Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao

ECLI:NL:OGEAC:2026:136

2026-07-31 Civiel recht; Insolventierecht CUR202602444
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Uitspraakdatum
2026-07-31
Publicatiedatum
2026-08-04
Rechtsgebied
Civiel recht; Insolventierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
CUR202602444
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; INS-Updates.nl 2026-0184

Inhoudsindicatie

Verzet curator tegen op eigen verzoek van schuldenaar uitgesproken faillissement gegrond. Lege boedel, misbruik van bevoegdheid door schuldenaar.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.377 tekens)
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO


Zaaknummer: CUR202602444



Vonnis van 31 juli 2026



op het verzetschrift van:




[MR. B.M. NAGELMAKERS],

wonend in Curaçao,
opposante, hierna te noemen: de curator,
procederend in persoon,



tegen




[…] B.V.,
gevestigd in Curaçao,
geopposeerde, hierna te noemen: [geopposeerde],
gemachtigde: mr. N.B. Louisa.





1Het procesverloop


1.1.
Het procesverloop blijkt uit:



het vonnis van dit gerecht van 13 juli 2026, zaaknummer CUR202601655, waarbij [geopposeerde] op haar verzoek failliet is verklaard, hierna: het faillissementsvonnis;


het verzetschrift van de curator, op 17 juli 2026 ter griffie ingediend;


het bericht van mr. Louisa dat [geopposeerde] vrijwillig ter zitting zal verschijnen;


de mondelinge behandeling op 29 juli 2026, waarbij de curator in persoon is verschenen en [geopposeerde] vertegenwoordigd door haar bestuurder […] en mr. Louisa.





1.2.
Het vonnis is bij vervroeging bepaald op vandaag.





2Het verzoek en de standpunten van partijen


2.1.
De curator verzoekt het faillissementsvonnis te vernietigen. Zij legt aan haar verzoek ten grondslag dat [geopposeerde] misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid om een faillissement aan te vragen. Volgens de curator was reeds ten tijde van de aanvraag duidelijk dat geen baten aanwezig waren en ook geen baten waren te verwachten, zodat het faillissement uitsluitend tot verdere schulden zou leiden. De faillissementskosten, waaronder het salaris van de curator, kunnen niet uit de boedel worden voldaan, waardoor de curator onevenredig wordt benadeeld. Onder deze omstandigheden had [geopposeerde] volgens de curator niet in redelijkheid voor een eigen aangifte tot faillietverklaring kunnen kiezen, maar had zij de vennootschap door middel van een turboliquidatie moeten beëindigen.



2.2. [
Geopposeerde] betwist dat sprake is van misbruik van bevoegdheid. Volgens haar heeft de curator het verzet prematuur ingesteld, omdat haar onderzoek ten tijde van het indienen van het verzetschrift nog niet was afgerond. Daarnaast stelt [geopposeerde] dat nog baten aanwezig kunnen zijn, waaronder een (beperkte) vordering op de verhuurder uit hoofde van een waarborgsom en mogelijk een vordering op de bestuurder in verband met een door de vennootschap betaalde auto. Voorts stelt [geopposeerde] dat zij ten tijde van het indienen van het verzoek niet bekend was met deze mogelijke baten.





3De beoordeling


3.1.
Bij vonnis van 13 juli 2026 is het faillissement van [geopposeerde] op haar verzoek buiten zitting uitgesproken, met aanstelling van mr. B.M. Nagelmakers tot curator en met benoeming van mr. I. Tubben tot rechter-commissaris.



3.2.
Het verzet tegen het faillissementsvonnis is tijdig ingesteld.



3.3.
In deze verzetprocedure ligt de vraag voor of [geopposeerde] onder de gegeven omstandigheden in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van haar bevoegdheid om haar eigen faillissement aan te vragen. Het gerecht beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.



3.4.
Uit het door de curator verrichte onderzoek is gebleken dat de boedel geen noemenswaardige activa bevat. De door [geopposeerde] genoemde mogelijke baten betreffen hooguit een betwiste vordering op de verhuurder van ongeveer Cg 2.000 en mogelijk een vordering op de bestuurder in verband met een door de vennootschap betaalde auto, die in fiduciaire eigendom aan de bank toebehoort. De curator heeft echter gemotiveerd uiteengezet dat een eventuele vordering op de bestuurder naar verwachting niet verhaalbaar zal zijn, gelet op diens beperkte inkomen. Daarbij heeft zij erop gewezen dat zelfs de grootste schuldeiser, de Landsontvanger, kennelijk geen aanleiding heeft gezien de bestuurder persoonlijk aansprakelijk te stellen voor de openstaande belastingschulden.



3.5.
De bestuurder van [geopposeerde] heeft zowel schriftelijk als ter zitting bevestigd dat de vennootschap geen activa en geen vorderingen van betekenis heeft. Gelet op de bevindingen van de curator en het door haar verrichte onderzoek, moet worden vastgesteld dat reeds ten tijde van het indienen van het verzoek tot faillietverklaring voor [geopposeerde] duidelijk was dat de curator een lege boedel zou aantreffen en dat de door haar te maken (publicatie)kosten en te verrichten werkzaamheden niet uit de boedel zouden kunnen worden voldaan. Dat de curator volgens [geopposeerde] haar verzet prematuur heeft ingesteld, volgt het gerecht niet. De wettelijke verzettermijn bedraagt slechts acht dagen (artikel 8 lid 1 Faillissementsbesluit. Van de curator kon daarom niet worden verlangd dat zij eerst haar gehele onderzoek zou afronden alvorens verzet in te stellen. Bovendien heeft de curator na het instellen van het verzet haar onderzoek voortgezet en de resultaten daarvan ter zitting toegelicht. Die resultaten bevestigen juist het standpunt dat geen reële baten aanwezig zijn.



3.6.
Hetgeen [geopposeerde] overigens heeft aangevoerd, werpt geen ander licht op de zaak. Dat de gemachtigde van [geopposeerde] de eigen aangifte heeft geadviseerd omdat een curator onderzoek zou kunnen verrichten, maakt niet dat het aanvragen van het faillissement onder deze omstandigheden gerechtvaardigd was. Het is onwenselijk dat de kosten van een faillissement ten laste van de curator komen als al bij de aanvraag duidelijk is dat geen verhaal voor die kosten aanwezig zal zijn. Vaststaat bovendien dat de aandeelhouder van [geopposeerde], hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, niet bereid is gebleken de door het gerecht voorgestelde boedelbijdrage van Cg 2.500 te voldoen ter dekking van de initiële faillissementskosten.



3.7.
Onder deze omstandigheden is het gerecht van oordeel dat [geopposeerde] misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid om haar eigen faillissement aan te vragen. Zij wist, althans behoorde te begrijpen, dat het faillissement uitsluitend tot kosten zou leiden zonder dat daar enige reële boedel tegenover stond. Voor [geopposeerde] stond de weg van ontbinding en turboliquidatie open. Dat was in de gegeven omstandigheden de aangewezen wijze om de vennootschap te beëindigen.



3.8.
Het voorgaande leidt ertoe dat het verzet gegrond is. Het faillissementsvonnis van 13 juli 2026 zal daarom worden vernietigd en het verzoek tot faillietverklaring zal alsnog worden afgewezen.



3.9.
Artikel 12 lid 3 Fb bepaalt dat de rechter die de vernietiging van een vonnis van faillietverklaring uitspreekt tevens het bedrag vaststelt van de faillissementskosten en van het salaris van de curator, welk bedrag ten laste wordt gebracht van de aanvrager en/of de schuldenaar. De curator heeft geen opgave gedaan van haar kosten en tijdsbesteding. Mede gelet op de nog door de curator te maken publicatiekosten (artikel 12 Fb en artikel 1.4 Faillissementsrichtlijnen) zullen de faillissementskosten, het honorarium daaronder begrepen, worden begroot op Cg. 2.500. Dit bedrag komt ten laste van [geopposeerde].





4De beslissing


Het gerecht:



4.1.
verklaart het verzet van de curator gegrond;



4.2.
vernietigt het faillissementsvonnis van 13 juli 2026, waartegen het verzet zich richt;



4.3.
wijst het verzoek van [geopposeerde] tot haar faillietverklaring alsnog af;



4.4.
begroot de faillissementskosten op Cg 2.500 en beveelt [geopposeerde] dit bedrag aan de curator te voldoen.


Dit vonnis is gewezen door mr. P.E. de Kort, rechter, en op 31 juli 2026 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.




HR 18 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:48.