Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
ECLI:NL:OGHACMB:2026:155
2026-06-09
Civiel recht
AUA2023H00165
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Aruba. Vervolg op ECLI:NL:OGHACMB:2025:173. Schenking tussen echtgenoten. Pauliana. De broer van de erflater kan zijn vordering niet verhalen op de verkoopopbrengst van de woning.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:1997:ZC2292 Hoge Raad 21-02-1997
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.385 tekens)
Burgerlijke zaken over 2026
Zaaknummers: AUA202102575 – AUA2023H00165
Uitspraak: 9 juni 2026
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
1[WEDUWE],
2. [DOCHTER 3],
3. [DOCHTER 4],
allen wonende in Nederland,
in eerste aanleg gedaagden, thans appellanten,
gemachtigden: mrs. R.A. Wix en R.A.M. van de Velde,
en
4[DOCHTER 1],
wonende in Nederland,
in eerste aanleg gedaagde,
thans gevoegde partij aan de zijde van appellanten,
gemachtigde: mr. R.A. Wix,
tegen
[BROER],
wonende te Soest, Nederland,
in eerste aanleg eiser, thans geïntimeerde,
gemachtigde: mr. G. de Hoogd,
en
[DOCHTER 2],
wonende in Hilversum, Nederland,
in eerste aanleg gedaagde, thans geïntimeerde,
in hoger beroep niet verschenen.
Partijen worden hierna [weduwe], [dochter 3], [dochter 4], [dochter 1], [broer] en [dochter 2] genoemd.
[weduwe], [dochter 3], [dochter 4] en [dochter 1] worden gezamenlijk ook aangeduid als [weduwe] c.s.
1. De zaak in het kort
[broer] heeft geld uitgeleend aan zijn broer. De broer is overleden.
In deze procedure probeert [broer] te bereiken dat de erfgenamen van de broer, of sommigen van hen, het uitgeleende bedrag aan hem terugbetalen. In geschil is onder meer of de vordering van [broer] kan worden verhaald op de helft van de opbrengst van de verkoop van een woning.
Het Gerecht heeft de vordering voor een belangrijk deel toegewezen.
In dit hoger beroep komt het Hof (na een eerder tussenvonnis) tot een ander oordeel dan het Gerecht over de verhaalbaarheid van de vordering op de helft van de verkoopopbrengst van de woning.
2. Het verdere verloop van de procedure
2.1
Bij vonnis van 1 juli 2025, ECLI:NL:OGHACMB:2025:173 (hierna: het tussenvonnis) heeft het Hof de deurwaarder opgedragen stukken te betekenen aan [dochter 2] en overwogen dat de zaak daarna naar de rol zal worden verwezen voor conclusie na tussenvonnis.
2.2
De deurwaarder heeft de stukken aan [dochter 2] betekend door een exploot van 7 november 2025 te doen aan het kantoor van de Directie Wetgeving en Juridische Zaken in Aruba.
2.3 [
[dochter 2] is niet verschenen en heeft geen memorie van antwoord ingediend.
2.4
Op 31 maart 2026 hebben [weduwe] c.s. en [broer] een conclusie na tussenvonnis ingediend.
2.5
Vonnis is bepaald op vandaag.
3. De verdere beoordeling
3.1
De stukken zijn correct aan [dochter 2] betekend.
3.2
De feiten waarvan het Hof onder 3.1-3.1.12 van het tussenvonnis voorlopig is uitgegaan, stelt het Hof nu vast als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist.
3.3
In het tussenvonnis heeft het Hof onder 3.10 overwogen:
In de huwelijkse voorwaarden is de woning aan [weduwe] toegedeeld. Bij verkoop van de woning valt de verkoopopbrengst daarom in het vermogen van [weduwe]. Dit kan niet buiten de huwelijkse voorwaarden om veranderd worden.
3.4 [
[weduwe] c.s. hebben te kennen gegeven deze overweging te onderschrijven. [broer] heeft zich niet over deze overweging uitgelaten. Het Hof maakt de overweging nu tot een eindbeslissing.
3.5
In het tussenvonnis heeft het Hof onder 3.11 overwogen:
Wat [weduwe] en de erflater buiten de huwelijkse voorwaarden om onderling zijn overeengekomen, lijkt erop neer te komen dat zij onder een tijdsbepaling een bepaald vermogensbestanddeel om niet zullen overdragen van de ene echtgenoot aan de andere, namelijk dat [weduwe] bij verkoop van de woning de helft van de opbrengst om niet zal overdragen aan de erflater. Indien de overeenkomst zo moet worden opgevat, dient zij te worden aangemerkt als een schenking tussen echtgenoten. In het tot 1 september 2021 geldende erfrecht waren schenkingen tussen echtgenoten verboden (art. 7A:1697 BW). In zoverre lijkt het hoger beroep gegrond te zijn, zij het dat de grieven geen beroep doen op het naar oud recht geldende verbod van schenking tussen echtgenoten.
3.6 [
[weduwe] c.s. hebben te kennen gegeven deze overweging te onderschrijven en zij hebben alsnog een beroep gedaan op het naar oud recht geldende verbod van schenking tussen echtgenoten.
3.7 [
[broer] heeft de overweging bestreden door zich op het standpunt te stellen dat een overeenkomst die inhoudt dat [weduwe] en de erflater na verkoop van de woning de verkoopopbrengst gelijkelijk zullen verdelen heel iets anders is dan een overeenkomst die inhoudt dat [weduwe] na verkoop van de woning de helft van de verkoopopbrengst om niet zal overdragen aan de erflater. [broer] heeft dit standpunt echter niet toegelicht. Het brengt het Hof niet op andere gedachten. De opbrengstovereenkomst moet worden aangemerkt als een schenking tussen echtgenoten.
3.8 [
[broer] heeft tegen de overweging verder aangevoerd dat het schenkingsverbod in dit geval wordt doorkruist. Hiertoe heeft hij aangevoerd:
a. dat de opbrengstovereenkomst is gesloten ter voldoening aan een natuurlijke verbintenis, en
b. dat de opbrengstovereenkomst deel uitmaakt van een aantal zuiver vermogensordenende handelingen zonder bevoordelingsbedoeling.
3.9
Dit betoog kan niet als juist worden aanvaard. De opbrengstovereenkomst wordt aangemerkt als een schenking van [weduwe] aan de erflater. Onvoldoende is gesteld om aan te nemen dat [weduwe] enige verplichting van moraal en fatsoen had om deze schenking aan de erflater te doen. Verder leidde de notariële akte tot vermogensverschuivingen en is de opbrengstovereenkomst bedoeld om de erflater in verband daarmee een verbintenisrechtelijke aanspraak op [weduwe] te verschaffen. Daarom kunnen de handelingen niet aangemerkt worden als zuiver vermogensordenende handelingen zonder bevoordelingsbedoeling. Het schenkingsverbod is dan ook niet doorkruist.
3.10
Het voorgaande brengt mee dat de opbrengstovereenkomst niet rechtsgeldig is. Deze heeft daarom niet bewerkstelligd dat een vordering van de erflater op [weduwe] is ontstaan ter hoogte van de helft van de verkoopopbrengst, en evenmin dat de helft van de verkoopopbrengst in de nalatenschap valt, zodat de vordering van [broer] niet uit dien hoofde uit de nalatenschap kan worden voldaan. In zoverre is het hoger beroep gegrond.
3.11
In het tussenvonnis heeft het Hof onder 3.12 overwogen:
Ingevolge de devolutieve werking van het hoger beroep dient beoordeeld te worden of de toedeling van de woning bij huwelijkse voorwaarden in 2018 paulianeus is, zoals aan de brief van mr. De Hoogd van 29 maart 2022 ten grondslag is gelegd en [broer] in eerste aanleg bij akte vermeerdering van eis heeft betoogd. Vernietiging krachtens art. 3:45 BW heeft ingevolge lid 3 relatieve werking. Zij strekt slechts ten behoeve van de schuldeiser die zich op de Pauliana heeft beroepen (in dit geval [broer]) en gaat niet verder dan nodig is voor de opheffing van de door hem ondervonden benadeling.
3.12 [
[weduwe] c.s. hebben betoogd dat de toedeling van de woning bij huwelijkse voorwaarden in 2018 niet paulianeus is. [broer] heeft het tegenovergestelde standpunt verdedigd.
3.13
Een van de vereisten voor vernietigbaarheid van een rechtshandeling ingevolge art. 3:45 BW (actio Pauliana), is dat benadeling van een schuldeiser in de verhaalsmogelijkheden het gevolg is. Op zichzelf leidt een verdeling van een wettelijke huwelijksgoederengemeenschap staande huwelijk ertoe dat toekomstige schuldeisers in een nadeliger positie komen te verkeren. Schuldeisers worden hiertegen echter tot op zekere hoogte beschermd in Boek 1 Titel 7 Afdeling 3 (ontbinding van de wettelijke huwelijksgoederengemeenschap). Daarom is die enkele omstandigheid onvoldoende om een dergelijke verdeling als paulianeus aan te merken (vergelijk: HR 21 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2292, NJ 1998/205). [broer] heeft aan zijn beroep op art. 3:45 BW ten grondslag gelegd dat hij door de toedeling van de woning aan [weduwe] geen verhaal op de woning meer kan nemen voor zijn vordering. Gelet op het voorgaande is die enkele omstandigheid onvoldoende voor een geslaagd beroep op art. 3:45 BW. Voor het overige heeft hij niets aangevoerd over benadeling van schuldeisers. Zijn beroep op art. 3:45 BW faalt daarom.
3.14
De toedeling van de woning aan [weduwe] zoals vermeld in de notariële akte van 2018 blijft in stand. De opbrengstovereenkomst kan niet als geldig worden aanvaard en kan [broer] daarom niet baten. Dit betekent dat [broer] zijn vordering niet kan verhalen op (de helft van) de verkoopopbrengst van de woning. Daarom slaagt het hoger beroep in wezen. [broer] zal als de in wezen in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van beide instanties. Niettemin betreft zijn vordering een schuld van de nalatenschap die verhaald kan worden op de goederen uit de nalatenschap, voor zover die er zijn. De veroordeling tot betaling uit de nalatenschap, indien en voor zover die toereikend is, zal daarom in stand blijven.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
bevestigt de veroordeling die is uitgesproken onder 5.1 van het vonnis waarvan beroep (kort gezegd: veroordeling tot betaling van € 16.000 uit de nalatenschap, indien en voor zover de nalatenschap toereikend is, uitvoerbaar bij voorraad);
vernietigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
wijst de vorderingen van [broer] (voor het overige) af;
veroordeelt [broer] in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van [weduwe] c.s. gevallen en begroot op Afl. 5.000,00 aan salaris voor de gemachtigde;
veroordeelt [broer] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [weduwe] c.s. gevallen en tot op heden begroot op Afl. 1.991,85 aan verschotten en Afl. 6.000,00 aan salaris voor de gemachtigde;
verklaart de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, J. de Boer en W.P.M. ter Berg, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, ondertekend door de rolrechter en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 9 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.
Zaaknummers: AUA202102575 – AUA2023H00165
Uitspraak: 9 juni 2026
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
1[WEDUWE],
2. [DOCHTER 3],
3. [DOCHTER 4],
allen wonende in Nederland,
in eerste aanleg gedaagden, thans appellanten,
gemachtigden: mrs. R.A. Wix en R.A.M. van de Velde,
en
4[DOCHTER 1],
wonende in Nederland,
in eerste aanleg gedaagde,
thans gevoegde partij aan de zijde van appellanten,
gemachtigde: mr. R.A. Wix,
tegen
[BROER],
wonende te Soest, Nederland,
in eerste aanleg eiser, thans geïntimeerde,
gemachtigde: mr. G. de Hoogd,
en
[DOCHTER 2],
wonende in Hilversum, Nederland,
in eerste aanleg gedaagde, thans geïntimeerde,
in hoger beroep niet verschenen.
Partijen worden hierna [weduwe], [dochter 3], [dochter 4], [dochter 1], [broer] en [dochter 2] genoemd.
[weduwe], [dochter 3], [dochter 4] en [dochter 1] worden gezamenlijk ook aangeduid als [weduwe] c.s.
1. De zaak in het kort
[broer] heeft geld uitgeleend aan zijn broer. De broer is overleden.
In deze procedure probeert [broer] te bereiken dat de erfgenamen van de broer, of sommigen van hen, het uitgeleende bedrag aan hem terugbetalen. In geschil is onder meer of de vordering van [broer] kan worden verhaald op de helft van de opbrengst van de verkoop van een woning.
Het Gerecht heeft de vordering voor een belangrijk deel toegewezen.
In dit hoger beroep komt het Hof (na een eerder tussenvonnis) tot een ander oordeel dan het Gerecht over de verhaalbaarheid van de vordering op de helft van de verkoopopbrengst van de woning.
2. Het verdere verloop van de procedure
2.1
Bij vonnis van 1 juli 2025, ECLI:NL:OGHACMB:2025:173 (hierna: het tussenvonnis) heeft het Hof de deurwaarder opgedragen stukken te betekenen aan [dochter 2] en overwogen dat de zaak daarna naar de rol zal worden verwezen voor conclusie na tussenvonnis.
2.2
De deurwaarder heeft de stukken aan [dochter 2] betekend door een exploot van 7 november 2025 te doen aan het kantoor van de Directie Wetgeving en Juridische Zaken in Aruba.
2.3 [
[dochter 2] is niet verschenen en heeft geen memorie van antwoord ingediend.
2.4
Op 31 maart 2026 hebben [weduwe] c.s. en [broer] een conclusie na tussenvonnis ingediend.
2.5
Vonnis is bepaald op vandaag.
3. De verdere beoordeling
3.1
De stukken zijn correct aan [dochter 2] betekend.
3.2
De feiten waarvan het Hof onder 3.1-3.1.12 van het tussenvonnis voorlopig is uitgegaan, stelt het Hof nu vast als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist.
3.3
In het tussenvonnis heeft het Hof onder 3.10 overwogen:
In de huwelijkse voorwaarden is de woning aan [weduwe] toegedeeld. Bij verkoop van de woning valt de verkoopopbrengst daarom in het vermogen van [weduwe]. Dit kan niet buiten de huwelijkse voorwaarden om veranderd worden.
3.4 [
[weduwe] c.s. hebben te kennen gegeven deze overweging te onderschrijven. [broer] heeft zich niet over deze overweging uitgelaten. Het Hof maakt de overweging nu tot een eindbeslissing.
3.5
In het tussenvonnis heeft het Hof onder 3.11 overwogen:
Wat [weduwe] en de erflater buiten de huwelijkse voorwaarden om onderling zijn overeengekomen, lijkt erop neer te komen dat zij onder een tijdsbepaling een bepaald vermogensbestanddeel om niet zullen overdragen van de ene echtgenoot aan de andere, namelijk dat [weduwe] bij verkoop van de woning de helft van de opbrengst om niet zal overdragen aan de erflater. Indien de overeenkomst zo moet worden opgevat, dient zij te worden aangemerkt als een schenking tussen echtgenoten. In het tot 1 september 2021 geldende erfrecht waren schenkingen tussen echtgenoten verboden (art. 7A:1697 BW). In zoverre lijkt het hoger beroep gegrond te zijn, zij het dat de grieven geen beroep doen op het naar oud recht geldende verbod van schenking tussen echtgenoten.
3.6 [
[weduwe] c.s. hebben te kennen gegeven deze overweging te onderschrijven en zij hebben alsnog een beroep gedaan op het naar oud recht geldende verbod van schenking tussen echtgenoten.
3.7 [
[broer] heeft de overweging bestreden door zich op het standpunt te stellen dat een overeenkomst die inhoudt dat [weduwe] en de erflater na verkoop van de woning de verkoopopbrengst gelijkelijk zullen verdelen heel iets anders is dan een overeenkomst die inhoudt dat [weduwe] na verkoop van de woning de helft van de verkoopopbrengst om niet zal overdragen aan de erflater. [broer] heeft dit standpunt echter niet toegelicht. Het brengt het Hof niet op andere gedachten. De opbrengstovereenkomst moet worden aangemerkt als een schenking tussen echtgenoten.
3.8 [
[broer] heeft tegen de overweging verder aangevoerd dat het schenkingsverbod in dit geval wordt doorkruist. Hiertoe heeft hij aangevoerd:
a. dat de opbrengstovereenkomst is gesloten ter voldoening aan een natuurlijke verbintenis, en
b. dat de opbrengstovereenkomst deel uitmaakt van een aantal zuiver vermogensordenende handelingen zonder bevoordelingsbedoeling.
3.9
Dit betoog kan niet als juist worden aanvaard. De opbrengstovereenkomst wordt aangemerkt als een schenking van [weduwe] aan de erflater. Onvoldoende is gesteld om aan te nemen dat [weduwe] enige verplichting van moraal en fatsoen had om deze schenking aan de erflater te doen. Verder leidde de notariële akte tot vermogensverschuivingen en is de opbrengstovereenkomst bedoeld om de erflater in verband daarmee een verbintenisrechtelijke aanspraak op [weduwe] te verschaffen. Daarom kunnen de handelingen niet aangemerkt worden als zuiver vermogensordenende handelingen zonder bevoordelingsbedoeling. Het schenkingsverbod is dan ook niet doorkruist.
3.10
Het voorgaande brengt mee dat de opbrengstovereenkomst niet rechtsgeldig is. Deze heeft daarom niet bewerkstelligd dat een vordering van de erflater op [weduwe] is ontstaan ter hoogte van de helft van de verkoopopbrengst, en evenmin dat de helft van de verkoopopbrengst in de nalatenschap valt, zodat de vordering van [broer] niet uit dien hoofde uit de nalatenschap kan worden voldaan. In zoverre is het hoger beroep gegrond.
3.11
In het tussenvonnis heeft het Hof onder 3.12 overwogen:
Ingevolge de devolutieve werking van het hoger beroep dient beoordeeld te worden of de toedeling van de woning bij huwelijkse voorwaarden in 2018 paulianeus is, zoals aan de brief van mr. De Hoogd van 29 maart 2022 ten grondslag is gelegd en [broer] in eerste aanleg bij akte vermeerdering van eis heeft betoogd. Vernietiging krachtens art. 3:45 BW heeft ingevolge lid 3 relatieve werking. Zij strekt slechts ten behoeve van de schuldeiser die zich op de Pauliana heeft beroepen (in dit geval [broer]) en gaat niet verder dan nodig is voor de opheffing van de door hem ondervonden benadeling.
3.12 [
[weduwe] c.s. hebben betoogd dat de toedeling van de woning bij huwelijkse voorwaarden in 2018 niet paulianeus is. [broer] heeft het tegenovergestelde standpunt verdedigd.
3.13
Een van de vereisten voor vernietigbaarheid van een rechtshandeling ingevolge art. 3:45 BW (actio Pauliana), is dat benadeling van een schuldeiser in de verhaalsmogelijkheden het gevolg is. Op zichzelf leidt een verdeling van een wettelijke huwelijksgoederengemeenschap staande huwelijk ertoe dat toekomstige schuldeisers in een nadeliger positie komen te verkeren. Schuldeisers worden hiertegen echter tot op zekere hoogte beschermd in Boek 1 Titel 7 Afdeling 3 (ontbinding van de wettelijke huwelijksgoederengemeenschap). Daarom is die enkele omstandigheid onvoldoende om een dergelijke verdeling als paulianeus aan te merken (vergelijk: HR 21 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2292, NJ 1998/205). [broer] heeft aan zijn beroep op art. 3:45 BW ten grondslag gelegd dat hij door de toedeling van de woning aan [weduwe] geen verhaal op de woning meer kan nemen voor zijn vordering. Gelet op het voorgaande is die enkele omstandigheid onvoldoende voor een geslaagd beroep op art. 3:45 BW. Voor het overige heeft hij niets aangevoerd over benadeling van schuldeisers. Zijn beroep op art. 3:45 BW faalt daarom.
3.14
De toedeling van de woning aan [weduwe] zoals vermeld in de notariële akte van 2018 blijft in stand. De opbrengstovereenkomst kan niet als geldig worden aanvaard en kan [broer] daarom niet baten. Dit betekent dat [broer] zijn vordering niet kan verhalen op (de helft van) de verkoopopbrengst van de woning. Daarom slaagt het hoger beroep in wezen. [broer] zal als de in wezen in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van beide instanties. Niettemin betreft zijn vordering een schuld van de nalatenschap die verhaald kan worden op de goederen uit de nalatenschap, voor zover die er zijn. De veroordeling tot betaling uit de nalatenschap, indien en voor zover die toereikend is, zal daarom in stand blijven.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
bevestigt de veroordeling die is uitgesproken onder 5.1 van het vonnis waarvan beroep (kort gezegd: veroordeling tot betaling van € 16.000 uit de nalatenschap, indien en voor zover de nalatenschap toereikend is, uitvoerbaar bij voorraad);
vernietigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
wijst de vorderingen van [broer] (voor het overige) af;
veroordeelt [broer] in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van [weduwe] c.s. gevallen en begroot op Afl. 5.000,00 aan salaris voor de gemachtigde;
veroordeelt [broer] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [weduwe] c.s. gevallen en tot op heden begroot op Afl. 1.991,85 aan verschotten en Afl. 6.000,00 aan salaris voor de gemachtigde;
verklaart de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, J. de Boer en W.P.M. ter Berg, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, ondertekend door de rolrechter en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 9 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.