Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

ECLI:NL:OGHACMB:2026:207

2026-07-28 Civiel recht SXM2025H00006
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Uitspraakdatum
2026-07-28
Publicatiedatum
2026-08-13
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
SXM2025H00006
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Sint Maarten. Afgifte zwembad. Kort geding. Afstemmingsregel. Verband met ECLI:NL:OGEAM:2025:95.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (5.861 tekens)
Burgerlijke zaken over 2026
Zaaknummers: SXM202401452 – SXM2025H00006
Uitspraak: 28 juli 2026 (in Curaçao)




GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba




V O N N I S




in kort geding in de zaak van:


1. [APPELLANT 1]
2. [APPELLANTE 2],

beiden wonende in Sint Maarten,
in eerste aanleg gedaagden in conventie, eisers in reconventie,
thans appellanten,
gemachtigde: E.I. Maduro,



tegen



de besloten vennootschap

FT NOFRAG B.V.,

h.o.d.n. FT CONSTRUCTION,
gevestigd in Sint Maarten,
in eerste aanleg eiseres in conventie, verweerster in reconventie,
thans geïntimeerde,
gemachtigde: mr. B. Brooks.



Partijen worden hierna [appellanten] en FT genoemd.






1De zaak in het kort


Dit kort geding betreft de afgifte van een zwembad waarop beslag is gelegd. Het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (verder: het Gerecht) heeft in het bestreden vonnis van 10 januari 2025 geoordeeld dat bij afgifte van het zwembad spoedeisend belang bestaat en een opschortingsrecht om die afgifte te verhinderen onvoldoende aannemelijk is.
Inmiddels is tussen partijen in een bodemzaak vonnis gewezen over dezelfde geschilpunten als in dit kort geding aan de orde zijn. Het Hof bevestigt het vonnis waarvan beroep op grond van de zogenaamde ‘afstemmingsregel’.






2Het verloop van de procedure


2.1. [
appellanten] hebben met een op 17 januari 2025 ingediende akte hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht. Zij hebben op 6 februari 2025 een memorie van grieven (met producties) ingediend. Daarbij is de eis (in reconventie) vermeerderd, met dien verstande dat ook een vergoeding voor de opslag van het zwembad wordt gevorderd.



2.2.
FT heeft op 13 maart 2025 een memorie van antwoord (met producties) ingediend.



2.3.
Op de zitting van het Hof van 27 augustus 2025 hebben beide partijen pleitnotities overgelegd. FT heeft daarbij een productie overgelegd. Ook heeft FT daarin een incident tot zekerheidstelling voor de proceskosten opgeworpen. Het Hof heeft daarop bepaald dat het vonnis zal wijzen.






3De beoordeling


3.1
Het gaat hier om een kort geding waarin het Gerecht een bevel tot levering van een zwembad heeft gegeven. Het beroep op opschorting van de leveringsplicht, gebaseerd op een gepretendeerde tegenvordering, is verworpen. De vordering tot betaling van die tegenvordering is afgewezen evenals een vordering in reconventie tot opheffing van een beslag.



3.2
De rechter die in kort geding beslist op een vordering tot het geven van een voorlopige voorziening nadat de civiele bodemrechter een vonnis in de hoofdzaak heeft gewezen, dient in beginsel zijn vonnis af te stemmen op het oordeel van die bodemrechter. Dat wordt de afstemmingsregel genoemd.



3.3
In een bodemzaak tussen partijen heeft, zo is het Hof ambtshalve bekend, het Gerecht op 30 september 2025 (SXM202500023, ECLI:NL:OGEAM:2025:95) uitspraak gedaan. Tegen dit vonnis hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld (SXM2025H00096). Op dat hoger beroep is nog niet beslist. Het Gerecht heeft (in conventie) geoordeeld dat [appellanten] hun prestaties niet mochten opschorten en dat zij jegens FT schadeplichtig zijn. Zij zijn veroordeeld tot betaling van schadevergoeding. In reconventie zijn alle vorderingen van [appellanten] afgewezen. Dat betreft zowel de schadevergoeding die [appellanten] in dit kort geding in eerste aanleg hebben gevorderd als de vergoeding van de opslagkosten die [appellanten] in dit kort geding in hoger beroep hebben gevorderd, terwijl in de bodemzaak ook is beslist dat FT terecht beslag heeft doen leggen. Die vordering had dezelfde grondslag als zijn (vermeerderde) vordering in dit kort geding.



3.4
Dit oordeel van de bodemrechter impliceert dat de voorlopige voorziening in het bestreden kort gedingvonnis (afgifte zwembad) terecht is gegeven en de reconventionele vordering van [appellanten] terecht is afgewezen. Van een misslag in het vonnis van de bodemrechter, gewijzigde omstandigheden of een andere reden om van het in de afstemmingsregel neergelegde uitgangspunt af te wijken is niet gebleken.



3.5
Bij beoordeling van het incident tot zekerheidstelling heeft FT, gezien het voorgaande, geen belang meer.



3.6
Als in het ongelijk gestelde partij worden [appellanten] veroordeeld in de kosten van de procedure. Die kosten bedragen Cg 240,50 (exploot van betekening memorie van antwoord) en Cg 5.000 salaris advocaat (2,5 punten tarief 5 à Cg 2.000 per punt).



B E S L I S S I N G



Het Hof in kort geding:



bevestigt het vonnis van het Gerecht van 10 januari 2025;



veroordeelt [appellanten] in de kosten van de procedure in hoger beroep en begroot die kosten op Cg 240,50 aan verschotten en Cg 5.000 aan salaris advocaat;



wijst af wat meer of anders is gevorderd.




Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, W.P.M. ter Berg en P.J. Duinkerken, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 28 juli 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.