Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
ECLI:NL:OGEAC:2026:153
2026-08-19
Civiel recht; Personen- en familierecht
CUR202602532
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Veroordeling van het Land Curaçao tot betaling aan de Capriles-kliniek voor psychiatrische zorg verleend na rechterlijk bevel en na dwangopname bij drugscuratele. Wettelijke rente niet toewijsbaar op grond van art. 15 Lv Financieel Beheer.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (13.111 tekens)
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Zaaknummer: CUR202602532
Vonnis in kort geding van 19 augustus 2026
in de zaak van
DE STICHTING ALGEMEEN PSYCHIATRISCH ZIEKENHUIS DR. DAVID RICARDO CAPRILES,
gevestigd in Curaçao, eiseres, gemachtigde: mr. L.N. Asjes,
tegen
DE OPENBARE RECHTSPERSOON HET LAND CURAÇAO,
zetelend in Curaçao, gedaagde, gemachtigde: mr. L.M. Virginia.
1Het procesverloop
1.1.
Het procesverloop blijkt uit:
het verzoekschrift van 24 juli 2026,
de (aanvullende) producties van partijen,
de mondelinge behandeling van 12 augustus 2026,
de pleitnotities van de gemachtigden.
1.2.
Vonnis is bepaald op vandaag.
2De vordering
De Capriles-kliniek vordert veroordeling van het Land tot betaling van Cg 3.493.798,01 aan openstaande facturen, te vermeerderen met wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten.
3De beoordeling
3.1.
Dit kort geding kan worden gezien als een vervolg op een eerder tussen partijen gevoerd kort geding dat heeft geleid tot het vonnis van 2 oktober 2020 (zaaknummer CUR202002306). Bij dat vonnis werd het Land tot betaling veroordeeld van de facturen van de Capriles-kliniek over de periode juni 2019 tot en met mei 2020. Het betrof psychiatrische zorg aan patiënten waarbij het Land (volgens de Capriles-kliniek) als opdrachtgever had te gelden.
3.2.
Nu vordert de Capriles-kliniek betaling van onbetaald gebleven facturen over de periode juni 2020 tot en met mei 2026. Het grootste deel van de over die periode gefactureerde bedragen heeft het Land wel voldaan. Open staan nog de volgende bedragen:
Cg 527.348,20 categorie (a): zorg na een bevel van de rechter-commissaris of Hof ex art. 175 respectievelijk 360 lid 1 Sv, dan wel een last van de rechter ex art. 1:80 lid 1 of 1:81 lid 1 Sr.
Cg 334.453,30 categorie (b): zorg na een machtiging of bevel als bedoeld in § 4 Landsverordening verpleging psychiatrische patiënten (een ‘KZ-verklaring’),
Cg 2.631.996,51 categorie (c): zorg na een beslissing van de rechter ex art. 1:387 lid 1 BW (gedwongen opname bij drugscuratele).
3.3.
De Capriles-kliniek heeft het spoedeisend belang bij haar vordering voldoende onderbouwd. Zij stelt dat zij voorheen steeds per kwartaal werd betaald, maar dat het Ministerie van Justitie (het Land) haar nu voor het laatst in januari van dit jaar een betaling heeft gedaan. Voorts heeft zij gesteld dat inmiddels een achterstand van zeven maanden is opgelopen in het afdragen van pensioenpremies, dat een verzoek aan de Ontvanger is gedaan om loonbelasting niet te hoeven afdragen en dat er een achterstand is ontstaan in de betaling van leveranciers van medicijnen en eten.
3.4.
Het Land heeft de verschuldigdheid van de bedragen ter zake categorieën (a) en (b) niet betwist.
3.5.
Het Land betwist wel de verschuldigdheid van het bedrag van Cg 2.631.996,51 ter zake dwangopname bij drugscuratele. Het Land voert daartoe dezelfde argumenten aan als in het vorige kort geding van 2020. Het stelt in het bijzonder dat de Capriles-kliniek voor deze categorie kosten bij de SVB moet zijn, niet bij het Land. De Capriles-kliniek heeft erop gewezen dat de argumenten van het Land door het gerecht bij het vonnis van 2 oktober 2020 zijn verworpen, dat het Land het destijds ingestelde hoger beroep heeft ingetrokken, dat geen bodemprocedure is gevolgd, dat het Land het grootste deel van de drugscuratele-facturen is blijven betalen en pas nu, daags voor de behandeling van dit kort geding, weer zijn oude verweren van stal haalt.
3.6.
Het gerecht ziet geen aanleiding in dit kort geding anders te oordelen dan in het vorige kort geding. In het bijzonder zijn er geen nieuwe omstandigheden gebleken op grond waarvan het Land niet tot betaling kan worden gehouden. Niet gebleken is bijvoorbeeld dat overleg heeft plaatsgevonden met de SVB over het al dan niet verzekerd zijn van de kosten van dwangopname bij drugscuratele. Evenmin is gebleken dat de SVB tot vergoeding bereid is. Een schriftelijke standpuntbepaling van de SVB is er kennelijk niet.
3.7.
De volgende overwegingen in het vonnis in het vorige kort geding worden hier herhaald en ingelast en zijn mutatis mutandis van toepassing in deze zaak:
“13. Het gerecht dient in deze zaak te beoordelen of voldoende aannemelijk is dat de geldvordering in een bodemprocedure zal worden toegewezen, en zal bij de afweging van de belangen van de partijen mede hebben te betrekken de vraag naar het risico van onmogelijkheid van terugbetaling als de bodemrechter anders beslist.
14. De vordering heeft betrekking op door de Capriles-kliniek verleende psychiatrische zorg aan personen die gedwongen zijn opgenomen op grond van:
a. een bevel van de rechter-commissaris of Hof ex art. 175 respectievelijk 360 lid 1 Sv. dan wel een last van de rechter ex art. 1:80 lid 1 of 1:81 lid 1 Sr.,
b. een machtiging of bevel als bedoeld in § 4 Landsverordening verpleging psychiatrische patiënten (hierna: LvVPP),
c. een beslissing van de rechter ex art. 1:387 lid 1 BW.
15. Van de vordering betreft NAf 37.377 categorie a, NAf 118.719 categorie b en NAf 1.184.345, dus het overgrote deel, categoric c. Het Land erkent de verschuldigdheid van de vordering terzake categorie a (NAf 37.377) (…). Dit deel van de vordering is reeds daarom toewijsbaar.
16. Het Land heeft in eerdere identieke procedures tussen de partijen [voetnoot: Vonnissen van dit gerecht van 6 oktober 2017 (KG 83175/2017), 21 augustus 2018 (CUR201801494) en 7 november 2019 (CUR201901897)] de verschuldigdheid van de kosten terzake de categorieën b en c niet betwist, maar doet dat in deze procedure wel. Van belang in dit verband is art. 32 lid 1 LvVPP, dat, voor zover hier van belang, bepaalt dat voor rekening van het Land komen de kosten van overbrenging naar en verzorging en verpleging in een psychiatrisch ziekenhuis van personen (a) die aan een psychische ziekte lijden en (b) onvermogend zijn.
17. Ten aanzien van de eerste onder 16 genoemde eis overweegt het gerecht dat bij opnemingen op grond van § 4 LvVPP per definitie sprake is van patiënten die aan een psychische ziekte lijden, want dat is een van de eisen voor zo'n opneming.
Bij patiënten die op grond van art. 1:387 lid 1 BW zijn opgenomen, gaat het om patiënten die wegens hun verslaving onder curatele zijn gesteld. Naar het oordeel van het gerecht volgt uit de wetsgeschiedenis dat zij moeten worden aangemerkt als patiënten die aan een psychische ziekte lijden. De nota naar aanleiding van het verslag bij het ontwerp voor de LvVPP vermeldt immers: Overigens kan naar moderne medische maatstaven (…DSM-IV verslaving of middelenafhankelijkheid als een psychische aandoening en derhalve ziekte worden beschouwd. [voetnoot: Statenstukken 3502, nr. 5, p.6.]
Aan de eerste onder 16 genoemde eis wordt dus voldaan.
18. Inzake de tweede onder 16 genoemde eis voert het Land, samengevat, aan dat deze patienten niet onvermogend zijn, omdat alle ingezetenen van Curaçao op grond van de Landsverordening basisverzekering ziektekosten zijn verzekerd, en dat dat betekent dat de kosten voor rekening van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) komen.
De Capriles-kliniek stelt dat de SVB kenbaar heeft gemaakt dat de SVB deze kosten niet hoeft te dragen en dat daardoor onduidelijk is wie moet betalen. Dit heeft tot gevolg dat het Land op grond van art. 33 lid 1 LvVPP de kosten voor het verleende zorg aan haar dient voor te schieten. Het gerecht kan het Land niet volgen. Uit art. 3.1. Landsbesluit verstrekkingen basisverzekering ziektekosten volgt dat medisch-specialistische zorg door een psychiater of ziekenhuis behoort tot de in art. 3.1 lid 1 sub b Landsverordening basisverzekering ziektekosten bedoelde verstrekkingen waarop een verzekerde aanspraak heeft. Art. 3.3 van dat landsbesluit bepaalt echter dat die aanspraak alleen bestaat bij verwijzing door een huisarts of een specialist en dat is bij de gedwongen plaatsingen waar het in deze procedure over gaat, juist niet het geval. Het gedwongen karakter impliceert bovendien dat de betrokkene juist niet wil dat zijn aanspraken geldend worden gemaakt. Het niet onvermogend zijn kan naar het oordeel van het gerecht daarom niet worden afgeleid uit het bestaan van een verzekering op grond van de Landsverordening basisverzekering ziektekosten.
19. Desalniettemin is niet elke patiënt die gedwongen is opgenomen, onvermogend. [voetnoot: Al zal dat bij de onder curatele gestelde verslaafden bijna altijd wel het geval zijn, en daarop heeft het overgrote deel van de vordering betrekking.] Gesteld noch gebleken is echter dat eenvoudig kan worden beoordeeld of een gedwongen opgenomen patiënt onvermogend is of niet. In die gevallen is dus onzeker wie de kosten van verpleging en verzorging van die patiënt in de Capriles-kliniek moet dragen. Voor die situatie bepaalt art. 33 lid 1 aanhef en sub b LvVPP dat het Land de kosten als voorschot betaalt, en bepaalt het artikel verder dat het Land die kosten verhaalt op de onder art. 33 lid 2 sub a t/m d LvVPP beschreven partijen (waaronder de betrokkene zelf en bepaalde bloed- en aanverwanten). Aldus wordt het risico van niet-betaling dus feitelijk bij het Land gelegd.
20. Het voorgaande leidt tot het gerecht tot de conclusie dat het Land bij opnemingen op grond van § 4 LvVPP en bij opnemingen op grond van art. 1:387 lid 1 BW de kosten voor verzorging en verpleging in een psychiatrisch ziekenhuis aan de Capriles-kliniek moet betalen, hetzij op grond van art. 32 lid 1 LvVPP hetzij op grond van art. 33 lid 1 sub b LvVPP, tenzij zeker is dat de patiënt niet onvermogend is. Het Land heeft niet gesteld, laat staan onderbouwd, dat de facturen van de Capriles-kliniek patienten betreft die niet onvermogend zijn. De vorderingen ten aanzien van deze opnemingen zijn dus ook toewijsbaar.
21. (…)
22. De Capriles-kliniek heeft verder wettelijke rente gevorderd over de achterstallige bedragen, maar het Land verweert zich met de stelling dat het op basis van de comptabiliteitswetgeving geen wettelijke rente is verschuldigd.
Dit verweer slaagt. Art. 15 lid 6 Landsverordening Financieel Beheer bepaalt dat het Land aan opdrachtnemers bij mogelijke vertraging in de betaling van hun vorderingen geen interest is verschuldigd.5 Naar het oordeel van het gerecht valt de Capriles-kliniek gelijk te stellen met een opdrachtnemer als bedoeld in art. 15 lid 6 Landsverordening Financieel Beheer. Deze vordering zal dus worden afgewezen.”
3.8.
Op grond van het voorgaande zal de vordering van de Capriles-kliniek tot betaling van Cg 3.493.798,01 worden toegewezen.
3.9.
Voor toewijzing van wettelijke rente is geen plaats gelet op hetgeen daarover in het vorige kort geding is overwogen.
3.10.
Het verweer van het Land tegen de gevorderde buitengerechtelijke kosten slaagt, nu onvoldoende is gebleken van werkzaamheden waarvoor de proceskostenveroordeling niet al een vergoeding insluit.
3.11.
Het Land zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.
4De beslissing in kort geding
Het gerecht:
4.1.
veroordeelt het Land tot betaling aan de Capriles-kliniek van Cg 3.493.798,01;
4.2.
veroordeelt het Land in de kosten van deze procedure, aan de zijde van de Capriles-kliniek tot op heden begroot op Cg 7.500 aan griffierecht, Cg 353,67 aan oproepingskosten en Cg 1.500 voor salaris gemachtigde;
4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
4.4.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.E. de Kort, rechter, bijgestaan door D. Meijer, griffier, en in het openbaar uitgesproken.
Zaaknummer: CUR202602532
Vonnis in kort geding van 19 augustus 2026
in de zaak van
DE STICHTING ALGEMEEN PSYCHIATRISCH ZIEKENHUIS DR. DAVID RICARDO CAPRILES,
gevestigd in Curaçao, eiseres, gemachtigde: mr. L.N. Asjes,
tegen
DE OPENBARE RECHTSPERSOON HET LAND CURAÇAO,
zetelend in Curaçao, gedaagde, gemachtigde: mr. L.M. Virginia.
1Het procesverloop
1.1.
Het procesverloop blijkt uit:
het verzoekschrift van 24 juli 2026,
de (aanvullende) producties van partijen,
de mondelinge behandeling van 12 augustus 2026,
de pleitnotities van de gemachtigden.
1.2.
Vonnis is bepaald op vandaag.
2De vordering
De Capriles-kliniek vordert veroordeling van het Land tot betaling van Cg 3.493.798,01 aan openstaande facturen, te vermeerderen met wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten.
3De beoordeling
3.1.
Dit kort geding kan worden gezien als een vervolg op een eerder tussen partijen gevoerd kort geding dat heeft geleid tot het vonnis van 2 oktober 2020 (zaaknummer CUR202002306). Bij dat vonnis werd het Land tot betaling veroordeeld van de facturen van de Capriles-kliniek over de periode juni 2019 tot en met mei 2020. Het betrof psychiatrische zorg aan patiënten waarbij het Land (volgens de Capriles-kliniek) als opdrachtgever had te gelden.
3.2.
Nu vordert de Capriles-kliniek betaling van onbetaald gebleven facturen over de periode juni 2020 tot en met mei 2026. Het grootste deel van de over die periode gefactureerde bedragen heeft het Land wel voldaan. Open staan nog de volgende bedragen:
Cg 527.348,20 categorie (a): zorg na een bevel van de rechter-commissaris of Hof ex art. 175 respectievelijk 360 lid 1 Sv, dan wel een last van de rechter ex art. 1:80 lid 1 of 1:81 lid 1 Sr.
Cg 334.453,30 categorie (b): zorg na een machtiging of bevel als bedoeld in § 4 Landsverordening verpleging psychiatrische patiënten (een ‘KZ-verklaring’),
Cg 2.631.996,51 categorie (c): zorg na een beslissing van de rechter ex art. 1:387 lid 1 BW (gedwongen opname bij drugscuratele).
3.3.
De Capriles-kliniek heeft het spoedeisend belang bij haar vordering voldoende onderbouwd. Zij stelt dat zij voorheen steeds per kwartaal werd betaald, maar dat het Ministerie van Justitie (het Land) haar nu voor het laatst in januari van dit jaar een betaling heeft gedaan. Voorts heeft zij gesteld dat inmiddels een achterstand van zeven maanden is opgelopen in het afdragen van pensioenpremies, dat een verzoek aan de Ontvanger is gedaan om loonbelasting niet te hoeven afdragen en dat er een achterstand is ontstaan in de betaling van leveranciers van medicijnen en eten.
3.4.
Het Land heeft de verschuldigdheid van de bedragen ter zake categorieën (a) en (b) niet betwist.
3.5.
Het Land betwist wel de verschuldigdheid van het bedrag van Cg 2.631.996,51 ter zake dwangopname bij drugscuratele. Het Land voert daartoe dezelfde argumenten aan als in het vorige kort geding van 2020. Het stelt in het bijzonder dat de Capriles-kliniek voor deze categorie kosten bij de SVB moet zijn, niet bij het Land. De Capriles-kliniek heeft erop gewezen dat de argumenten van het Land door het gerecht bij het vonnis van 2 oktober 2020 zijn verworpen, dat het Land het destijds ingestelde hoger beroep heeft ingetrokken, dat geen bodemprocedure is gevolgd, dat het Land het grootste deel van de drugscuratele-facturen is blijven betalen en pas nu, daags voor de behandeling van dit kort geding, weer zijn oude verweren van stal haalt.
3.6.
Het gerecht ziet geen aanleiding in dit kort geding anders te oordelen dan in het vorige kort geding. In het bijzonder zijn er geen nieuwe omstandigheden gebleken op grond waarvan het Land niet tot betaling kan worden gehouden. Niet gebleken is bijvoorbeeld dat overleg heeft plaatsgevonden met de SVB over het al dan niet verzekerd zijn van de kosten van dwangopname bij drugscuratele. Evenmin is gebleken dat de SVB tot vergoeding bereid is. Een schriftelijke standpuntbepaling van de SVB is er kennelijk niet.
3.7.
De volgende overwegingen in het vonnis in het vorige kort geding worden hier herhaald en ingelast en zijn mutatis mutandis van toepassing in deze zaak:
“13. Het gerecht dient in deze zaak te beoordelen of voldoende aannemelijk is dat de geldvordering in een bodemprocedure zal worden toegewezen, en zal bij de afweging van de belangen van de partijen mede hebben te betrekken de vraag naar het risico van onmogelijkheid van terugbetaling als de bodemrechter anders beslist.
14. De vordering heeft betrekking op door de Capriles-kliniek verleende psychiatrische zorg aan personen die gedwongen zijn opgenomen op grond van:
a. een bevel van de rechter-commissaris of Hof ex art. 175 respectievelijk 360 lid 1 Sv. dan wel een last van de rechter ex art. 1:80 lid 1 of 1:81 lid 1 Sr.,
b. een machtiging of bevel als bedoeld in § 4 Landsverordening verpleging psychiatrische patiënten (hierna: LvVPP),
c. een beslissing van de rechter ex art. 1:387 lid 1 BW.
15. Van de vordering betreft NAf 37.377 categorie a, NAf 118.719 categorie b en NAf 1.184.345, dus het overgrote deel, categoric c. Het Land erkent de verschuldigdheid van de vordering terzake categorie a (NAf 37.377) (…). Dit deel van de vordering is reeds daarom toewijsbaar.
16. Het Land heeft in eerdere identieke procedures tussen de partijen [voetnoot: Vonnissen van dit gerecht van 6 oktober 2017 (KG 83175/2017), 21 augustus 2018 (CUR201801494) en 7 november 2019 (CUR201901897)] de verschuldigdheid van de kosten terzake de categorieën b en c niet betwist, maar doet dat in deze procedure wel. Van belang in dit verband is art. 32 lid 1 LvVPP, dat, voor zover hier van belang, bepaalt dat voor rekening van het Land komen de kosten van overbrenging naar en verzorging en verpleging in een psychiatrisch ziekenhuis van personen (a) die aan een psychische ziekte lijden en (b) onvermogend zijn.
17. Ten aanzien van de eerste onder 16 genoemde eis overweegt het gerecht dat bij opnemingen op grond van § 4 LvVPP per definitie sprake is van patiënten die aan een psychische ziekte lijden, want dat is een van de eisen voor zo'n opneming.
Bij patiënten die op grond van art. 1:387 lid 1 BW zijn opgenomen, gaat het om patiënten die wegens hun verslaving onder curatele zijn gesteld. Naar het oordeel van het gerecht volgt uit de wetsgeschiedenis dat zij moeten worden aangemerkt als patiënten die aan een psychische ziekte lijden. De nota naar aanleiding van het verslag bij het ontwerp voor de LvVPP vermeldt immers: Overigens kan naar moderne medische maatstaven (…DSM-IV verslaving of middelenafhankelijkheid als een psychische aandoening en derhalve ziekte worden beschouwd. [voetnoot: Statenstukken 3502, nr. 5, p.6.]
Aan de eerste onder 16 genoemde eis wordt dus voldaan.
18. Inzake de tweede onder 16 genoemde eis voert het Land, samengevat, aan dat deze patienten niet onvermogend zijn, omdat alle ingezetenen van Curaçao op grond van de Landsverordening basisverzekering ziektekosten zijn verzekerd, en dat dat betekent dat de kosten voor rekening van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) komen.
De Capriles-kliniek stelt dat de SVB kenbaar heeft gemaakt dat de SVB deze kosten niet hoeft te dragen en dat daardoor onduidelijk is wie moet betalen. Dit heeft tot gevolg dat het Land op grond van art. 33 lid 1 LvVPP de kosten voor het verleende zorg aan haar dient voor te schieten. Het gerecht kan het Land niet volgen. Uit art. 3.1. Landsbesluit verstrekkingen basisverzekering ziektekosten volgt dat medisch-specialistische zorg door een psychiater of ziekenhuis behoort tot de in art. 3.1 lid 1 sub b Landsverordening basisverzekering ziektekosten bedoelde verstrekkingen waarop een verzekerde aanspraak heeft. Art. 3.3 van dat landsbesluit bepaalt echter dat die aanspraak alleen bestaat bij verwijzing door een huisarts of een specialist en dat is bij de gedwongen plaatsingen waar het in deze procedure over gaat, juist niet het geval. Het gedwongen karakter impliceert bovendien dat de betrokkene juist niet wil dat zijn aanspraken geldend worden gemaakt. Het niet onvermogend zijn kan naar het oordeel van het gerecht daarom niet worden afgeleid uit het bestaan van een verzekering op grond van de Landsverordening basisverzekering ziektekosten.
19. Desalniettemin is niet elke patiënt die gedwongen is opgenomen, onvermogend. [voetnoot: Al zal dat bij de onder curatele gestelde verslaafden bijna altijd wel het geval zijn, en daarop heeft het overgrote deel van de vordering betrekking.] Gesteld noch gebleken is echter dat eenvoudig kan worden beoordeeld of een gedwongen opgenomen patiënt onvermogend is of niet. In die gevallen is dus onzeker wie de kosten van verpleging en verzorging van die patiënt in de Capriles-kliniek moet dragen. Voor die situatie bepaalt art. 33 lid 1 aanhef en sub b LvVPP dat het Land de kosten als voorschot betaalt, en bepaalt het artikel verder dat het Land die kosten verhaalt op de onder art. 33 lid 2 sub a t/m d LvVPP beschreven partijen (waaronder de betrokkene zelf en bepaalde bloed- en aanverwanten). Aldus wordt het risico van niet-betaling dus feitelijk bij het Land gelegd.
20. Het voorgaande leidt tot het gerecht tot de conclusie dat het Land bij opnemingen op grond van § 4 LvVPP en bij opnemingen op grond van art. 1:387 lid 1 BW de kosten voor verzorging en verpleging in een psychiatrisch ziekenhuis aan de Capriles-kliniek moet betalen, hetzij op grond van art. 32 lid 1 LvVPP hetzij op grond van art. 33 lid 1 sub b LvVPP, tenzij zeker is dat de patiënt niet onvermogend is. Het Land heeft niet gesteld, laat staan onderbouwd, dat de facturen van de Capriles-kliniek patienten betreft die niet onvermogend zijn. De vorderingen ten aanzien van deze opnemingen zijn dus ook toewijsbaar.
21. (…)
22. De Capriles-kliniek heeft verder wettelijke rente gevorderd over de achterstallige bedragen, maar het Land verweert zich met de stelling dat het op basis van de comptabiliteitswetgeving geen wettelijke rente is verschuldigd.
Dit verweer slaagt. Art. 15 lid 6 Landsverordening Financieel Beheer bepaalt dat het Land aan opdrachtnemers bij mogelijke vertraging in de betaling van hun vorderingen geen interest is verschuldigd.5 Naar het oordeel van het gerecht valt de Capriles-kliniek gelijk te stellen met een opdrachtnemer als bedoeld in art. 15 lid 6 Landsverordening Financieel Beheer. Deze vordering zal dus worden afgewezen.”
3.8.
Op grond van het voorgaande zal de vordering van de Capriles-kliniek tot betaling van Cg 3.493.798,01 worden toegewezen.
3.9.
Voor toewijzing van wettelijke rente is geen plaats gelet op hetgeen daarover in het vorige kort geding is overwogen.
3.10.
Het verweer van het Land tegen de gevorderde buitengerechtelijke kosten slaagt, nu onvoldoende is gebleken van werkzaamheden waarvoor de proceskostenveroordeling niet al een vergoeding insluit.
3.11.
Het Land zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.
4De beslissing in kort geding
Het gerecht:
4.1.
veroordeelt het Land tot betaling aan de Capriles-kliniek van Cg 3.493.798,01;
4.2.
veroordeelt het Land in de kosten van deze procedure, aan de zijde van de Capriles-kliniek tot op heden begroot op Cg 7.500 aan griffierecht, Cg 353,67 aan oproepingskosten en Cg 1.500 voor salaris gemachtigde;
4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
4.4.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.E. de Kort, rechter, bijgestaan door D. Meijer, griffier, en in het openbaar uitgesproken.