Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao

ECLI:NL:OGEAC:2026:145

2026-06-29 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht CUR202600905
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Uitspraakdatum
2026-06-29
Publicatiedatum
2026-08-19
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Bodemzaak
Zaaknummer
CUR202600905
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verzet is niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van procesbelang.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.564 tekens)
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO



Uitspraak


op het verzetschrift van:





[opposant],

opposant,
domicilie kiezende ten kantore van zijn gemachtigde in Curaçao,
gemachtigde: [naam gemachtigde],



en




de minister van Justitie,

geopposeerde,
gemachtigde: mr. S.M. La Croes.




Partijen worden in deze uitspraak hierna opposant en de minister genoemd.





Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht het verzet van opposant tegen de uitspraak van het Gerecht van 6 maart 2026 (de uitspraak).



1.1
Op 14 maart 2025 heeft opposant de minister verzocht om behoud dan wel herstel van zijn verblijfsvergunning op grond van artikel 12 van de Landsverordening toelating en uitzetting (Ltu). Op 10 juli 2025 heeft [opposant] bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een beslissing op zijn verzoek. Op 28 november 2025 heeft opposant beroep ingesteld bij het Gerecht wegens het uitblijven van een beslissing op zijn bezwaar.



1.2
In de uitspraak heeft het Gerecht het beroep van opposant gegrond verklaard, de weigering van de minister om te beschikken op het bezwaarschrift van opposant vernietigd en bepaald dat de minister binnen twee maanden alsnog moet beslissen op het bezwaar.


1.3
Opposant heeft op 18 maart 2026 een verzetschrift ingediend tegen de uitspraak.



1.4
Opposant is in de gelegenheid gesteld te worden gehoord op de zitting van 18 mei 2026. Opposant is niet verschenen en heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [medewerker], werkzaam bij de toelatingsorganisatie.





Beoordeling door het Gerecht



Waar gaat deze zaak over?




2. Het Gerecht heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder behandeling ter zitting. Artikel 79 van de Lar biedt die mogelijkheid onder andere indien het Gerecht van oordeel is dat de bestreden beschikking kennelijk niet in stand kan blijven.



2.1.
Het Gerecht heeft in de uitspraak overwogen dat het feit dat voor een op artikel 12 van de Ltu gebaseerd verzoek leges zijn verschuldigd, niet betekent dat de minister kon afzien van het nemen van enige beslissing. Het Gerecht concludeert dat de minister ten minste gehouden was een formele beslissing op het verzoek van opposant van 14 maart 2025 te nemen. Nu iedere beslissing op het verzoek is uitgebleven, is sprake van een weigering om te beslissen die met een beschikking kan worden gelijkgesteld. Tegen deze met een weigering gelijk te stellen beschikking stond het rechtsmiddel van bezwaar open.



2.2.
Het Gerecht heeft vervolgens in de uitspraak vastgesteld dat de minister niet binnen de wettelijke beslistermijn op het bezwaar van opposant heeft beslist en dat daarom sprake is van een weigering om te beslissen die met een beschikking kan worden gelijkgesteld. Het Gerecht heeft geoordeeld dat deze weigering om te beschikken op het bezwaar kennelijk niet in stand kan blijven.



2.3.
Verder heeft het Gerecht de brief van de minister van 13 januari 2026 aangemerkt als een inhoudelijke beschikking op het verzoek van opposant van 14 maart 2025. Het bezwaar van opposant heeft op grond van artikel 69b, eerste lid, van de Lar mede betrekking op deze beschikking, aldus het Gerecht in de uitspraak.

3. In deze verzetzaak beoordeelt het Gerecht slechts of hij terecht zonder zitting uitspraak heeft gedaan. Het gaat dan uitsluitend over de beoordeling van de kennelijkheid van het door het Gerecht uitgesproken oordeel dat de weigering om te beschikken op het bezwaar kennelijk niet in stand kan blijven. Als in verzet argumenten naar voren worden gebracht die in geval van een normale behandeling ook nog hadden kunnen worden aangevoerd, moet worden beoordeeld of hierdoor twijfel ontstaat over de uitkomst. Zo ja, dan moet de verzetsrechter het verzet gegrond verklaren zodat nader onderzoek kan plaatsvinden.




Waarom is opposant in verzet gegaan?



4. Opposant is in verzet gegaan omdat hij zich niet kan verenigen met rechtsoverweging 6.1 in de uitspraak. Volgens opposant heeft het Gerecht niet zonder zitting kunnen oordelen dat de minister zich terecht op het ontbreken van betaling van leges kon beroepen. Dit standpunt heeft de minister niet in de door het Gerecht als beschikking aangemerkte brief van 13 januari 2026 vermeld, maar pas in zijn verweerschrift. Opposant heeft niet op het standpunt van de minister kunnen reageren. Daarom heeft opposant er belang bij om in verzet te gaan.




Wat is het oordeel van het Gerecht?



5. Het Gerecht ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of opposant procesbelang heeft bij zijn verzet. Het Gerecht beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.



5.1.
Procesbelang is het belang dat iemand heeft bij de uitkomst van een procedure. Bij de toetsing of iemand nog een procesbelang heeft gaat het erom of het doel dat diegene voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. In beginsel heeft degene die opkomt tegen een besluit, procesbelang bij een beoordeling van zijn bezwaar of (hoger) beroep, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is komen te vervallen.



5.2.
Het Gerecht stelt vast dat opposant in beroep is opgekomen tegen het uitblijven van een beslissing van de minister op zijn bezwaar en dat het Gerecht het beroep gegrond heeft verklaard. Het Gerecht heeft de minister opgedragen alsnog een beslissing op bezwaar te nemen. De minister moet ook beslissen op het bezwaar tegen de brief van 13 januari 2026, die door het Gerecht als beschikking is aangemerkt. In de bezwaarprocedure zal de minister zijn beslissing heroverwegen en daarbij zal ook het aspect van het betalen van leges aan de orde komen. Opposant heeft vervolgens nog de mogelijkheid om, als hij het niet eens is met de beslissing op bezwaar, daartegen beroep in te stellen. De minister heeft ter zitting verklaard dat de voorbereidingen van een beslissing op bezwaar gaande zijn. Het Gerecht is van oordeel dat opposant met zijn beroep heeft bereikt wat hij beoogde, namelijk (een opdracht tot) een beslissing van de minister op zijn bezwaar. Daarom heeft opposant geen procesbelang bij zijn verzet en zal het Gerecht het verzet niet-ontvankelijk verklaren.





Conclusie en gevolgen


6. Het verzet is niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.





Beslissing


Het Gerecht:



- verklaart het verzet niet-ontvankelijk.



Aldus vastgesteld door mr. N.M. Martinez, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2026, in tegenwoordigheid van mr. C. Anselma-Bernsen, griffier.







Informatie over hoger beroep


Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.



Het hoger beroep moet worden ingediend bij het Gerecht dat de uitspraak heeft gedaan.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:



het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;


een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;


vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).




Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment worden ingediend.
Voor het instellen van het hoger beroep is griffierecht verschuldigd.



Zie bijvoorbeeld Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) 13 september 2023 ECLI:NL:RVS:2023:3433


ABRvS 24 januari 2024 ECLI:NL:RVS:2024:231