Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
ECLI:NL:OGEAC:2026:147
2026-07-10
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
CUR202504778
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Beroep tegen nieuwe beschikking op handhavingsverzoek ongegrond. De minister heeft naar het oordeel van het Gerecht op goede gronden geconcludeerd dat concreet zicht bestaat op legalisatie en dat er daarom geen grondslag is om handhavend op te treden.
Citeert (2)
- ECLI:NL:OGEAC:2025:258 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 26-11-2025
- ECLI:NL:RVS:2018:1314 Raad van State 25-04-2018
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (23.204 tekens)
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Uitspraak
in het geding tussen:
[eiseres],
eiseres,
gevestigd te Curaçao,
gemachtigde: [directeur], directeur,
en
de minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning (VVRP),
verweerder,
gemachtigde: mr. G.N. Hollander,
met als derde-belanghebbenden:
[vergunninghouders],
vergunninghouders.
Partijen zullen hierna eiseres, de minister en vergunninghouders worden genoemd.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht het beroep van eiseres tegen de beslissing van de minister tot afwijzing van het verzoek van eiseres om handhavend op te treden tegen het door vergunninghouders afwijken van een aan hen verleende bouwvergunning.
1.1
Eiseres heeft aanvankelijk op 28 november 2025 beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op zijn haar handhavingsverzoek van 23 juli 2025.
1.2
De minister heeft op 5 december 2025 alsnog beslist op het handhavingsverzoek van eiseres en dat verzoek afgewezen (de bestreden beschikking). Eiseres heeft op 12 januari 2026 gronden ingediend tegen de afwijzing van het handhavingsverzoek. De minister heeft met een verweerschrift op het beroep gereageerd. De vergunninghouders hebben een schriftelijke zienswijze ingediend. Eiseres heeft nadere reacties ingediend op het verweerschrift van de minister en de schriftelijke zienswijze van vergunninghouders.
1.3
Het Gerecht heeft het beroep op 22 april 2026 op zitting behandeld. Namens eiseres is haar gemachtigde verschenen, vergezeld van zijn echtgenote. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ook de vergunninghouders zijn verschenen.
1.4
Op de zitting heeft het Gerecht de minister in de gelegenheid gesteld over vier weken een nieuwe beslissing te nemen op het handhavingsverzoek. De minister heeft op 20 mei 2026 een nieuwe beslissing genomen. Na ontvangst van de reacties van eiseres en de vergunninghouders op de nieuwe beslissing heeft het Gerecht het onderzoek gesloten en een uitspraakdatum bepaald.
Beoordeling door het Gerecht
2.1.
Het Gerecht komt tot het oordeel dat het beroep van eiseres tegen het uitblijven van een beslissing op haar handhavingsverzoek niet-ontvankelijk is. Daar is inmiddels op beslist.
2.2.
Het Gerecht komt tot het oordeel dat het beroep van eiseres tegen de bestreden beschikking niet-ontvankelijk is. Eiseres heeft geen belang meer bij de beoordeling van dat beroep. Het Gerecht merkt de nieuwe beslissing van de minister aan als nieuwe beschikking en beschouwt de bestreden beschikking als ingetrokken.
2.3.
Het Gerecht komt tot het oordeel dat het beroep van eiseres tegen de nieuwe beschikking op haar handhavingsverzoek ongegrond is. De beroepsgrond dat de minister zijn beslissing over ‘concreet zicht op legalisatie’ onvoldoende heeft gemotiveerd slaagt niet. Ook de overige beroepsgronden over de gestelde parkeeroverlast, hinder en de verschillende versies van de nieuwe beschikking slagen niet. De minister heeft naar het oordeel van het Gerecht op goede gronden geconcludeerd dat concreet zicht bestaat op legalisatie en dat er daarom geen grondslag is om handhavend op te treden.
2.4.
Het Gerecht legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Wat is relevant om te weten in deze zaak?
3. Het Gerecht gaat uit van de volgende feiten.
3.1.
Eiseres is eigenaar van een perceel te Seru Bottelier.
3.2.
Op 17 december 2020 is aan vergunninghouders een bouwvergunning verleend voor het bouwen van een woonhuis en logeerruimte op het perceel [adres], dat gelegen is naast het perceel van eiseres.
3.3.
Op 23 juli 2025 dient eiseres een verzoek in bij de minister om handhavend op te treden. Volgens eiseres is gebouwd in afwijking van de bouwvergunning. Ook is gebouwd in strijd met bouwvoorschriften en welstandsbepalingen van het verkavelingsplan Seroe Bottelier. Volgens eiseres is sprake van een appartementencomplex met drie woonlagen in plaats van een woonhuis met logeerruimte. Daarbij ligt de onderste woonlaag (de basement) op kortere afstand van de perceelsgrens dan de vereiste 3 meter. Verder is er parkeeroverlast op straat door een tekort aan parkeerplaatsen op eigen terrein. Daardoor is er ook strijd met de Wegenverkeersverordening, aldus eiseres. Tot slot wijst eiseres in haar handhavingsverzoek op de daling van de waarde van haar woning als gevolg van de overtredingen.
Waarom is het beroep van eiseres tegen het uitblijven van een beslissing op haar handhavingsverzoek niet-ontvankelijk?
4.1.
Eiseres heeft aanvankelijk beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op haar handhavingsverzoek. Artikel 9c, eerste lid, van de Lar bepaalt voor zover hier relevant dat indien beroep aanhangig is tegen een weigering om een beschikking te geven, en het bestuursorgaan alsnog een beschikking geeft, het beroep mede betrekking heeft op deze beschikking.
4.2.
Het beroep van eiseres tegen het uitblijven van een beslissing op haar handhavingsverzoek heeft dus van rechtswege ook betrekking op de reële beslissing van de minister op het handhavingsverzoek.
4.3.
Het beroep van eiseres tegen het uitblijven van een beslissing op haar handhavingsverzoek is niet-ontvankelijk. De minister heeft immers beslist op dat verzoek.
4.4.
Het Gerecht is van oordeel dat eiseres het beroep tegen het uitblijven van een beslissing op haar handhavingsverzoek terecht heeft ingesteld nu de minister op dat moment nog niet had beslist op het bijna vier maanden oude verzoek. In een eerdere uitspraak van 26 november 2025 (CUR202503806) die betrekking had op een beroep van eiseres over hetzelfde handhavingsverzoek van 23 juli 2025 heeft het Gerecht al geoordeeld dat een beslistermijn van drie maanden in dit geval redelijk is, gezien de aard en omvang van het handhavingsverzoek. Die redelijke beslistermijn was ten tijde van het indienen van het beroep overschreden. Daarom ziet het Gerecht in deze zaak aanleiding te bepalen dat de minister het door eiseres betaalde griffierecht moet vergoeden. Voor een proceskostenveroordeling ziet het Gerecht geen aanleiding. Van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is geen sprake. Eiseres wordt immers in rechte vertegenwoordigd door haar directeur, die zich tevens als gemachtigde van eiseres heeft gesteld. Ook van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht is het Gerecht niet gebleken.
Waarom is het beroep tegen de bestreden beschikking niet-ontvankelijk?
5. De minister heeft een nieuwe beslissing genomen op het handhavingsverzoek naar aanleiding van de behandeling ter zitting. Het Gerecht stelt vast dat de minister de bestreden beschikking niet heeft ingetrokken. Het Gerecht stelt ook vast dat de minister in de nieuwe beslissing de tekst van de bestreden beschikking nagenoeg geheel heeft overgenomen, op een alinea ten aanzien van de door eiseres gestelde waardedaling van haar woning na. Verder bevat de nieuwe beslissing een aanvullende motivering. Het Gerecht merkt daarom de nieuwe beslissing aan als de nieuwe beschikking en beschouwt de bestreden beschikking als ingetrokken. Eiseres heeft daarom naar het oordeel van het Gerecht geen belang meer bij de beoordeling van haar beroep tegen de bestreden beschikking. Voor zover eiseres blijft bij haar (in het handhavingsverzoek en het beroep tegen het uitblijven van een beslissing daarop) gestelde belang van waardedaling van haar woning, volgt het Gerecht haar daarin niet. Eiseres heeft die stelling immers niet onderbouwd. Overigens komen alle overige gronden die eiseres heeft aangevoerd tegen de bestreden beschikking ook aan bod bij de beoordeling door het Gerecht van de nieuwe beschikking. Het Gerecht zal het beroep voor zover dat is gericht tegen de bestreden beschikking niet-ontvankelijk verklaren.
Waarom heeft de minister het handhavingsverzoek in de nieuwe beschikking afgewezen?
6. De minister baseert zich in de nieuwe beschikking op inspecties van Uitvoeringsorganisatie Ruimtelijke Ordening en Planning (UO ROP) en van het Projectteam Handhaving. Die inspecties zijn vastgelegd in een rapport van 12 mei 2026.
6.1.
De minister constateert dat er op de volgende onderdelen in afwijking van de bouwvergunning is gebouwd:
Aan de westzijde van het gebouw is een garage/stallingsruimte aangebouwd met daarop een buitentrap die toegang geeft tot de verdieping;
Er is geen binnentrap die de begane grond verbindt met de verdieping;
De garage/stallingsruimte bevindt zich op een afstand van 2,40 meter van de erfgrens met eiseres in plaats van de vergunde 3 meter.
De aanwezigheid van de buitentrap en de afwezigheid van een interne trap doet vermoeden dat de verdieping als zelfstandige woning wordt gebruikt. Daarom is feitelijk sprake van een flatgebouw met twee woningen en een kelderverdieping als logeerruimte. De conclusie is dat ook het feitelijk gebruik van de woning afwijkt van de bouwvergunning.
6.2.
De minister heeft vastgesteld dat er wat betreft de parkeerruimte op eigen terrein geen sprake is van een afwijking van de bouwvergunning.
6.3.
De minister heeft vervolgens getoetst of er concreet zicht is op legalisatie van de geconstateerde overtredingen. Daarbij heeft de minister getoetst aan de Bouw- en Woningverordening (Bwv), het Eilandelijk Ontwikkelingsplan Curaçao (EOP) en de Nota invulling en vastlegging toetsingsnormen en criteria EOP (de Nota). De minister heeft verder uitgelegd waarom het verkavelingsplan Seroe Bottelier van 19 november 1991 (het verkavelingsplan) niet bij de beoordeling is betrokken.
6.4.
De minister wijst het verzoek om handhavend op te treden af omdat ten aanzien van alle overtredingen concreet zicht bestaat op legalisatie.
Wat voert eiseres aan tegen de afwijzing van het handhavingsverzoek in de nieuwe beschikking en wat vindt het Gerecht daarvan?
7. Eiseres heeft meerdere beroepsgronden aangevoerd die het Gerecht hierna achtereenvolgens zal bespreken. Eiseres heeft de beroepsgrond inhoudende dat ‘de minister de civiele uitspraken terzijde heeft geschoven’ ter zitting ingetrokken. Daarom laat het Gerecht deze grond onbesproken.
Heeft de minister ‘concreet zicht op legalisatie’ voldoende gemotiveerd?
8. Eiseres vindt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom volgens hem concreet zicht op legalisatie bestaat.
Volgens eiseres heeft de minister nagelaten om te toetsen aan alle toepasselijke wet- en regelgeving en het verkavelingsplan. Zo heeft de minister niet getoetst of een appartementencomplex volgens het verkavelingsplan is toegestaan.
Eiseres voert in dit kader verder aan dat tijdens de bouw vanaf het begin bewust is afgeweken van het vergunde bouwplan en dat het bovendien fundamentele afwijkingen betreft. Daarom is legalisatie niet mogelijk en moet de minister handhaven, aldus eiseres.
9. Deze grond slaagt niet. Het Gerecht overweegt daartoe als volgt.
9.1.
Het Gerecht stelt voorop dat gelet op het algemeen belang dat is gediend met handhaving, in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moet maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dat niet te doen. Dit kan zich voordoen als concreet zicht op legalisatie bestaat. Verder kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.
9.2.
De vraag of concreet zicht op legalisatie bestaat moet zelfstandig worden beantwoord, ook als nog geen concrete daarop gerichte aanvraag is ingediend. Bij de beantwoording van de vraag of concreet zicht op legalisatie bestaat, dient het bestuursorgaan te bezien of, als een aanvraag zou worden ingediend, een vergunning voor een in afwijking van een vergunning gebouwd bouwwerk moet worden verleend.
9.3.
Artikel 22 van de Bwv bevat een limitatief-imperatief stelsel van weigeringsgronden. Dat stelsel houdt in dat een bouwvergunning alleen op de in artikel 22 van de Bwv genoemde gronden mag worden geweigerd en moet worden geweigerd indien één of meer van die gronden zich voordoen. Doet zich geen weigeringsgrond voor, dan moet de gevraagde bouwvergunning worden verleend. Voor een nadere belangenafweging is op dit punt geen ruimte.
9.4.
Het Gerecht stelt vast dat de minister ter beantwoording van de vraag of concreet zicht bestaat op legalisatie van de geconstateerde afwijkingen heeft getoetst aan de toepasselijke wetgeving, in het bijzonder het EOP.
9.4.1.
De minister concludeert dat een flatgebouw bestaande uit twee wooneenheden, een logeerruimte en een garage/stallingsruimte (met buitentrap) door het EOP wordt toegestaan. Naar het oordeel van het Gerecht is deze conclusie van de minister juist, en ook in lijn met vaste rechtspraak van het Hof dat artikel 3, tweede lid en onder a, van het EOP toestaat dat op een perceel dat is bestemd als stedelijk woongebied (onder meer) een flat wordt gebouwd.
9.4.2.
Wat betreft de afwijkende afstand van de gevel van de garage/stallingsruimte tot de erfgrens overweegt de minister dat een overschrijding van 60 cm niet bezwaarlijk is. De minister kan bij een nieuwe bouwvergunning nieuwe rooilijnen vaststellen. Het Gerecht is van oordeel dat het overschrijden van rooilijnen geen weigeringsgrond van artikel 22 van de Bwv oplevert. Het EOP bevat immers geen voorschriften ten aanzien van rooilijnen, behoudens een voorschrift in artikel 2, aanhef en onder c, over de wijze van meten van de afstand tussen een bouwwerk en een grens van een bouwperceel. De enige bepaling in de Bwv die betrekking heeft op het overschrijden van een rooilijn is artikel 36 van de Bwv. Artikel 36 van de Bwv ziet echter specifiek op een verbod van het overschrijden van de gevelrooilijn en dat is volgens artikel 1, eerste lid, van de Bwv de lijn gelegen aan de naar de weg gekeerde zijde van het te bebouwen terrein. In casu gaat het om de zijdelingse rooilijn op het bouwperceel aan de kant van de erfgrens met eiseres.
9.4.3.
De minister heeft verder uitgelegd waarom hij bij de toetsing het verkavelingsplan niet heeft betrokken. Volgens de minister is er geen sprake van een goedgekeurd verkavelingsplan en staat op dit punt alleen de civielrechtelijke weg voor eiseres open.
9.4.4.
Het Gerecht laat een oordeel over de rechtsgeldigheid van het verkavelingsplan in het midden, omdat ook in geval het verkavelingsplan Seroe Bottelier goedgekeurd en rechtsgeldig zou zijn, de toepassing ervan achterwege dient te blijven wegens strijd met het EOP. Dit volgt uit artikel 20, vijfde lid en onder b, van het EOP. In 8.4.1. is reeds vastgesteld dat het EOP een flatgebouw toestaat. Het verkavelingsplan Seroe Bottelier schrijft één woonhuis per perceel voor. Dit verkavelingsplan is dus strijdig met het EOP en moet -indien het rechtsgeldig zou zijn- dan buiten toepassing blijven.
9.5.
Het Gerecht is gelet op het voorgaande van oordeel dat de minister zich terecht en voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat, als een aanvraag zou worden ingediend, een wijzigingsbouwvergunning met betrekking tot de geconstateerde afwijkingen moet worden verleend. Voor de volledigheid vermeldt het Gerecht dat de vergunninghouders op 8 juni 2026 een wijzigingsaanvraag hebben ingediend.
Is de gestelde parkeeroverlast aan te merken als een overtreding?
10. Eiseres voert aan dat het verhoogde parkeerplateau (het Gerecht begrijpt: de garage/stallingsruimte) en de inrichting van het bebouwde terrein de parkeerdruk beïnvloeden. Ook zijn er zes bewoners die elk een auto hebben, waardoor er drie auto’s op het terrein en drie auto’s buiten (deels op de oprit van eiseres) parkeren. De minister motiveert volgens eiseres niet waarom dit geen overtreding oplevert.
11. Deze grond slaagt niet. Het Gerecht overweegt daartoe als volgt.
11.1.
De minister heeft in zijn beslissing uitgelegd waarom de gestelde parkeeroverlast geen overtreding oplevert. Op het eigen terrein is parkeerruimte voor in ieder geval 3 voertuigen en daarmee wordt voldaan aan de parkeernorm in de Nota van 1 per wooneenheid. Voor zover eiser stelt dat er tegen parkeeroverlast buiten het eigen terrein moet worden opgetreden op grond van de Wegenverkeersverordening, heeft de minister erop gewezen dat die wet voor bestuursrechtelijke handhaving geen grondslag biedt.
11.2.
Het Gerecht is van oordeel dat de minister zijn beslissing op dit punt voldoende heeft gemotiveerd. Het betoog slaagt niet.
Is hinder een grondslag voor handhaving?
12. Eiseres voert aan dat het gebouw hinder veroorzaakt. Er is inkijk vanuit het appartementencomplex in de woonkamer en keuken van eiseres. De buitentrap, waaraan was wordt opgehangen, is vlakbij de perceelsgrens met eiseres geplaatst.
13. Dit betoog slaagt niet. Het Gerecht stelt vast dat eiseres deze gestelde hinder niet heeft aangevoerd in haar handhavingsverzoek. De minister heeft daarop dus niet hoeven beslissen.
Hoe zit het met de versies van de nieuwe beschikking?
14. Eiseres voert aan dat uit de emailcorrespondentie van de minister blijkt dat de nieuwe beschikking een aangepaste versie betreft. Volgens eiseres roept dit vragen op over de transparantie en de onafhankelijkheid van het besluitvormingsproces en zij wenst over de oorspronkelijk versie te beschikken.
15. Dit betoog slaagt evenmin. In een besluitvormingsproces als het onderhavige zal het gebruikelijk zijn dat er wordt gewerkt met een conceptversie van een beschikking, die eerst door ambtenaren wordt nagekeken, alvorens de minister uiteindelijk zijn handtekening zet. Dit is een intern proces, dat vanzelfsprekend buiten beeld blijft voor een burger. Eiseres heeft bij toeval wel een inkijk gekregen omdat de gemachtigde van de minister een interne mailwisseling heeft meegestuurd. In wat eiseres aanvoert, ziet het Gerecht geen grond voor het oordeel dat het besluitvormingsproces niet op correcte wijze heeft plaatsgevonden.
16. De slotsom is dat de minister naar het oordeel van het Gerecht op goede gronden heeft geconcludeerd dat voor zover er overtredingen zijn concreet zicht bestaat op legalisatie en dat er daarom geen grondslag is om handhavend op te treden.
Conclusie en gevolgen
17. Het beroep tegen het uitblijven van een beslissing van de minister op het handhavingsverzoek is niet-ontvankelijk. Daarop is inmiddels beslist. Ook het beroep tegen de bestreden beschikking is niet-ontvankelijk omdat eiseres bij dat beroep gelet op de nieuwe beschikking geen belang meer heeft. Het beroep tegen de nieuwe beschikking is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzende beslissing van het handhavingsverzoek in stand blijft.
18. Omdat het beroep tegen het uitblijven van een beslissing van de minister op het handhavingsverzoek terecht was ingesteld, zal het Gerecht bepalen dat de minister het door eiseres betaalde griffierecht van Cg 150,- aan haar moet vergoeden.
Beslissing
Het Gerecht:
- verklaart het beroep van eiseres tegen het uitblijven van een beslissing op het handhavingsverzoek niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep van eiseres tegen de bestreden beschikking van 5 december 2025 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep van eiseres tegen de nieuwe beschikking van 20 mei 2026 ongegrond;
- bepaalt dat de minister het door eiseres betaalde griffierecht van Cg 150,- aan haar vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. drs. S. Lanshage, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2026, in tegenwoordigheid van mr. C. Anselma-Bernsen, griffier.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Het hoger beroep moet worden ingediend bij het Gerecht dat de uitspraak heeft gedaan.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;
een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;
vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment worden ingediend.
Voor het instellen van het hoger beroep is griffierecht verschuldigd.
ECLI:NL:OGEAC:2025:258
Gemeenschappelijk Hof van Justitie (GHvJ) 5 juli 2023 ECLI:NL:OGHACMB:2023:127 r.o. 5.
GHvJ 10 juni 2026 ECLI:NL:OGHACMB:2026:144 r.o. 4.3.1. en de daarin aangehaalde uitspraak van de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State van 15 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1314, r.o. 6.2.
GHvJ 27 juli 2021 ECLI:NL:OGHACMB:2021:142 (Stadsrust) r.o. 5.4 en GHvJ 23 november 2022 ECLI:NL:OGHACMB:2022:128 (Toni Kunchi) r.o. 11 t/m 11.3
Uitspraak
in het geding tussen:
[eiseres],
eiseres,
gevestigd te Curaçao,
gemachtigde: [directeur], directeur,
en
de minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning (VVRP),
verweerder,
gemachtigde: mr. G.N. Hollander,
met als derde-belanghebbenden:
[vergunninghouders],
vergunninghouders.
Partijen zullen hierna eiseres, de minister en vergunninghouders worden genoemd.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht het beroep van eiseres tegen de beslissing van de minister tot afwijzing van het verzoek van eiseres om handhavend op te treden tegen het door vergunninghouders afwijken van een aan hen verleende bouwvergunning.
1.1
Eiseres heeft aanvankelijk op 28 november 2025 beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op zijn haar handhavingsverzoek van 23 juli 2025.
1.2
De minister heeft op 5 december 2025 alsnog beslist op het handhavingsverzoek van eiseres en dat verzoek afgewezen (de bestreden beschikking). Eiseres heeft op 12 januari 2026 gronden ingediend tegen de afwijzing van het handhavingsverzoek. De minister heeft met een verweerschrift op het beroep gereageerd. De vergunninghouders hebben een schriftelijke zienswijze ingediend. Eiseres heeft nadere reacties ingediend op het verweerschrift van de minister en de schriftelijke zienswijze van vergunninghouders.
1.3
Het Gerecht heeft het beroep op 22 april 2026 op zitting behandeld. Namens eiseres is haar gemachtigde verschenen, vergezeld van zijn echtgenote. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ook de vergunninghouders zijn verschenen.
1.4
Op de zitting heeft het Gerecht de minister in de gelegenheid gesteld over vier weken een nieuwe beslissing te nemen op het handhavingsverzoek. De minister heeft op 20 mei 2026 een nieuwe beslissing genomen. Na ontvangst van de reacties van eiseres en de vergunninghouders op de nieuwe beslissing heeft het Gerecht het onderzoek gesloten en een uitspraakdatum bepaald.
Beoordeling door het Gerecht
2.1.
Het Gerecht komt tot het oordeel dat het beroep van eiseres tegen het uitblijven van een beslissing op haar handhavingsverzoek niet-ontvankelijk is. Daar is inmiddels op beslist.
2.2.
Het Gerecht komt tot het oordeel dat het beroep van eiseres tegen de bestreden beschikking niet-ontvankelijk is. Eiseres heeft geen belang meer bij de beoordeling van dat beroep. Het Gerecht merkt de nieuwe beslissing van de minister aan als nieuwe beschikking en beschouwt de bestreden beschikking als ingetrokken.
2.3.
Het Gerecht komt tot het oordeel dat het beroep van eiseres tegen de nieuwe beschikking op haar handhavingsverzoek ongegrond is. De beroepsgrond dat de minister zijn beslissing over ‘concreet zicht op legalisatie’ onvoldoende heeft gemotiveerd slaagt niet. Ook de overige beroepsgronden over de gestelde parkeeroverlast, hinder en de verschillende versies van de nieuwe beschikking slagen niet. De minister heeft naar het oordeel van het Gerecht op goede gronden geconcludeerd dat concreet zicht bestaat op legalisatie en dat er daarom geen grondslag is om handhavend op te treden.
2.4.
Het Gerecht legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Wat is relevant om te weten in deze zaak?
3. Het Gerecht gaat uit van de volgende feiten.
3.1.
Eiseres is eigenaar van een perceel te Seru Bottelier.
3.2.
Op 17 december 2020 is aan vergunninghouders een bouwvergunning verleend voor het bouwen van een woonhuis en logeerruimte op het perceel [adres], dat gelegen is naast het perceel van eiseres.
3.3.
Op 23 juli 2025 dient eiseres een verzoek in bij de minister om handhavend op te treden. Volgens eiseres is gebouwd in afwijking van de bouwvergunning. Ook is gebouwd in strijd met bouwvoorschriften en welstandsbepalingen van het verkavelingsplan Seroe Bottelier. Volgens eiseres is sprake van een appartementencomplex met drie woonlagen in plaats van een woonhuis met logeerruimte. Daarbij ligt de onderste woonlaag (de basement) op kortere afstand van de perceelsgrens dan de vereiste 3 meter. Verder is er parkeeroverlast op straat door een tekort aan parkeerplaatsen op eigen terrein. Daardoor is er ook strijd met de Wegenverkeersverordening, aldus eiseres. Tot slot wijst eiseres in haar handhavingsverzoek op de daling van de waarde van haar woning als gevolg van de overtredingen.
Waarom is het beroep van eiseres tegen het uitblijven van een beslissing op haar handhavingsverzoek niet-ontvankelijk?
4.1.
Eiseres heeft aanvankelijk beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op haar handhavingsverzoek. Artikel 9c, eerste lid, van de Lar bepaalt voor zover hier relevant dat indien beroep aanhangig is tegen een weigering om een beschikking te geven, en het bestuursorgaan alsnog een beschikking geeft, het beroep mede betrekking heeft op deze beschikking.
4.2.
Het beroep van eiseres tegen het uitblijven van een beslissing op haar handhavingsverzoek heeft dus van rechtswege ook betrekking op de reële beslissing van de minister op het handhavingsverzoek.
4.3.
Het beroep van eiseres tegen het uitblijven van een beslissing op haar handhavingsverzoek is niet-ontvankelijk. De minister heeft immers beslist op dat verzoek.
4.4.
Het Gerecht is van oordeel dat eiseres het beroep tegen het uitblijven van een beslissing op haar handhavingsverzoek terecht heeft ingesteld nu de minister op dat moment nog niet had beslist op het bijna vier maanden oude verzoek. In een eerdere uitspraak van 26 november 2025 (CUR202503806) die betrekking had op een beroep van eiseres over hetzelfde handhavingsverzoek van 23 juli 2025 heeft het Gerecht al geoordeeld dat een beslistermijn van drie maanden in dit geval redelijk is, gezien de aard en omvang van het handhavingsverzoek. Die redelijke beslistermijn was ten tijde van het indienen van het beroep overschreden. Daarom ziet het Gerecht in deze zaak aanleiding te bepalen dat de minister het door eiseres betaalde griffierecht moet vergoeden. Voor een proceskostenveroordeling ziet het Gerecht geen aanleiding. Van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is geen sprake. Eiseres wordt immers in rechte vertegenwoordigd door haar directeur, die zich tevens als gemachtigde van eiseres heeft gesteld. Ook van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht is het Gerecht niet gebleken.
Waarom is het beroep tegen de bestreden beschikking niet-ontvankelijk?
5. De minister heeft een nieuwe beslissing genomen op het handhavingsverzoek naar aanleiding van de behandeling ter zitting. Het Gerecht stelt vast dat de minister de bestreden beschikking niet heeft ingetrokken. Het Gerecht stelt ook vast dat de minister in de nieuwe beslissing de tekst van de bestreden beschikking nagenoeg geheel heeft overgenomen, op een alinea ten aanzien van de door eiseres gestelde waardedaling van haar woning na. Verder bevat de nieuwe beslissing een aanvullende motivering. Het Gerecht merkt daarom de nieuwe beslissing aan als de nieuwe beschikking en beschouwt de bestreden beschikking als ingetrokken. Eiseres heeft daarom naar het oordeel van het Gerecht geen belang meer bij de beoordeling van haar beroep tegen de bestreden beschikking. Voor zover eiseres blijft bij haar (in het handhavingsverzoek en het beroep tegen het uitblijven van een beslissing daarop) gestelde belang van waardedaling van haar woning, volgt het Gerecht haar daarin niet. Eiseres heeft die stelling immers niet onderbouwd. Overigens komen alle overige gronden die eiseres heeft aangevoerd tegen de bestreden beschikking ook aan bod bij de beoordeling door het Gerecht van de nieuwe beschikking. Het Gerecht zal het beroep voor zover dat is gericht tegen de bestreden beschikking niet-ontvankelijk verklaren.
Waarom heeft de minister het handhavingsverzoek in de nieuwe beschikking afgewezen?
6. De minister baseert zich in de nieuwe beschikking op inspecties van Uitvoeringsorganisatie Ruimtelijke Ordening en Planning (UO ROP) en van het Projectteam Handhaving. Die inspecties zijn vastgelegd in een rapport van 12 mei 2026.
6.1.
De minister constateert dat er op de volgende onderdelen in afwijking van de bouwvergunning is gebouwd:
Aan de westzijde van het gebouw is een garage/stallingsruimte aangebouwd met daarop een buitentrap die toegang geeft tot de verdieping;
Er is geen binnentrap die de begane grond verbindt met de verdieping;
De garage/stallingsruimte bevindt zich op een afstand van 2,40 meter van de erfgrens met eiseres in plaats van de vergunde 3 meter.
De aanwezigheid van de buitentrap en de afwezigheid van een interne trap doet vermoeden dat de verdieping als zelfstandige woning wordt gebruikt. Daarom is feitelijk sprake van een flatgebouw met twee woningen en een kelderverdieping als logeerruimte. De conclusie is dat ook het feitelijk gebruik van de woning afwijkt van de bouwvergunning.
6.2.
De minister heeft vastgesteld dat er wat betreft de parkeerruimte op eigen terrein geen sprake is van een afwijking van de bouwvergunning.
6.3.
De minister heeft vervolgens getoetst of er concreet zicht is op legalisatie van de geconstateerde overtredingen. Daarbij heeft de minister getoetst aan de Bouw- en Woningverordening (Bwv), het Eilandelijk Ontwikkelingsplan Curaçao (EOP) en de Nota invulling en vastlegging toetsingsnormen en criteria EOP (de Nota). De minister heeft verder uitgelegd waarom het verkavelingsplan Seroe Bottelier van 19 november 1991 (het verkavelingsplan) niet bij de beoordeling is betrokken.
6.4.
De minister wijst het verzoek om handhavend op te treden af omdat ten aanzien van alle overtredingen concreet zicht bestaat op legalisatie.
Wat voert eiseres aan tegen de afwijzing van het handhavingsverzoek in de nieuwe beschikking en wat vindt het Gerecht daarvan?
7. Eiseres heeft meerdere beroepsgronden aangevoerd die het Gerecht hierna achtereenvolgens zal bespreken. Eiseres heeft de beroepsgrond inhoudende dat ‘de minister de civiele uitspraken terzijde heeft geschoven’ ter zitting ingetrokken. Daarom laat het Gerecht deze grond onbesproken.
Heeft de minister ‘concreet zicht op legalisatie’ voldoende gemotiveerd?
8. Eiseres vindt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom volgens hem concreet zicht op legalisatie bestaat.
Volgens eiseres heeft de minister nagelaten om te toetsen aan alle toepasselijke wet- en regelgeving en het verkavelingsplan. Zo heeft de minister niet getoetst of een appartementencomplex volgens het verkavelingsplan is toegestaan.
Eiseres voert in dit kader verder aan dat tijdens de bouw vanaf het begin bewust is afgeweken van het vergunde bouwplan en dat het bovendien fundamentele afwijkingen betreft. Daarom is legalisatie niet mogelijk en moet de minister handhaven, aldus eiseres.
9. Deze grond slaagt niet. Het Gerecht overweegt daartoe als volgt.
9.1.
Het Gerecht stelt voorop dat gelet op het algemeen belang dat is gediend met handhaving, in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moet maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dat niet te doen. Dit kan zich voordoen als concreet zicht op legalisatie bestaat. Verder kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.
9.2.
De vraag of concreet zicht op legalisatie bestaat moet zelfstandig worden beantwoord, ook als nog geen concrete daarop gerichte aanvraag is ingediend. Bij de beantwoording van de vraag of concreet zicht op legalisatie bestaat, dient het bestuursorgaan te bezien of, als een aanvraag zou worden ingediend, een vergunning voor een in afwijking van een vergunning gebouwd bouwwerk moet worden verleend.
9.3.
Artikel 22 van de Bwv bevat een limitatief-imperatief stelsel van weigeringsgronden. Dat stelsel houdt in dat een bouwvergunning alleen op de in artikel 22 van de Bwv genoemde gronden mag worden geweigerd en moet worden geweigerd indien één of meer van die gronden zich voordoen. Doet zich geen weigeringsgrond voor, dan moet de gevraagde bouwvergunning worden verleend. Voor een nadere belangenafweging is op dit punt geen ruimte.
9.4.
Het Gerecht stelt vast dat de minister ter beantwoording van de vraag of concreet zicht bestaat op legalisatie van de geconstateerde afwijkingen heeft getoetst aan de toepasselijke wetgeving, in het bijzonder het EOP.
9.4.1.
De minister concludeert dat een flatgebouw bestaande uit twee wooneenheden, een logeerruimte en een garage/stallingsruimte (met buitentrap) door het EOP wordt toegestaan. Naar het oordeel van het Gerecht is deze conclusie van de minister juist, en ook in lijn met vaste rechtspraak van het Hof dat artikel 3, tweede lid en onder a, van het EOP toestaat dat op een perceel dat is bestemd als stedelijk woongebied (onder meer) een flat wordt gebouwd.
9.4.2.
Wat betreft de afwijkende afstand van de gevel van de garage/stallingsruimte tot de erfgrens overweegt de minister dat een overschrijding van 60 cm niet bezwaarlijk is. De minister kan bij een nieuwe bouwvergunning nieuwe rooilijnen vaststellen. Het Gerecht is van oordeel dat het overschrijden van rooilijnen geen weigeringsgrond van artikel 22 van de Bwv oplevert. Het EOP bevat immers geen voorschriften ten aanzien van rooilijnen, behoudens een voorschrift in artikel 2, aanhef en onder c, over de wijze van meten van de afstand tussen een bouwwerk en een grens van een bouwperceel. De enige bepaling in de Bwv die betrekking heeft op het overschrijden van een rooilijn is artikel 36 van de Bwv. Artikel 36 van de Bwv ziet echter specifiek op een verbod van het overschrijden van de gevelrooilijn en dat is volgens artikel 1, eerste lid, van de Bwv de lijn gelegen aan de naar de weg gekeerde zijde van het te bebouwen terrein. In casu gaat het om de zijdelingse rooilijn op het bouwperceel aan de kant van de erfgrens met eiseres.
9.4.3.
De minister heeft verder uitgelegd waarom hij bij de toetsing het verkavelingsplan niet heeft betrokken. Volgens de minister is er geen sprake van een goedgekeurd verkavelingsplan en staat op dit punt alleen de civielrechtelijke weg voor eiseres open.
9.4.4.
Het Gerecht laat een oordeel over de rechtsgeldigheid van het verkavelingsplan in het midden, omdat ook in geval het verkavelingsplan Seroe Bottelier goedgekeurd en rechtsgeldig zou zijn, de toepassing ervan achterwege dient te blijven wegens strijd met het EOP. Dit volgt uit artikel 20, vijfde lid en onder b, van het EOP. In 8.4.1. is reeds vastgesteld dat het EOP een flatgebouw toestaat. Het verkavelingsplan Seroe Bottelier schrijft één woonhuis per perceel voor. Dit verkavelingsplan is dus strijdig met het EOP en moet -indien het rechtsgeldig zou zijn- dan buiten toepassing blijven.
9.5.
Het Gerecht is gelet op het voorgaande van oordeel dat de minister zich terecht en voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat, als een aanvraag zou worden ingediend, een wijzigingsbouwvergunning met betrekking tot de geconstateerde afwijkingen moet worden verleend. Voor de volledigheid vermeldt het Gerecht dat de vergunninghouders op 8 juni 2026 een wijzigingsaanvraag hebben ingediend.
Is de gestelde parkeeroverlast aan te merken als een overtreding?
10. Eiseres voert aan dat het verhoogde parkeerplateau (het Gerecht begrijpt: de garage/stallingsruimte) en de inrichting van het bebouwde terrein de parkeerdruk beïnvloeden. Ook zijn er zes bewoners die elk een auto hebben, waardoor er drie auto’s op het terrein en drie auto’s buiten (deels op de oprit van eiseres) parkeren. De minister motiveert volgens eiseres niet waarom dit geen overtreding oplevert.
11. Deze grond slaagt niet. Het Gerecht overweegt daartoe als volgt.
11.1.
De minister heeft in zijn beslissing uitgelegd waarom de gestelde parkeeroverlast geen overtreding oplevert. Op het eigen terrein is parkeerruimte voor in ieder geval 3 voertuigen en daarmee wordt voldaan aan de parkeernorm in de Nota van 1 per wooneenheid. Voor zover eiser stelt dat er tegen parkeeroverlast buiten het eigen terrein moet worden opgetreden op grond van de Wegenverkeersverordening, heeft de minister erop gewezen dat die wet voor bestuursrechtelijke handhaving geen grondslag biedt.
11.2.
Het Gerecht is van oordeel dat de minister zijn beslissing op dit punt voldoende heeft gemotiveerd. Het betoog slaagt niet.
Is hinder een grondslag voor handhaving?
12. Eiseres voert aan dat het gebouw hinder veroorzaakt. Er is inkijk vanuit het appartementencomplex in de woonkamer en keuken van eiseres. De buitentrap, waaraan was wordt opgehangen, is vlakbij de perceelsgrens met eiseres geplaatst.
13. Dit betoog slaagt niet. Het Gerecht stelt vast dat eiseres deze gestelde hinder niet heeft aangevoerd in haar handhavingsverzoek. De minister heeft daarop dus niet hoeven beslissen.
Hoe zit het met de versies van de nieuwe beschikking?
14. Eiseres voert aan dat uit de emailcorrespondentie van de minister blijkt dat de nieuwe beschikking een aangepaste versie betreft. Volgens eiseres roept dit vragen op over de transparantie en de onafhankelijkheid van het besluitvormingsproces en zij wenst over de oorspronkelijk versie te beschikken.
15. Dit betoog slaagt evenmin. In een besluitvormingsproces als het onderhavige zal het gebruikelijk zijn dat er wordt gewerkt met een conceptversie van een beschikking, die eerst door ambtenaren wordt nagekeken, alvorens de minister uiteindelijk zijn handtekening zet. Dit is een intern proces, dat vanzelfsprekend buiten beeld blijft voor een burger. Eiseres heeft bij toeval wel een inkijk gekregen omdat de gemachtigde van de minister een interne mailwisseling heeft meegestuurd. In wat eiseres aanvoert, ziet het Gerecht geen grond voor het oordeel dat het besluitvormingsproces niet op correcte wijze heeft plaatsgevonden.
16. De slotsom is dat de minister naar het oordeel van het Gerecht op goede gronden heeft geconcludeerd dat voor zover er overtredingen zijn concreet zicht bestaat op legalisatie en dat er daarom geen grondslag is om handhavend op te treden.
Conclusie en gevolgen
17. Het beroep tegen het uitblijven van een beslissing van de minister op het handhavingsverzoek is niet-ontvankelijk. Daarop is inmiddels beslist. Ook het beroep tegen de bestreden beschikking is niet-ontvankelijk omdat eiseres bij dat beroep gelet op de nieuwe beschikking geen belang meer heeft. Het beroep tegen de nieuwe beschikking is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzende beslissing van het handhavingsverzoek in stand blijft.
18. Omdat het beroep tegen het uitblijven van een beslissing van de minister op het handhavingsverzoek terecht was ingesteld, zal het Gerecht bepalen dat de minister het door eiseres betaalde griffierecht van Cg 150,- aan haar moet vergoeden.
Beslissing
Het Gerecht:
- verklaart het beroep van eiseres tegen het uitblijven van een beslissing op het handhavingsverzoek niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep van eiseres tegen de bestreden beschikking van 5 december 2025 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep van eiseres tegen de nieuwe beschikking van 20 mei 2026 ongegrond;
- bepaalt dat de minister het door eiseres betaalde griffierecht van Cg 150,- aan haar vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. drs. S. Lanshage, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2026, in tegenwoordigheid van mr. C. Anselma-Bernsen, griffier.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Het hoger beroep moet worden ingediend bij het Gerecht dat de uitspraak heeft gedaan.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;
een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;
vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment worden ingediend.
Voor het instellen van het hoger beroep is griffierecht verschuldigd.
ECLI:NL:OGEAC:2025:258
Gemeenschappelijk Hof van Justitie (GHvJ) 5 juli 2023 ECLI:NL:OGHACMB:2023:127 r.o. 5.
GHvJ 10 juni 2026 ECLI:NL:OGHACMB:2026:144 r.o. 4.3.1. en de daarin aangehaalde uitspraak van de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State van 15 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1314, r.o. 6.2.
GHvJ 27 juli 2021 ECLI:NL:OGHACMB:2021:142 (Stadsrust) r.o. 5.4 en GHvJ 23 november 2022 ECLI:NL:OGHACMB:2022:128 (Toni Kunchi) r.o. 11 t/m 11.3