof de tenuitvoerlegging daarvan op vordering van een partij alsnog kan schorsen.
2.2.
Het gaat in deze zaak – samengevat – om het volgende. [Verzoekster] is erfpachter van drie percelen grond (plaatselijk bekend als [Adres X]) en [Verweerster] is erfpachter van twee aangrenzende percelen (plaatselijk bekend als [Adres Y]), zoals in het bestreden vonnis nader omschreven. Partijen zijn sinds 2021 in burengeschillen verwikkeld. Na een bouwvergunning te hebben verkregen is [Verweerster] eind april 2026 aangevangen met (voorbereidende) bouwwerkzaamheden op haar percelen.
2.3.
Bij het bestreden vonnis is – samengevat en voor zover nu van belang – het door [Verzoekster] gevorderde bevel om de bouwwerkzaamheden te staken, afgewezen.
2.4.
Het Hof zal de vordering afwijzen en motiveert dit als volgt.
2.5.
De procedure ex art. 272 Rv beperkt zich naar zijn aard tot zogenoemde condemnatoire vonnissen, dat zijn veroordelende vonnissen waarbij de veroordeelde partij verplicht is om een bepaalde prestatie te leveren, bijvoorbeeld een doen dan wel een nalaten, een geven of een dulden. Andere typen vonnissen lenen zich niet voor tenuitvoerlegging, waardoor er geen sprake is van een tenuitvoerlegging die geschorst zou kunnen worden.
2.6.
Het onder I. gevorderde (dat kennelijk niet ziet op de proceskostenveroordeling) strandt reeds hierop. Het ziet immers (slechts) op de afwijzing van de door [Verzoekster] gevorderde bouwstop en die afwijzing leent zich niet voor tenuitvoerlegging.
2.7.
Het onder II. gevorderde komt evenmin voor toewijzing in aanmerking. De verzochte ordemaatregel als bedoeld in art. 112 lid 2 Procesreglement 2023 jo. art. 272 Rv is reeds afgewezen bij e-mail van de griffie van het Hof van 27 juli 2026, waarnaar op deze plaats kortheidshalve wordt verwezen. Voor zover [Verzoekster] mocht hebben beoogd met haar verzoek (tevens) een provisionele eis in te stellen als bedoeld in art. 54 Rv, wijst het Hof die ook af. Een belangenafweging valt namelijk niet in het voordeel van [Verzoekster] uit. Het Hof ziet geen aanleiding deze belangenafweging in dit stadium anders te doen uitvallen dan het Gerecht heeft gedaan, in rov. 4.16 van het bestreden vonnis, naar aanleiding van de (nagenoeg) gelijkluidende vordering die de inzet is van deze kort geding-procedure. Van nieuwe feiten of omstandigheden die een noodtoestand zouden doen ontstaan voor [Verzoekster] en zodoende tot een provisionele voorziening zouden kunnen nopen, is niet gebleken (vergelijk ook de Arubaanse zaak: GHvJ 22 juni 2026, ECLI:NL:OGHACMB:2026:163, onder 2.9).
2.8.
Het onder III. en IV. gevorderde heeft geen zelfstandig belang.
2.9.
De vordering wordt afgewezen en [Verzoekster] wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten veroordeeld.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
- wijst de vordering af;
- veroordeelt [Verzoekster] in de kosten van dit schorsingsincident aan de zijde van [Verweerster] gevallen, tot op heden begroot op Afl. 2.000,- aan gemachtigdensalaris.
Dit vonnis is gewezen door mrs. E.A. Saleh, E.M. van der Bunt, G.C.C. Lewin, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en uitgesproken op 13 augustus 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
op de vordering tot schorsing ex artikel 272 Rv van:
[VERZOEKSTER],
wonend in Aruba,
hierna te noemen: [Verzoekster],
oorspronkelijk eiseres in conventie, verweerster in reconventie, thans appellante,
verzoekster tot schorsing,
gemachtigden: mrs. A.A. Ruiz, B.F.H. Croes en M.R.M. Reinkemeyer,
tegen
[VERWEERSTER],
wonend in Aruba,
hierna te noemen: [Verweerster],
oorspronkelijk gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, thans geïntimeerde,
verweerster tegen het schorsingsverzoek,
gemachtigden: mrs. V.C. Perše, R.A. Wix en R.A.M. van de Velde.
1Het verloop van de procedure
1.1.
Bij akte van 2 juli 2026 is [Verzoekster] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen op 12 juni 2026 uitgesproken vonnis in kort geding (hierna: het bestreden vonnis) van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht).
1.2.
Bij op 24 juli 2026 ingekomen afzonderlijk verzoekschrift, met producties, heeft [Verzoekster] de volgende vordering ingesteld:
I. De tenuitvoerlegging van het Vonnis te schorsen totdat Uw Hof in hoger beroep einduitspraak heeft gedaan;
II. Bij wijze van ordemaatregel aan [Verweerster] te bevelen om met onmiddellijke ingang alle bouw- en graafwerkzaamheden op en/of aan Perceel [Verweerster] te staken en gestaakt te houden, voor zover en zolang deze werkzaamheden een onrechtmatige inbreuk maken op de rechten en belangen van [Verzoekster], waaronder in ieder geval begrepen bouwwerkzaamheden die:
- plaatsvinden in strijd met dwingendrechtelijke bouwvoorschriften; en/of
- leiden tot schade aan, dan wel een reëel risico opleveren voor de fundering, het pand en het erfpacht- en eigendomsrecht van [Verzoekster],
III. te bepalen dat [Verweerster] voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij in strijd handelt met het onder II bepaalde, een dwangsom verbeurt van Afl. 15.000,00, althans een door Uw Hof in goede justitie vast to stellen bedrag;
IV. [Verweerster] te veroordelen in de proceskosten en nakosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de veertiende dag na betekening van het in deze te wijzen vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.
1.3.
Bij verweerschrift, met producties, ingediend op 31 juli 2026, heeft [Verweerster] verweer gevoerd en geconcludeerd dat het Hof [Verzoekster] niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vorderingen, althans deze zal afwijzen, met haar veroordeling in de kosten.
1.4.
Op 7 augustus 2026 hebben partijen zich per e-mail uitgelaten over de vorderingen.
1.5.
Vonnis is bepaald op heden.
2De beoordeling
2.1.
Art. 272 Rv bepaalt dat indien hoger beroep is ingesteld tegen een vonnis dat uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, het Hof de tenuitvoerlegging daarvan op vordering van een partij alsnog kan schorsen.
2.2.
Het gaat in deze zaak – samengevat – om het volgende. [Verzoekster] is erfpachter van drie percelen grond (plaatselijk bekend als [Adres X]) en [Verweerster] is erfpachter van twee aangrenzende percelen (plaatselijk bekend als [Adres Y]), zoals in het bestreden vonnis nader omschreven. Partijen zijn sinds 2021 in burengeschillen verwikkeld. Na een bouwvergunning te hebben verkregen is [Verweerster] eind april 2026 aangevangen met (voorbereidende) bouwwerkzaamheden op haar percelen.
2.3.
Bij het bestreden vonnis is – samengevat en voor zover nu van belang – het door [Verzoekster] gevorderde bevel om de bouwwerkzaamheden te staken, afgewezen.
2.4.
Het Hof zal de vordering afwijzen en motiveert dit als volgt.
2.5.
De procedure ex art. 272 Rv beperkt zich naar zijn aard tot zogenoemde condemnatoire vonnissen, dat zijn veroordelende vonnissen waarbij de veroordeelde partij verplicht is om een bepaalde prestatie te leveren, bijvoorbeeld een doen dan wel een nalaten, een geven of een dulden. Andere typen vonnissen lenen zich niet voor tenuitvoerlegging, waardoor er geen sprake is van een tenuitvoerlegging die geschorst zou kunnen worden.
2.6.
Het onder I. gevorderde (dat kennelijk niet ziet op de proceskostenveroordeling) strandt reeds hierop. Het ziet immers (slechts) op de afwijzing van de door [Verzoekster] gevorderde bouwstop en die afwijzing leent zich niet voor tenuitvoerlegging.
2.7.
Het onder II. gevorderde komt evenmin voor toewijzing in aanmerking. De verzochte ordemaatregel als bedoeld in art. 112 lid 2 Procesreglement 2023 jo. art. 272 Rv is reeds afgewezen bij e-mail van de griffie van het Hof van 27 juli 2026, waarnaar op deze plaats kortheidshalve wordt verwezen. Voor zover [Verzoekster] mocht hebben beoogd met haar verzoek (tevens) een provisionele eis in te stellen als bedoeld in art. 54 Rv, wijst het Hof die ook af. Een belangenafweging valt namelijk niet in het voordeel van [Verzoekster] uit. Het Hof ziet geen aanleiding deze belangenafweging in dit stadium anders te doen uitvallen dan het Gerecht heeft gedaan, in rov. 4.16 van het bestreden vonnis, naar aanleiding van de (nagenoeg) gelijkluidende vordering die de inzet is van deze kort geding-procedure. Van nieuwe feiten of omstandigheden die een noodtoestand zouden doen ontstaan voor [Verzoekster] en zodoende tot een provisionele voorziening zouden kunnen nopen, is niet gebleken (vergelijk ook de Arubaanse zaak: GHvJ 22 juni 2026, ECLI:NL:OGHACMB:2026:163, onder 2.9).
2.8.
Het onder III. en IV. gevorderde heeft geen zelfstandig belang.
2.9.
De vordering wordt afgewezen en [Verzoekster] wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten veroordeeld.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
- wijst de vordering af;
- veroordeelt [Verzoekster] in de kosten van dit schorsingsincident aan de zijde van [Verweerster] gevallen, tot op heden begroot op Afl. 2.000,- aan gemachtigdensalaris.
Dit vonnis is gewezen door mrs. E.A. Saleh, E.M. van der Bunt, G.C.C. Lewin, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en uitgesproken op 13 augustus 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.