Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
ECLI:NL:OGHACMB:2023:353
2023-03-15
Strafrecht
HAR-85/22
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Hof Raadkamer beschikking; art. 15 Sv; klager is niet-ontvankelijk in zijn beklag
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.577 tekens)
Zaaknummer: HAR-85/22
Beschikking
van voormeld Hof in Curaçao van 15 maart 2023 inzake het beklag ex artikel 15 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van:
[klager],
wonende in [woonplaats] op het adres [adres],
hierna te noemen: klager,
over het niet-vervolgen van:
,[beklaagde 1];
de directeur van Dienst Openbare Werken;
[beklaagde 2] .;
[beklaagde 3] ([beklaagde 3]);
[beklaagde 4]; en
[beklaagde 5];
hierna te noemen: beklaagden,
ter zake van omkoping van ambtenaren, valsheid in geschrift en oplichting.
Het procesverloop
Bij brief van 4 oktober 2022, op diezelfde dag ingekomen ter griffie van voormeld Hof, heeft klager een klaagschrift ingediend met het verzoek de vervolging van beklaagden te bevelen.
Aan het beklag is voorafgegaan:
a. De bij het openbaar ministerie van Aruba op 2 december 2019 door klager gedane schriftelijke aangifte van strafbare feiten (hierna: de aangifte), in zijn woorden: “(…) In mijn hoedanigheid van burger van Aruba en als medeoprichter en leider van de Union Patriotico Progresista (UPP), gebaseerd op sociaaldemocratische principes, waarbij hoog in het vaandel van de partij staat de verdere democratisering van onze samenleving en politiek bestel, door het democratisch fundament van de Arubaanse rechtstaat te beschermen door transparantie en deugdelijkheid van het bestuur alsook een verantwoorde openbare financiën te bevorderen, gesteund door onze verkiezingsprogramma waarbij goed bestuur centraal staat. (…)“
De aangifte ziet op het doen en nalaten van beklaagde onder 1 en “(…) andere betrokkenen indien daarvoor voldoende termen aanwezig zijn.”.
Schriftelijke rappellen van klager bij het openbaar ministerie van 10 februari 2020, 19 mei 2020, 5 juni 2020, 23 juni 2021 en 9 februari 2022. Het schrijven van 23 juni 2021 houdt mede in het verzoek om met de nodige spoed ook onderzoek te doen naar drie andere personen/functionarissen.
Het schrijven van 11 augustus 2021 van het openbaar ministerie, waarin aan klager is bericht dat zijn aangifte(s) onderdeel uitmaken van het onder de noemer “Flamingo” ingestelde strafrechtelijke onderzoek naar mogelijk strafbaar handelen door beklaagde en anderen.
De (waarnemend) procureur-generaal, mr. B. van Unnik, heeft in het schriftelijk verslag van 17 november 2022 in reactie op het beklag uiteengezet dat en op welke gronden volgens haar mening het Hof klager niet in het beklag zou moeten ontvangen althans het beklag zou moeten afwijzen.
Op 14 maart 2023 is het klaagschrift in raadkamer van het Hof behandeld via een vaste beeld- en geluidsverbinding tussen het gerechtsgebouw in Curaçao en het gerechtsgebouw in Aruba. De leden van het Hof en de griffier waren aanwezig in Curaçao. De klager en de (waarnemend) procureur-generaal waren aanwezig in Aruba.
Bij die gelegenheid heeft de (waarnemend) procureur-generaal gepersisteerd bij de inhoud van het schriftelijk verslag en klager bij zijn beklag
Beschikking is aangezegd en nader bepaald op heden.
Ontvankelijkheid van klager
1. In artikel 15, eerste lid, Sv is aan de rechtstreeks belanghebbende de bevoegdheid toegekend tot het doen van schriftelijk beklag bij het Hof in het geval van het niet-vervolgen van een strafbaar feit.
In het tweede lid van dat artikel is bepaald dat ook een rechtspersoon rechtstreeks belanghebbende kan zijn. Dan moet komen vast te staan dat die rechtspersoon krachtens zijn doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een belang behartigt, dat door de beslissing tot niet-vervolging rechtstreeks wordt getroffen.
2. In het klaagschrift heeft klager zich in twee hoedanigheden gepresenteerd: als burger en – onder verwijzing naar artikel 15, tweede lid, Sv - als medeoprichter en ex-leider van de politieke partij UPP.
Anders dan klager meent kan zijn verwijzing naar wat is bepaald in artikel 15, tweede lid, Sv hem niet baten, reeds omdat het beklag niet is gedaan door of namens een rechtspersoon. De enkele omstandigheid dat klager medeoprichter en ex-leider is van een politieke partij die een rechtspersoon heeft of is, is onvoldoende om aan te nemen dat klager (rechtsgeldig) namens die rechtspersoon optreedt. Bij die stand van zaken behoeft geen beoordeling of, en zo ja welke betekenis in het bestek van de ontvankelijkheid dient te worden toegekend aan de doelstelling van de UPP, zijnde de partij die (mede) door klager is opgericht en waarvan hij de ex-leider is.
3. Klager is burger van het Land Aruba. In zoverre moet zijn belang bij (het vertrouwen in) de juiste aanwending van openbare geld en middelen worden aangenomen. Echter is daarmee niet gegeven dat hij als belanghebbende moet worden aangemerkt in de betekenis van artikel 15 Sv. Het is immers slechts de rechtstreeks belanghebbende die volgens die bepaling bij het Hof beklag kan doen over het uitblijven van vervolging van strafbare feiten.
4. Klager is eerst als rechtstreeks belanghebbende aan te merken indien hij door het achterwege blijven van vervolging persoonlijk wordt geraakt, in een tekort aan genoegdoening of strafrechtelijke compensatie. Daarbij komt dat het belang van klager specifiek en concreet dient te zijn. Het belang dat de strafwet niet wordt overtreden kan niet als zodanig worden aangemerkt.
5. Dit een en ander brengt het Hof tot de slotsom dat niet is voldaan aan de wettelijke voorwaarde dat klager kan worden aangemerkt als rechtstreeks belanghebbende in de betekenis van artikel 15 Sv. Nu er geen sprake is van een belang waarop artikel 15 Sv ziet, is klager niet-ontvankelijk in zijn beklag met gevolg dat het Hof niet toekomt aan inhoudelijke beoordeling van het beklag.
6. Beslist wordt als volgt.
De beslissing
Het Hof:
verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn beklag.
Deze beschikking is gegeven op 16 maart 2023 in Curaçao door mrs. R. Veldhuisen, G.C.C. Lewin en F.V.L.M. Wannyn, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, in tegenwoordigheid van mr. O.H.M. Leito, griffier.
Beschikking
van voormeld Hof in Curaçao van 15 maart 2023 inzake het beklag ex artikel 15 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van:
[klager],
wonende in [woonplaats] op het adres [adres],
hierna te noemen: klager,
over het niet-vervolgen van:
,[beklaagde 1];
de directeur van Dienst Openbare Werken;
[beklaagde 2] .;
[beklaagde 3] ([beklaagde 3]);
[beklaagde 4]; en
[beklaagde 5];
hierna te noemen: beklaagden,
ter zake van omkoping van ambtenaren, valsheid in geschrift en oplichting.
Het procesverloop
Bij brief van 4 oktober 2022, op diezelfde dag ingekomen ter griffie van voormeld Hof, heeft klager een klaagschrift ingediend met het verzoek de vervolging van beklaagden te bevelen.
Aan het beklag is voorafgegaan:
a. De bij het openbaar ministerie van Aruba op 2 december 2019 door klager gedane schriftelijke aangifte van strafbare feiten (hierna: de aangifte), in zijn woorden: “(…) In mijn hoedanigheid van burger van Aruba en als medeoprichter en leider van de Union Patriotico Progresista (UPP), gebaseerd op sociaaldemocratische principes, waarbij hoog in het vaandel van de partij staat de verdere democratisering van onze samenleving en politiek bestel, door het democratisch fundament van de Arubaanse rechtstaat te beschermen door transparantie en deugdelijkheid van het bestuur alsook een verantwoorde openbare financiën te bevorderen, gesteund door onze verkiezingsprogramma waarbij goed bestuur centraal staat. (…)“
De aangifte ziet op het doen en nalaten van beklaagde onder 1 en “(…) andere betrokkenen indien daarvoor voldoende termen aanwezig zijn.”.
Schriftelijke rappellen van klager bij het openbaar ministerie van 10 februari 2020, 19 mei 2020, 5 juni 2020, 23 juni 2021 en 9 februari 2022. Het schrijven van 23 juni 2021 houdt mede in het verzoek om met de nodige spoed ook onderzoek te doen naar drie andere personen/functionarissen.
Het schrijven van 11 augustus 2021 van het openbaar ministerie, waarin aan klager is bericht dat zijn aangifte(s) onderdeel uitmaken van het onder de noemer “Flamingo” ingestelde strafrechtelijke onderzoek naar mogelijk strafbaar handelen door beklaagde en anderen.
De (waarnemend) procureur-generaal, mr. B. van Unnik, heeft in het schriftelijk verslag van 17 november 2022 in reactie op het beklag uiteengezet dat en op welke gronden volgens haar mening het Hof klager niet in het beklag zou moeten ontvangen althans het beklag zou moeten afwijzen.
Op 14 maart 2023 is het klaagschrift in raadkamer van het Hof behandeld via een vaste beeld- en geluidsverbinding tussen het gerechtsgebouw in Curaçao en het gerechtsgebouw in Aruba. De leden van het Hof en de griffier waren aanwezig in Curaçao. De klager en de (waarnemend) procureur-generaal waren aanwezig in Aruba.
Bij die gelegenheid heeft de (waarnemend) procureur-generaal gepersisteerd bij de inhoud van het schriftelijk verslag en klager bij zijn beklag
Beschikking is aangezegd en nader bepaald op heden.
Ontvankelijkheid van klager
1. In artikel 15, eerste lid, Sv is aan de rechtstreeks belanghebbende de bevoegdheid toegekend tot het doen van schriftelijk beklag bij het Hof in het geval van het niet-vervolgen van een strafbaar feit.
In het tweede lid van dat artikel is bepaald dat ook een rechtspersoon rechtstreeks belanghebbende kan zijn. Dan moet komen vast te staan dat die rechtspersoon krachtens zijn doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een belang behartigt, dat door de beslissing tot niet-vervolging rechtstreeks wordt getroffen.
2. In het klaagschrift heeft klager zich in twee hoedanigheden gepresenteerd: als burger en – onder verwijzing naar artikel 15, tweede lid, Sv - als medeoprichter en ex-leider van de politieke partij UPP.
Anders dan klager meent kan zijn verwijzing naar wat is bepaald in artikel 15, tweede lid, Sv hem niet baten, reeds omdat het beklag niet is gedaan door of namens een rechtspersoon. De enkele omstandigheid dat klager medeoprichter en ex-leider is van een politieke partij die een rechtspersoon heeft of is, is onvoldoende om aan te nemen dat klager (rechtsgeldig) namens die rechtspersoon optreedt. Bij die stand van zaken behoeft geen beoordeling of, en zo ja welke betekenis in het bestek van de ontvankelijkheid dient te worden toegekend aan de doelstelling van de UPP, zijnde de partij die (mede) door klager is opgericht en waarvan hij de ex-leider is.
3. Klager is burger van het Land Aruba. In zoverre moet zijn belang bij (het vertrouwen in) de juiste aanwending van openbare geld en middelen worden aangenomen. Echter is daarmee niet gegeven dat hij als belanghebbende moet worden aangemerkt in de betekenis van artikel 15 Sv. Het is immers slechts de rechtstreeks belanghebbende die volgens die bepaling bij het Hof beklag kan doen over het uitblijven van vervolging van strafbare feiten.
4. Klager is eerst als rechtstreeks belanghebbende aan te merken indien hij door het achterwege blijven van vervolging persoonlijk wordt geraakt, in een tekort aan genoegdoening of strafrechtelijke compensatie. Daarbij komt dat het belang van klager specifiek en concreet dient te zijn. Het belang dat de strafwet niet wordt overtreden kan niet als zodanig worden aangemerkt.
5. Dit een en ander brengt het Hof tot de slotsom dat niet is voldaan aan de wettelijke voorwaarde dat klager kan worden aangemerkt als rechtstreeks belanghebbende in de betekenis van artikel 15 Sv. Nu er geen sprake is van een belang waarop artikel 15 Sv ziet, is klager niet-ontvankelijk in zijn beklag met gevolg dat het Hof niet toekomt aan inhoudelijke beoordeling van het beklag.
6. Beslist wordt als volgt.
De beslissing
Het Hof:
verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn beklag.
Deze beschikking is gegeven op 16 maart 2023 in Curaçao door mrs. R. Veldhuisen, G.C.C. Lewin en F.V.L.M. Wannyn, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, in tegenwoordigheid van mr. O.H.M. Leito, griffier.