Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

ECLI:NL:OGHACMB:2026:148

2026-06-09 Civiel recht AUA2024H00390
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Uitspraakdatum
2026-06-09
Publicatiedatum
2026-06-11
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
AUA2024H00390
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Aruba. Tussentijds appel zonder rechterlijk verlof. Doorbrekingsjurisprudentie niet van toepassing.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.280 tekens)
Burgerlijke zaken over 2026
Registratienummers: AUA202204416 – AUA2024H00390
Uitspraak: 9 juni 2026




GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba




VONNIS



in de zaak van:




[APPELLANT],

wonende in Aruba,
in eerste aanleg gedaagde, thans appellant,
gemachtigde: de advocaat mr. M.O. Lopez,



tegen




[GEÏNTIMEERDE],
wonende in Aruba,
in eerste aanleg eiseres, thans geïntimeerde,
gemachtigde: de advocaat mr. M.H.J. Kock.



Partijen worden hierna [appellant] respectievelijk [geïntimeerde] genoemd.







1De zaak in het kort


1.1
Partijen hebben samengewoond. Zij hebben een geschil over de verdeling van de boedel, onder meer met betrekking een in erfpacht uitgegeven perceel met daarop gebouwde woning. [geïntimeerde] vordert onder meer scheiding en deling van de boedel. [appellant] heeft daartegen verweer gevoerd.



1.2
Het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht) heeft in een vonnis enkele beslissingen genomen en een comparitie van partijen gelast. [appellant] heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Het Hof oordeelt dat dit beroep niet-ontvankelijk is. Hieronder wordt toegelicht waarop dat oordeel berust.






2Het verloop van de procedure


2.1
Bij op 16 en 17 oktober 2024 ingekomen “akten van hoger beroep, incidenteel appel” is [appellant] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 28 augustus 2024 uitgesproken vonnis van het Gerecht.



2.2 [
appellant] heeft op 25 november 2024 een memorie van grieven (met producties) ingediend en daarin vijf grieven aangevoerd tegen het vonnis van het Gerecht. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof het bestreden vonnis zal vernietigen en de zaak zal terugwijzen naar het Gerecht waarbij wordt bepaald dat er tussen partijen geen (eenvoudige) gemeenschap bestaat waarvan het onroerend goed deel uitmaakt, kosten rechtens.



2.3 [
geïntimeerde] heeft een memorie van antwoord (met producties) ingediend.



2.4
Op 16 september 2025 hebben de gemachtigden van partijen pleitnotities overgelegd.



2.5
Vonnis is nader bepaald op vandaag.






3De beoordeling



Prealabel verweer



3.1 [
geïntimeerde] heeft in haar memorie van antwoord aangevoerd dat [appellant] om een aantal redenen niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep. In de eerste plaats heeft [appellant] hoger beroep aangetekend tegen [naam] (en niet: [geïntimeerde]). In de tweede plaats heeft [appellant] geen vergunning gevraagd of verkregen van het Hof om hoger beroep in te stellen tegen het tussenvonnis van het Gerecht, zoals vereist door art. 263a lid 1 Rv. In de derde plaats was de wettelijke termijn van twee weken om een dergelijke vergunning te vragen reeds verstreken toen [appellant] op 16 oktober 2024 “incidenteel hoger beroep” instelde tegen het vonnis van het Gerecht van 28 augustus 2024. In de vierde plaats was de wettelijke beroepstermijn van vier weken sowieso reeds verstreken op 16 oktober 2024. Ten slotte was op die datum de normale beroepstermijn van zes weken ook reeds verstreken.



3.2 [
appellant] heeft in zijn pleitnotitie aangevoerd dat de verkeerde naamsaanduiding van de geïntimeerde ([naam] in plaats van [geïntimeerde]) een vormfout is die geen gevolgen heeft voor zijn ontvankelijkheid. Voorts heeft hij aangevoerd dat het hoger beroep is ingesteld na het tussenvonnis maar vóór het eindvonnis, en dat dit is toegestaan onder art. 263 Rv. Ten slotte heeft hij gesteld dat het beroep tijdig is ingediend binnen de wettelijke termijn. [appellant] concludeert dat hij ontvankelijk is in zijn beroep.



Boordeling van de ontvankelijkheid van het hoger beroep




3.3
Het Hof is van oordeel dat de verkeerde naamsaanduiding van de geïntimeerde een kennelijke verschrijving is van [appellant] die niet aan de ontvankelijkheid van het door hem ingestelde hoger beroep in de weg staat.



3.4
Het verweer van [geïntimeerde] dat [appellant] op grond van art. 263a lid 1 Rv vergunning aan het Hof had moeten verzoeken en verkrijgen om in zijn beroep tegen het tussenvonnis van het Gerecht van 28 augustus 2024 te kunnen worden ontvangen, treft echter wel doel. De rechtsopvatting van [appellant] dat art. 263 Rv toelaat dat hoger beroep zonder vergunning wordt ingesteld na het tussenvonnis maar voor het eindvonnis is onjuist. Art. 263 Rv verzet zich daar nu juist tegen. Wie tegen een tussenvonnis hoger beroep wil instellen heeft de keuze; hij kan ofwel wachten op het eindvonnis en tegelijk met het hoger beroep tegen het eindvonnis hoger beroep instellen, ofwel op grond van art. 263a Rv het Hof vergunning verzoeken om tussentijds hoger beroep tegen het tussenvonnis in te stellen. [appellant] heeft een dergelijk verzoek niet gedaan en kan derhalve niet in zijn hoger beroep worden ontvangen.



3.5
Het bovenstaande zou anders zijn indien [appellant] tijdig in hoger beroep was gekomen van (het einduitspraakgedeelte, met of zonder het tussenuitspraakgedeelte van) een deeluitspraak van het Gerecht. De bestreden uitspraak is echter een zuivere tussenuitspraak, want het dictum is beslissend (zie bijvoorbeeld HR 2 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2905, 4.4). In het dictum van de bestreden uitspraak wordt slechts een comparitie gelast, met een bepaling over de aanwezigheid en met aanhouding van iedere verdere beslissing. Voor tussentijds appel tegen een zuivere tussenuitspraak is vergunning van het Hof vereist.



3.6
Zoals [geïntimeerde] terecht heeft aangevoerd is er ook sprake van termijnoverschrijding, omdat [appellant] op 16 oktober 2024 in beroep is gekomen tegen het vonnis van 28 augustus 2024, waarmee de beroepstermijn van zes weken met een week is overschreden (art. 264 lid 1 Rv).



3.7
De omstandigheid dat [appellant] in appel ook klaagt over schending van hoor en wederhoor maakt het voorgaande niet anders. Weliswaar levert een dergelijke klacht in beginsel een doorbrekingsgrond op als bedoeld in de doorbrekingsjurisprudentie, maar die jurisprudentie is niet van toepassing in het geval van art. 263 en 263a Rv voor zover daarin de bevoegdheid tot appel niet is uitgesloten, maar slechts het moment is geregeld waarop deze bevoegdheid kan worden uitgeoefend (vergelijk HR 28 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0598, 4.5).



3.8
Daarmee valt het doek voor [appellant]. Ten overvloede overweegt het Hof dat het [appellant] vrij staat om te zijner tijd op grond van art. 263 lid 1 Rv tegelijk met het eindvonnis hoger beroep tegen het tussenvonnis in te stellen.



Slotsom




3.6
De slotsom is dat [appellant] niet-ontvankelijk is in het door hem ingestelde hoger beroep. Hij zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de wederpartij worden veroordeeld.



B E S L I S S I N G



Het Hof:



verklaart [appellant] niet ontvankelijk in het door hem ingestelde beroep;



veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen en tot op heden begroot op Afl. 207,- aan verschotten en Afl. 5.000,- aan salaris van de gemachtigde.




Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, W.P.M. ter Berg, en M.A. Loth, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Aruba uitgesproken op 9 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.