Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
ECLI:NL:OGEAC:2026:151
2026-07-10
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
CUR202505110
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Beroep tegen de herziene beschikking is ongegrond. De SVB heeft het wettelijk begrip ingezetenschap juist geïnterpreteerd en het door eiseres aangeleverde bewijs op correcte wijze gewaardeerd. Daarom heeft de SVB terecht een kortingspercentage van 12% wegens niet verzekerde jaren toegepast bij de vaststelling van het ouderdomspensioen van eiseres.
Citeert (2)
- ECLI:NL:CRVB:2025:877 Centrale Raad van Beroep 05-06-2025
- ECLI:NL:CRVB:2025:877 Centrale Raad van Beroep 05-06-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (14.571 tekens)
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Uitspraak
in het geding tussen:
[eiseres],
wonende te Curaçao,
eiseres,
gemachtigde: mr. A.V.G. Rooijer,
en
de Sociale Verzekeringsbank (SVB),
verweerster,
gemachtigde: mr. S.S.J. Vierbergen.
Partijen worden in deze uitspraak hierna eiseres en de SVB genoemd.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht het beroep van eiseres tegen de beslissing van de SVB om haar een ouderdomspensioen toe te kennen, waarop een kortingspercentage is toegepast wegens niet verzekerde jaren.
1.1
De SVB heeft deze beslissing genomen op 25 november 2024 en daarin een kortingspercentage van 28% toegepast (de primaire beschikking). Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt. De SVB heeft op 19 september 2025 het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Op 29 december 2025 heeft eiseres beroep ingesteld tegen de beschikking op bezwaar.
1.2
De SVB heeft op 7 april 2026 een verweerschrift ingediend en daarin aangekondigd dat de SVB de primaire beschikking gaat herzien. Op 21 mei 2026 heeft de SVB de herziene beschikking van 6 mei 2026 aan het Gerecht gestuurd. In de herziene beschikking is het kortingspercentage bijgesteld naar 12%. Eiseres heeft desgevraagd op 1 juni 2026 bericht dat zij het niet eens is met de herziene beschikking. Daarop heeft het Gerecht partijen bericht dat het beroep op grond van artikel 9b van de Lar van rechtswege ook betrekking heeft op deze herziene beschikking. Eiseres heeft op 12 juni 2026 gronden tegen de herziene beschikking ingediend. Op 23 juni 2026 heeft de SVB een aanvullend verweerschrift ingediend.
1.3
Het Gerecht heeft het beroep op 29 juni 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en vergezeld van haar echtgenoot. De SVB heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.
Beoordeling door het Gerecht
2. Het Gerecht komt tot het oordeel dat het beroep tegen de beschikking op bezwaar niet-ontvankelijk is. Eiseres heeft gelet op de herziene beschikking geen belang meer bij de beoordeling van dat beroep.
3. Het Gerecht komt tot het oordeel dat het beroep tegen de herziene beschikking ongegrond is. De SVB heeft het wettelijk begrip ingezetenschap juist geïnterpreteerd en het door eiseres aangeleverde bewijs op correcte wijze gewaardeerd. Daarom heeft de SVB terecht een kortingspercentage van 12% wegens niet verzekerde jaren toegepast bij de vaststelling van het ouderdomspensioen van eiseres.
4. Het Gerecht legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Wat is relevant om te weten in deze zaak?
5. Het Gerecht gaat uit van de volgende feiten.
5.1.
Eiseres is op [geboortedatum] geboren op Aruba. Zij bereikte op [pensioendatum] de pensioengerechtigde leeftijd.
5.2.
Eiseres heeft zich per 1 januari 1983 uitgeschreven uit het bevolkingsregister van Aruba. Op het uittreksel uit het bevolkingsregister van Aruba staat dat zij per die datum is vertrokken naar de Nederlandse Antillen. Op 12 juni 1989 heeft eiseres zich ingeschreven in het bevolkingsregister van Curaçao.
5.3.
Op 7 mei 2024 heeft eiseres ouderdomspensioen op grond van de Landsverordening Algemene Ouderdomsverzekering (Lv AOV) aangevraagd.
Waarom is het beroep tegen de beschikking op bezwaar niet-ontvankelijk?
6. De SVB heeft de herziene beschikking genomen naar aanleiding van het door eiseres ingestelde beroep tegen de beschikking op bezwaar. De herziene beschikking gaat uit van een lager kortingspercentage op het AOV-pensioen van eiseres dan de primaire beschikking, waarop het bezwaar betrekking had. Naar het oordeel van het Gerecht heeft eiseres daarom geen belang meer bij de beoordeling van haar beroep tegen de beschikking op bezwaar. Het Gerecht zal het beroep voor zover dat is gericht tegen de beschikking op bezwaar niet-ontvankelijk verklaren.
Waarom heeft de SVB een korting op het ouderdomspensioen toegepast?
7. In de herziene beschikking stelt de SVB het in de primaire beschikking toegepaste kortingspercentage bij van 28% naar 12%. Dit heeft de SVB gedaan op grond van een op 17 december 2024 door eiseres overgelegd nieuw bewijsstuk, namelijk een uittreksel uit het bevolkingsregister van Aruba. Daaruit blijkt dat eiseres vanaf 15-jarige leeftijd tot 1 januari 1983 woonachtig was op Aruba. Daarom is het aantal jaren waarin eiseres niet verzekerd was voor de AOV teruggebracht van 14 jaren ([datum] 1974 tot en met 11 juni 1989) naar 6 jaren (1 januari 1983 tot en met 11 juni 1989), waarbij een korting geldt van 2% per niet verzekerd jaar. Het AOV-pensioenbedrag is met ingang van 1 december 2024 herzien van Cg 621,- naar Cg 759,- per maand. Met de algemene verhoging van de AOV-uitkering per 1 januari 2026 wordt het pensioenbedrag van eiseres Cg 880,- per maand.
8. De SVB heeft bij verweerschrift toegelicht dat uit artikel 3, derde lid, van het Rijksbesluit opvolging Sociale Verzekeringsbank Nederlandse Antillen volgt dat vóór 1 januari 1986 op Aruba opgebouwde AOV-aanspraken worden toegedeeld jegens het land Curaçao. Vanaf 1 januari 1986 geschiedt de opbouw telkens naar rato jegens het land binnen wiens grondgebied de verzekerde de AOV-aanspraken heeft opgebouwd. Dit betekent dat de AOV-aanspraken die eiseres heeft opgebouwd tot het moment van uitschrijving op Aruba op 1 januari 1983 worden toegedeeld aan Curaçao en dat eiseres vanaf het moment van inschrijving op Curaçao op 12 juni 1989 AOV-aanspraken op Curaçao heeft opgebouwd.
Waarom is eiseres het niet eens met de herziene beschikking en wat vindt het Gerecht daarvan?
9. Eiseres stelt dat zij sinds 1984 tot heden op Curaçao woont en dus ook in de periode 1984 tot het moment van inschrijving op 12 juni 1989. Volgens eiseres legt de SVB het begrip ingezetenschap onjuist uit en stelt de SVB zich te formalistisch op bij de waardering van het door eiseres geleverde bewijs. De SVB moet niet alleen kijken naar het ontbreken van een inschrijving in het bevolkingsregister, maar naar het geheel van feiten en omstandigheden waaruit blijkt waar eiseres haar maatschappelijk leven daadwerkelijk had. Eiseres heeft in samenhang bezien voldoende bewijs geleverd, te weten de uittreksels uit de bevolkingsregisters van respectievelijk Aruba en Curaçao en de getuigenverklaringen van de echtgenoot van eiseres en diens broer. In de beroepsfase heeft eiseres nog een verklaring van een voormalige buurvrouw toegevoegd. Van eiseres kan niet worden verwacht dat zij nog ander bewijs kan leveren van feiten die ongeveer 40 jaar geleden hebben plaatsgevonden. Ter zitting heeft eiseres verklaard dat haar echtgenoot verklaringen van de andere landen van de voormalige Nederlandse Antillen heeft opgevraagd om te bewijzen dat zij in de periode 1984-1989 niet in die andere landen stond ingeschreven. Volgens eiseres zouden die verklaringen haar stelling ondersteunen dat zij in de periode 1984-1989 in Curaçao heeft gewoond. Eiseres heeft die verklaringen nog niet ontvangen.
10. Het betoog van eiseres slaagt niet. Het Gerecht overweegt daartoe als volgt.
10.1.
De kern van het geschil berust op de vraag of eiseres in de periode 1 januari 1983 (uitschrijving op Aruba) tot 12 juni 1989 (inschrijving op Curaçao) ingezetene was van Curaçao en op grond daarvan verzekerd was voor de Lv AOV. Daar waar eiseres in haar beroepschrift 1984 heeft genoemd als jaar van vestiging in Curaçao begrijpt het Gerecht 1 januari 1983, omdat uit de verdere strekking van haar beroepschrift en haar verklaring ter zitting blijkt dat zij stelt dat zij sinds haar vertrek uit Aruba tot heden op Curaçao heeft gewoond en daarom een korting op haar pensioen in het geheel niet terecht is.
10.2.
De volgende wettelijke voorschriften zijn in deze zaak relevant.
Volgens artikel 1 van de Lv AOV wordt voor de toepassing van het bij of krachtens de Lv AOV bepaalde onder ingezetene verstaan degene met een geldige verblijfstitel die in het bevolkingsregister is ingeschreven en metterwoon in Curaçao is gevestigd.
Artikel 2, eerste lid, van de Lv AOV luidt: waar iemand metterwoon is gevestigd hangt af van het middelpunt van het maatschappelijk en economisch leven van betrokkene en wordt naar de omstandigheden beoordeeld, voor zover in dit artikel niet anders is bepaald. In de leden 2, 3 en 4 van dit artikel wordt het begrip metterwoon nader afgebakend.
Artikel 5, eerste lid, van de Lv AOV bepaalt dat verzekerd is overeenkomstig de bepalingen van deze landsverordening degene, die de leeftijd van vijftien jaar, doch niet die van 65 jaar heeft bereikt, indien hij:
a. ingezetene is;
b. geen ingezetene is, doch in de inkomstenbelasting wordt aangeslagen als in Curaçao wonende belastingplichtige;
c. geen ingezetene is en evenmin geacht kan worden blijvend buiten Curaçao te wonen, doch terzake van buiten Curaçao verplichte arbeid wedde of loon geniet ten laste van Curaçao, mits hij Nederlander is.
10.3.
Het Gerecht stelt vast dat de Lv AOV het begrip ingezetene definieert als een persoon met een geldige verblijfstitel die zowel is ingeschreven in het bevolkingsregister als metterwoon in Curaçao is gevestigd. De SVB heeft ter zitting toegelicht dat de SVB ook iemand die niet in het bevolkingsregister is ingeschreven als ingezetene kan aanmerken, mits diegene met objectieve en verifieerbare gegevens kan aantonen dat hij metterwoon gevestigd is in Curaçao.
10.4.
Uit vaste rechtspraak volgt dat bij besluiten op aanvraag de bewijslast ter onderbouwing van een aanvraag in hoofdzaak bij de aanvrager ligt. Dat geldt zeker in zaken zoals de onderhavige, waarin de te bewijzen feiten liggen binnen de invloedssfeer van de aanvrager. Voor zover eiseres ter zitting heeft betoogd dat het op de weg van de SVB ligt om bij de andere landen verklaringen op te vragen zoals haar echtgenoot zonder resultaat heeft gedaan, volgt het Gerecht haar daarin dus niet.
10.5.
Als het gaat om de waarde die in deze zaak aan getuigenverklaringen moet worden gehecht, overweegt het Gerecht dat aan een verklaring van een familielid van betrokkene, bij gebrek aan andere objectieve gegevens die wijzen op het ingezetenschap, in het algemeen geen doorslaggevende betekenis wordt toegekend.
10.6.
Het Gerecht is met de SVB van oordeel dat aan de door eiseres overgelegde getuigenverklaringen van haar echtgenoot en diens broer niet de waarde kan worden gehecht die eiseres daaraan gehecht wil zien. De verklaring van de voormalige buurvrouw van eiseres biedt evenmin -ook niet bezien in samenhang met de verklaringen van de familiegetuigen- voldoende waarde voor het bewijs van het ingezetenschap van eiseres voor de gehele periode. Het Gerecht kent meer gewicht toe aan het enige objectieve bewijs in deze zaak, bestaande uit het uittreksel van het Arubaanse bevolkingsregister. Op grond van dit uittreksel kan echter niet worden vastgesteld dat eiseres zich op 1 januari 1983 heeft gevestigd in Curaçao, maar alleen dat eiseres op 1 januari 1983 is vertrokken vanuit Aruba naar de Nederlandse Antillen. Evenmin zal het ontbreken van inschrijvingen in andere landen van de voormalige Nederlandse Antillen kunnen aantonen dat eiseres gedurende de gehele periode van 1 januari 1983 tot 12 juni 1989 ingezetene was van Curaçao. Het betoog slaagt niet.
10.6
Het Gerecht concludeert dat de SVB eiseres terecht niet verzekerd heeft geacht voor de AOV in de periode van 1 januari 1983 tot 12 juni 1989, omdat zij toen geen ingezetene van Curaçao was.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep tegen de beschikking op bezwaar is niet-ontvankelijk. Het beroep tegen de herziene beschikking is ongegrond omdat de door eiseres aangevoerde gronden niet slagen. Dat betekent dat de herziene beschikking, waarbij de SVB een kortingspercentage van 12% wegens niet verzekerde jaren heeft toegepast op het AOV-pensioen van eiseres, in stand blijft. De SVB hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
Het Gerecht:
- verklaart het beroep van eiseres tegen de beschikking op bezwaar niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep van eiseres tegen de herziene beschikking ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. drs. S. Lanshage, voorzitter, mr. J. Sybesma en mr. P. Klik, leden, en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2026, in tegenwoordigheid van mr. C. Anselma-Bernsen, griffier.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Het hoger beroep moet worden ingediend bij het Gerecht dat de uitspraak heeft gedaan.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;
een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;
vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment worden ingediend.
Voor het instellen van het hoger beroep is griffierecht verschuldigd.
Centrale Raad van Beroep 5 juni 2025 ECLI:NL:CRVB:2025:877 r.o. 4.2.
Vergelijk Centrale Raad van Beroep 5 juni 2025 ECLI:NL:CRVB:2025:877 o.a. r.o. 4.6.2.
Uitspraak
in het geding tussen:
[eiseres],
wonende te Curaçao,
eiseres,
gemachtigde: mr. A.V.G. Rooijer,
en
de Sociale Verzekeringsbank (SVB),
verweerster,
gemachtigde: mr. S.S.J. Vierbergen.
Partijen worden in deze uitspraak hierna eiseres en de SVB genoemd.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht het beroep van eiseres tegen de beslissing van de SVB om haar een ouderdomspensioen toe te kennen, waarop een kortingspercentage is toegepast wegens niet verzekerde jaren.
1.1
De SVB heeft deze beslissing genomen op 25 november 2024 en daarin een kortingspercentage van 28% toegepast (de primaire beschikking). Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt. De SVB heeft op 19 september 2025 het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Op 29 december 2025 heeft eiseres beroep ingesteld tegen de beschikking op bezwaar.
1.2
De SVB heeft op 7 april 2026 een verweerschrift ingediend en daarin aangekondigd dat de SVB de primaire beschikking gaat herzien. Op 21 mei 2026 heeft de SVB de herziene beschikking van 6 mei 2026 aan het Gerecht gestuurd. In de herziene beschikking is het kortingspercentage bijgesteld naar 12%. Eiseres heeft desgevraagd op 1 juni 2026 bericht dat zij het niet eens is met de herziene beschikking. Daarop heeft het Gerecht partijen bericht dat het beroep op grond van artikel 9b van de Lar van rechtswege ook betrekking heeft op deze herziene beschikking. Eiseres heeft op 12 juni 2026 gronden tegen de herziene beschikking ingediend. Op 23 juni 2026 heeft de SVB een aanvullend verweerschrift ingediend.
1.3
Het Gerecht heeft het beroep op 29 juni 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en vergezeld van haar echtgenoot. De SVB heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.
Beoordeling door het Gerecht
2. Het Gerecht komt tot het oordeel dat het beroep tegen de beschikking op bezwaar niet-ontvankelijk is. Eiseres heeft gelet op de herziene beschikking geen belang meer bij de beoordeling van dat beroep.
3. Het Gerecht komt tot het oordeel dat het beroep tegen de herziene beschikking ongegrond is. De SVB heeft het wettelijk begrip ingezetenschap juist geïnterpreteerd en het door eiseres aangeleverde bewijs op correcte wijze gewaardeerd. Daarom heeft de SVB terecht een kortingspercentage van 12% wegens niet verzekerde jaren toegepast bij de vaststelling van het ouderdomspensioen van eiseres.
4. Het Gerecht legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Wat is relevant om te weten in deze zaak?
5. Het Gerecht gaat uit van de volgende feiten.
5.1.
Eiseres is op [geboortedatum] geboren op Aruba. Zij bereikte op [pensioendatum] de pensioengerechtigde leeftijd.
5.2.
Eiseres heeft zich per 1 januari 1983 uitgeschreven uit het bevolkingsregister van Aruba. Op het uittreksel uit het bevolkingsregister van Aruba staat dat zij per die datum is vertrokken naar de Nederlandse Antillen. Op 12 juni 1989 heeft eiseres zich ingeschreven in het bevolkingsregister van Curaçao.
5.3.
Op 7 mei 2024 heeft eiseres ouderdomspensioen op grond van de Landsverordening Algemene Ouderdomsverzekering (Lv AOV) aangevraagd.
Waarom is het beroep tegen de beschikking op bezwaar niet-ontvankelijk?
6. De SVB heeft de herziene beschikking genomen naar aanleiding van het door eiseres ingestelde beroep tegen de beschikking op bezwaar. De herziene beschikking gaat uit van een lager kortingspercentage op het AOV-pensioen van eiseres dan de primaire beschikking, waarop het bezwaar betrekking had. Naar het oordeel van het Gerecht heeft eiseres daarom geen belang meer bij de beoordeling van haar beroep tegen de beschikking op bezwaar. Het Gerecht zal het beroep voor zover dat is gericht tegen de beschikking op bezwaar niet-ontvankelijk verklaren.
Waarom heeft de SVB een korting op het ouderdomspensioen toegepast?
7. In de herziene beschikking stelt de SVB het in de primaire beschikking toegepaste kortingspercentage bij van 28% naar 12%. Dit heeft de SVB gedaan op grond van een op 17 december 2024 door eiseres overgelegd nieuw bewijsstuk, namelijk een uittreksel uit het bevolkingsregister van Aruba. Daaruit blijkt dat eiseres vanaf 15-jarige leeftijd tot 1 januari 1983 woonachtig was op Aruba. Daarom is het aantal jaren waarin eiseres niet verzekerd was voor de AOV teruggebracht van 14 jaren ([datum] 1974 tot en met 11 juni 1989) naar 6 jaren (1 januari 1983 tot en met 11 juni 1989), waarbij een korting geldt van 2% per niet verzekerd jaar. Het AOV-pensioenbedrag is met ingang van 1 december 2024 herzien van Cg 621,- naar Cg 759,- per maand. Met de algemene verhoging van de AOV-uitkering per 1 januari 2026 wordt het pensioenbedrag van eiseres Cg 880,- per maand.
8. De SVB heeft bij verweerschrift toegelicht dat uit artikel 3, derde lid, van het Rijksbesluit opvolging Sociale Verzekeringsbank Nederlandse Antillen volgt dat vóór 1 januari 1986 op Aruba opgebouwde AOV-aanspraken worden toegedeeld jegens het land Curaçao. Vanaf 1 januari 1986 geschiedt de opbouw telkens naar rato jegens het land binnen wiens grondgebied de verzekerde de AOV-aanspraken heeft opgebouwd. Dit betekent dat de AOV-aanspraken die eiseres heeft opgebouwd tot het moment van uitschrijving op Aruba op 1 januari 1983 worden toegedeeld aan Curaçao en dat eiseres vanaf het moment van inschrijving op Curaçao op 12 juni 1989 AOV-aanspraken op Curaçao heeft opgebouwd.
Waarom is eiseres het niet eens met de herziene beschikking en wat vindt het Gerecht daarvan?
9. Eiseres stelt dat zij sinds 1984 tot heden op Curaçao woont en dus ook in de periode 1984 tot het moment van inschrijving op 12 juni 1989. Volgens eiseres legt de SVB het begrip ingezetenschap onjuist uit en stelt de SVB zich te formalistisch op bij de waardering van het door eiseres geleverde bewijs. De SVB moet niet alleen kijken naar het ontbreken van een inschrijving in het bevolkingsregister, maar naar het geheel van feiten en omstandigheden waaruit blijkt waar eiseres haar maatschappelijk leven daadwerkelijk had. Eiseres heeft in samenhang bezien voldoende bewijs geleverd, te weten de uittreksels uit de bevolkingsregisters van respectievelijk Aruba en Curaçao en de getuigenverklaringen van de echtgenoot van eiseres en diens broer. In de beroepsfase heeft eiseres nog een verklaring van een voormalige buurvrouw toegevoegd. Van eiseres kan niet worden verwacht dat zij nog ander bewijs kan leveren van feiten die ongeveer 40 jaar geleden hebben plaatsgevonden. Ter zitting heeft eiseres verklaard dat haar echtgenoot verklaringen van de andere landen van de voormalige Nederlandse Antillen heeft opgevraagd om te bewijzen dat zij in de periode 1984-1989 niet in die andere landen stond ingeschreven. Volgens eiseres zouden die verklaringen haar stelling ondersteunen dat zij in de periode 1984-1989 in Curaçao heeft gewoond. Eiseres heeft die verklaringen nog niet ontvangen.
10. Het betoog van eiseres slaagt niet. Het Gerecht overweegt daartoe als volgt.
10.1.
De kern van het geschil berust op de vraag of eiseres in de periode 1 januari 1983 (uitschrijving op Aruba) tot 12 juni 1989 (inschrijving op Curaçao) ingezetene was van Curaçao en op grond daarvan verzekerd was voor de Lv AOV. Daar waar eiseres in haar beroepschrift 1984 heeft genoemd als jaar van vestiging in Curaçao begrijpt het Gerecht 1 januari 1983, omdat uit de verdere strekking van haar beroepschrift en haar verklaring ter zitting blijkt dat zij stelt dat zij sinds haar vertrek uit Aruba tot heden op Curaçao heeft gewoond en daarom een korting op haar pensioen in het geheel niet terecht is.
10.2.
De volgende wettelijke voorschriften zijn in deze zaak relevant.
Volgens artikel 1 van de Lv AOV wordt voor de toepassing van het bij of krachtens de Lv AOV bepaalde onder ingezetene verstaan degene met een geldige verblijfstitel die in het bevolkingsregister is ingeschreven en metterwoon in Curaçao is gevestigd.
Artikel 2, eerste lid, van de Lv AOV luidt: waar iemand metterwoon is gevestigd hangt af van het middelpunt van het maatschappelijk en economisch leven van betrokkene en wordt naar de omstandigheden beoordeeld, voor zover in dit artikel niet anders is bepaald. In de leden 2, 3 en 4 van dit artikel wordt het begrip metterwoon nader afgebakend.
Artikel 5, eerste lid, van de Lv AOV bepaalt dat verzekerd is overeenkomstig de bepalingen van deze landsverordening degene, die de leeftijd van vijftien jaar, doch niet die van 65 jaar heeft bereikt, indien hij:
a. ingezetene is;
b. geen ingezetene is, doch in de inkomstenbelasting wordt aangeslagen als in Curaçao wonende belastingplichtige;
c. geen ingezetene is en evenmin geacht kan worden blijvend buiten Curaçao te wonen, doch terzake van buiten Curaçao verplichte arbeid wedde of loon geniet ten laste van Curaçao, mits hij Nederlander is.
10.3.
Het Gerecht stelt vast dat de Lv AOV het begrip ingezetene definieert als een persoon met een geldige verblijfstitel die zowel is ingeschreven in het bevolkingsregister als metterwoon in Curaçao is gevestigd. De SVB heeft ter zitting toegelicht dat de SVB ook iemand die niet in het bevolkingsregister is ingeschreven als ingezetene kan aanmerken, mits diegene met objectieve en verifieerbare gegevens kan aantonen dat hij metterwoon gevestigd is in Curaçao.
10.4.
Uit vaste rechtspraak volgt dat bij besluiten op aanvraag de bewijslast ter onderbouwing van een aanvraag in hoofdzaak bij de aanvrager ligt. Dat geldt zeker in zaken zoals de onderhavige, waarin de te bewijzen feiten liggen binnen de invloedssfeer van de aanvrager. Voor zover eiseres ter zitting heeft betoogd dat het op de weg van de SVB ligt om bij de andere landen verklaringen op te vragen zoals haar echtgenoot zonder resultaat heeft gedaan, volgt het Gerecht haar daarin dus niet.
10.5.
Als het gaat om de waarde die in deze zaak aan getuigenverklaringen moet worden gehecht, overweegt het Gerecht dat aan een verklaring van een familielid van betrokkene, bij gebrek aan andere objectieve gegevens die wijzen op het ingezetenschap, in het algemeen geen doorslaggevende betekenis wordt toegekend.
10.6.
Het Gerecht is met de SVB van oordeel dat aan de door eiseres overgelegde getuigenverklaringen van haar echtgenoot en diens broer niet de waarde kan worden gehecht die eiseres daaraan gehecht wil zien. De verklaring van de voormalige buurvrouw van eiseres biedt evenmin -ook niet bezien in samenhang met de verklaringen van de familiegetuigen- voldoende waarde voor het bewijs van het ingezetenschap van eiseres voor de gehele periode. Het Gerecht kent meer gewicht toe aan het enige objectieve bewijs in deze zaak, bestaande uit het uittreksel van het Arubaanse bevolkingsregister. Op grond van dit uittreksel kan echter niet worden vastgesteld dat eiseres zich op 1 januari 1983 heeft gevestigd in Curaçao, maar alleen dat eiseres op 1 januari 1983 is vertrokken vanuit Aruba naar de Nederlandse Antillen. Evenmin zal het ontbreken van inschrijvingen in andere landen van de voormalige Nederlandse Antillen kunnen aantonen dat eiseres gedurende de gehele periode van 1 januari 1983 tot 12 juni 1989 ingezetene was van Curaçao. Het betoog slaagt niet.
10.6
Het Gerecht concludeert dat de SVB eiseres terecht niet verzekerd heeft geacht voor de AOV in de periode van 1 januari 1983 tot 12 juni 1989, omdat zij toen geen ingezetene van Curaçao was.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep tegen de beschikking op bezwaar is niet-ontvankelijk. Het beroep tegen de herziene beschikking is ongegrond omdat de door eiseres aangevoerde gronden niet slagen. Dat betekent dat de herziene beschikking, waarbij de SVB een kortingspercentage van 12% wegens niet verzekerde jaren heeft toegepast op het AOV-pensioen van eiseres, in stand blijft. De SVB hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
Het Gerecht:
- verklaart het beroep van eiseres tegen de beschikking op bezwaar niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep van eiseres tegen de herziene beschikking ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. drs. S. Lanshage, voorzitter, mr. J. Sybesma en mr. P. Klik, leden, en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2026, in tegenwoordigheid van mr. C. Anselma-Bernsen, griffier.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Het hoger beroep moet worden ingediend bij het Gerecht dat de uitspraak heeft gedaan.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;
een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;
vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment worden ingediend.
Voor het instellen van het hoger beroep is griffierecht verschuldigd.
Centrale Raad van Beroep 5 juni 2025 ECLI:NL:CRVB:2025:877 r.o. 4.2.
Vergelijk Centrale Raad van Beroep 5 juni 2025 ECLI:NL:CRVB:2025:877 o.a. r.o. 4.6.2.