Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
ECLI:NL:OGEAC:2026:131
2026-04-22
Civiel recht
CUR202502911
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Kort geding. Dwanginvordering door Ontvanger. Executiegeschil. Geen spoedeisend belang.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.314 tekens)
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Zaaknummer: CUR202502911
Vonnis in kort geding van 22 april 2026
in de zaak van
ARCO IRIS SUPERMARKET N.V.,
gevestigd in Curaçao, eiseres, gemachtigde: mr. F da Costa Gomez,
tegen
DE ONTVANGER DER BELASTINGEN,
gevestigd in Curaçao, gedaagde, gemachtigde: mr. R.L. Rosaria.
Partijen worden hierna Arco Iris en de Ontvanger genoemd.
1Het procesverloop
1.1.
Het procesverloop blijkt uit:
het verzoekschrift van 1 augustus 2025,
de producties van de Ontvanger,
de nadere producties van Arco Iris,
de mondelinge behandeling van 15 augustus 2025,
de pleitnotities van partijen,
de akten uitlating voortprocederen van beide partijen.
1.2.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen te kennen gegeven een minnelijke regeling te willen beproeven en het gerecht daarover binnen een maand te berichten bij een akte uitlating voortprocederen. Voor het dienen van deze akten heeft Arco Iris het gerecht vervolgens diverse malen om uitstel gevraagd, waarbij de Ontvanger te kennen heeft gegeven daartegen geen bezwaar te hebben. Bij
e-mailbericht van 7 april 2026 heeft de Ontvanger te kennen gegeven tegen een verdere aanhouding bezwaar te hebben. Daarop heeft het gerecht Arco Iris in de gelegenheid gesteld te kennen te geven of zij persisteert in haar vordering. Daarop heeft Arco Iris het gerecht bevestigend bericht. Vonnis is daarna bepaald op vandaag.
2De feiten
2.1.
Arco Iris exploiteerde een supermarkt.
2.2.
Op 4 maart 2025 heeft de Stichting Belastingaccountantsbureau (SBAB) een rapport uitgebracht bevattende bevindingen van een boekenonderzoek bij Arco Iris. Het rapport betreft winst-, loon en omzetbelasting over de jaren 2019 tot en met 2023. In het rapport wordt de Inspecteur voorgesteld om de volgende naheffingsaanslagen op te leggen: winstbelasting over de jaren 2021 tot en met 2023, naar de in het rapport gecorrigeerde bedragen, loonbelasting, premies AOV/AWW, AVBZ en BVZ over de jaren 2020, 2022 en 2023, en omzetbelasting over de jaren 2019, 2021, 2022 en 2023.
2.3.
Op 6 juni 2025 heeft Arco Iris publiekelijk bekend gemaakt haar bedrijfsactiviteiten te zullen beëindigen.
2.4.
Op 20 juni 2025 heeft de Ontvanger ten laste van Arco Iris een dwangschrift uitgevaardigd en dat doen betekenen op dezelfde dag. Het dwangschrift strekt tot onmiddellijke betaling van openstaande belastingschulden, tot een totaalbedrag van Cg 335.833. Blijkens de aan het dwangschrift gehechte aanslagenlijst ziet het dwangschrift op betaling van de (naheffings)aanslagen premie BVZ, AVBZ en AOV/AWW, en op loon-, omzet- en winstbelasting, met dagtekening 25 juni 2025.
2.5.
Op 20 juni 2025 heeft de Ontvanger executoriaal beslag gelegd ten laste van Arco Iris op roerende goederen uit kracht van voormeld dwangschrift. De openbare verkoopdatum is bepaald op 23 juli 2025.
2.6.
Bij e-mailbericht van 1 juli 2025 heeft Arco Iris bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslagen en daarbij de Ontvanger verzocht om uitstel van betaling hangende de bezwaren.
2.7.
Arco Iris is bij een verzetschrift betekend aan de Ontvanger op 4 juli 2025 in verzet gekomen tegen het dwangschrift.
2.8.
Bij onderscheiden uitstelbeschikkingen van juli en augustus 2025 heeft de Ontvanger de verzoeken om uitstel van betaling ingewilligd, en uitstel van betaling verleend tot in die beschikkingen vermelde data in februari en in juli 2026 of zoveel eerder als op het desbetreffende bezwaarschrift is beslist.
2.9.
Op 2 april 2026 heeft de Inspecteur te kennen gegeven dat de door Arco Iris gemaakte bezwaren ongegrond zijn verklaard, welke beslissingen zullen worden neergelegd in uitspraken op bezwaar.
3De vordering en de standpunten van partijen
3.1.
Arco Iris vordert dat het gerecht het executoriaal beslag opheft dan wel de Ontvanger beveelt dit te doen binnen 24 uur na betekening van het te wijzen vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van Cg 1.000 per dag of gedeelte van een dag dat de Ontvanger aan dat bevel geen gevolg geeft, met veroordeling van de Ontvanger in de proceskosten.
3.2.
Arco Iris legt aan haar vordering het volgende ten grondslag.
De aan het dwangschrift ten grondslag gelegde aanslagen hadden ten tijde van het uitvaardigen van het dwangschrift nog geen rechtskracht, zodat het beslag zonder rechtsgrond is en derhalve onrechtmatig. Voorts was de Ontvanger niet bevoegd over te gaan tot versnelde invordering, zoals hij heeft gedaan.
3.3.
De Ontvanger voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van Arco Iris in haar vorderingen dan wel deze op inhoudelijke gronden af te wijzen. De Ontvanger betwist in dit verband dat hij ten tijde van het uitvaardigen van het dwangschrift onbevoegd was om tot dwanginvordering over te gaan. Gronden voor versnelde invordering deden zich voor, de dagtekening van de aanslagen in de toekomst vormen geen belemmering, omdat Arco Iris daartegen nadien bezwaar kon maken, en Arco Iris was er al enige tijd van op de hoogte dat naheffingsaanslagen opgelegd zouden worden.
4De beoordeling
4.1.
De vordering heeft betrekking op het executoriaal beslag en daarmee op de aanslagen en het dwangschrift die aan dat beslag ten grondslag liggen.
4.2.
Aan het executoriaal beslag ligt een dwangschrift als bedoeld in artikel 1 van de Landsverordening houdende regeling van de invordering van belastingen, bijdragen en vergoedingen door middel van dwangschriften alsmede van de rechtspleging inzake belastingen, bijdragen en vergoedingen (P.B. 1942-246, zoals gewijzigd, hierna: de Lv Dwanginvordering) ten grondslag. Een dergelijk dwangschrift levert een executoriale titel op, die met toepassing van de regels van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) ten uitvoer kan worden gelegd (artikel 3 Lv Dwanginvordering gelezen in verbinding met artikel 430 lid 1 Rv), bijvoorbeeld door middel van executoriaal beslag. Tegen deze tenuitvoerlegging kan de geëxecuteerde opkomen door gebruik te maken van het rechtsmiddel van het (fiscaal) verzet (artikel 4 Lv Dwanginvordering) en door het bewandelen van de ‘gewone’ route van een executiegeschil (artikel 438 Rv). Bij de verdere beoordeling moet worden voorop gesteld dat een verzet niet kan zijn gericht tegen de wettigheid of de hoogte van het gevorderde bedrag, noch gegrond kan zijn op de bewering dat aanspraak zou bestaan op ontheffing of vermindering (artikel 4 lid 3 Lv Dwanginvordering). Als geen sprake is van verzet, maar van een ‘gewoon’ executiegeschil, geldt overigens hetzelfde.
4.3.
Het gerecht stelt vast dat deze procedure een ‘gewoon’ executiegeschil in kort geding betreft, met als inzet de opheffing van het gelegde beslag. Het is het gerecht niet gebleken dat Arco Iris binnen een maand na betekening van het verzet (zie 2.7.) een geding tegen de Ontvanger aanhangig heeft gemaakt bij het gerecht.
4.4.
Het voorgaande brengt met zich dat het gerecht dient te beoordelen of Arco Iris een (spoedeisend) belang heeft bij de voorliggende vordering. Het gerecht beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.
4.5.
Zoals hiervoor is vermeld (zie 3.2.), is de vordering van Arco Iris er in de kern op gegrond dat de Ontvanger ten tijde van de betekening van het dwangschrift op 20 juni 2025 niet bevoegd was tot (versnelde) dwanginvordering. Of dat zo is, laat het gerecht in het midden. De omstandigheden ten tijde van die betekening zijn, mede door het tijdsverloop van ruim tien maanden, ten opzichte van de omstandigheden ten tijde van dit vonnis essentieel gewijzigd. Inmiddels zijn de bezwaren tegen de aan het dwangschrift ten grondslag liggende aanslagen ongegrond verklaard. De Ontvanger heeft in dit verband te kennen gegeven dat het in het bijzonder gaat om de aanslagen winstbelasting over de jaren 2021 tot en met 2023, voor totaalbedragen van Cg 51.715, Cg 75.576 en Cg 9.874. Arco Iris heeft daartegenover gesteld dat zij de aanslagen inhoudelijk zal (blijven) betwisten in opvolgende procedures, maar dat dit kort geding niet ziet op de hoogte van de aanslagen, maar op de rechtmatigheid en proportionaliteit van de (versnelde) invorderingsmaatregelen en heeft daartoe verwezen naar hetgeen zij in het verzoekschrift, tijdens de behandeling ter zitting en in de pleitnotities naar voren heeft gebracht. Arco Iris heeft evenwel niet gesteld dat en waarom de Ontvanger niet (opnieuw) over zou mogen gaan tot (versnelde) dwanginvordering. Evenmin heeft Arco Iris toegelicht in welke specifieke gerechtvaardigde belangen aan haar zijde zij wordt geraakt bij instandhouding van het beslag. Dit alles leidt het gerecht tot de slotsom, dat Arco Iris thans geen (spoed)eisend belang heeft bij de gevraagde opheffing van het beslag. De vordering wordt dan ook afgewezen.
4.6.
Omdat Arco Iris in het ongelijk wordt gesteld, wordt zij veroordeeld in de proceskosten. De kosten van de Ontvanger worden tot aan deze uitspraak begroot op nihil.
5De beslissing in kort geding
Het gerecht:
5.1.
wijst de vorderingen af;
5.2.
veroordeelt Arco Iris in de proceskosten van de Ontvanger, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.B. de Haseth, rechter, en in het openbaar uitgesproken.
Zaaknummer: CUR202502911
Vonnis in kort geding van 22 april 2026
in de zaak van
ARCO IRIS SUPERMARKET N.V.,
gevestigd in Curaçao, eiseres, gemachtigde: mr. F da Costa Gomez,
tegen
DE ONTVANGER DER BELASTINGEN,
gevestigd in Curaçao, gedaagde, gemachtigde: mr. R.L. Rosaria.
Partijen worden hierna Arco Iris en de Ontvanger genoemd.
1Het procesverloop
1.1.
Het procesverloop blijkt uit:
het verzoekschrift van 1 augustus 2025,
de producties van de Ontvanger,
de nadere producties van Arco Iris,
de mondelinge behandeling van 15 augustus 2025,
de pleitnotities van partijen,
de akten uitlating voortprocederen van beide partijen.
1.2.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen te kennen gegeven een minnelijke regeling te willen beproeven en het gerecht daarover binnen een maand te berichten bij een akte uitlating voortprocederen. Voor het dienen van deze akten heeft Arco Iris het gerecht vervolgens diverse malen om uitstel gevraagd, waarbij de Ontvanger te kennen heeft gegeven daartegen geen bezwaar te hebben. Bij
e-mailbericht van 7 april 2026 heeft de Ontvanger te kennen gegeven tegen een verdere aanhouding bezwaar te hebben. Daarop heeft het gerecht Arco Iris in de gelegenheid gesteld te kennen te geven of zij persisteert in haar vordering. Daarop heeft Arco Iris het gerecht bevestigend bericht. Vonnis is daarna bepaald op vandaag.
2De feiten
2.1.
Arco Iris exploiteerde een supermarkt.
2.2.
Op 4 maart 2025 heeft de Stichting Belastingaccountantsbureau (SBAB) een rapport uitgebracht bevattende bevindingen van een boekenonderzoek bij Arco Iris. Het rapport betreft winst-, loon en omzetbelasting over de jaren 2019 tot en met 2023. In het rapport wordt de Inspecteur voorgesteld om de volgende naheffingsaanslagen op te leggen: winstbelasting over de jaren 2021 tot en met 2023, naar de in het rapport gecorrigeerde bedragen, loonbelasting, premies AOV/AWW, AVBZ en BVZ over de jaren 2020, 2022 en 2023, en omzetbelasting over de jaren 2019, 2021, 2022 en 2023.
2.3.
Op 6 juni 2025 heeft Arco Iris publiekelijk bekend gemaakt haar bedrijfsactiviteiten te zullen beëindigen.
2.4.
Op 20 juni 2025 heeft de Ontvanger ten laste van Arco Iris een dwangschrift uitgevaardigd en dat doen betekenen op dezelfde dag. Het dwangschrift strekt tot onmiddellijke betaling van openstaande belastingschulden, tot een totaalbedrag van Cg 335.833. Blijkens de aan het dwangschrift gehechte aanslagenlijst ziet het dwangschrift op betaling van de (naheffings)aanslagen premie BVZ, AVBZ en AOV/AWW, en op loon-, omzet- en winstbelasting, met dagtekening 25 juni 2025.
2.5.
Op 20 juni 2025 heeft de Ontvanger executoriaal beslag gelegd ten laste van Arco Iris op roerende goederen uit kracht van voormeld dwangschrift. De openbare verkoopdatum is bepaald op 23 juli 2025.
2.6.
Bij e-mailbericht van 1 juli 2025 heeft Arco Iris bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslagen en daarbij de Ontvanger verzocht om uitstel van betaling hangende de bezwaren.
2.7.
Arco Iris is bij een verzetschrift betekend aan de Ontvanger op 4 juli 2025 in verzet gekomen tegen het dwangschrift.
2.8.
Bij onderscheiden uitstelbeschikkingen van juli en augustus 2025 heeft de Ontvanger de verzoeken om uitstel van betaling ingewilligd, en uitstel van betaling verleend tot in die beschikkingen vermelde data in februari en in juli 2026 of zoveel eerder als op het desbetreffende bezwaarschrift is beslist.
2.9.
Op 2 april 2026 heeft de Inspecteur te kennen gegeven dat de door Arco Iris gemaakte bezwaren ongegrond zijn verklaard, welke beslissingen zullen worden neergelegd in uitspraken op bezwaar.
3De vordering en de standpunten van partijen
3.1.
Arco Iris vordert dat het gerecht het executoriaal beslag opheft dan wel de Ontvanger beveelt dit te doen binnen 24 uur na betekening van het te wijzen vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van Cg 1.000 per dag of gedeelte van een dag dat de Ontvanger aan dat bevel geen gevolg geeft, met veroordeling van de Ontvanger in de proceskosten.
3.2.
Arco Iris legt aan haar vordering het volgende ten grondslag.
De aan het dwangschrift ten grondslag gelegde aanslagen hadden ten tijde van het uitvaardigen van het dwangschrift nog geen rechtskracht, zodat het beslag zonder rechtsgrond is en derhalve onrechtmatig. Voorts was de Ontvanger niet bevoegd over te gaan tot versnelde invordering, zoals hij heeft gedaan.
3.3.
De Ontvanger voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van Arco Iris in haar vorderingen dan wel deze op inhoudelijke gronden af te wijzen. De Ontvanger betwist in dit verband dat hij ten tijde van het uitvaardigen van het dwangschrift onbevoegd was om tot dwanginvordering over te gaan. Gronden voor versnelde invordering deden zich voor, de dagtekening van de aanslagen in de toekomst vormen geen belemmering, omdat Arco Iris daartegen nadien bezwaar kon maken, en Arco Iris was er al enige tijd van op de hoogte dat naheffingsaanslagen opgelegd zouden worden.
4De beoordeling
4.1.
De vordering heeft betrekking op het executoriaal beslag en daarmee op de aanslagen en het dwangschrift die aan dat beslag ten grondslag liggen.
4.2.
Aan het executoriaal beslag ligt een dwangschrift als bedoeld in artikel 1 van de Landsverordening houdende regeling van de invordering van belastingen, bijdragen en vergoedingen door middel van dwangschriften alsmede van de rechtspleging inzake belastingen, bijdragen en vergoedingen (P.B. 1942-246, zoals gewijzigd, hierna: de Lv Dwanginvordering) ten grondslag. Een dergelijk dwangschrift levert een executoriale titel op, die met toepassing van de regels van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) ten uitvoer kan worden gelegd (artikel 3 Lv Dwanginvordering gelezen in verbinding met artikel 430 lid 1 Rv), bijvoorbeeld door middel van executoriaal beslag. Tegen deze tenuitvoerlegging kan de geëxecuteerde opkomen door gebruik te maken van het rechtsmiddel van het (fiscaal) verzet (artikel 4 Lv Dwanginvordering) en door het bewandelen van de ‘gewone’ route van een executiegeschil (artikel 438 Rv). Bij de verdere beoordeling moet worden voorop gesteld dat een verzet niet kan zijn gericht tegen de wettigheid of de hoogte van het gevorderde bedrag, noch gegrond kan zijn op de bewering dat aanspraak zou bestaan op ontheffing of vermindering (artikel 4 lid 3 Lv Dwanginvordering). Als geen sprake is van verzet, maar van een ‘gewoon’ executiegeschil, geldt overigens hetzelfde.
4.3.
Het gerecht stelt vast dat deze procedure een ‘gewoon’ executiegeschil in kort geding betreft, met als inzet de opheffing van het gelegde beslag. Het is het gerecht niet gebleken dat Arco Iris binnen een maand na betekening van het verzet (zie 2.7.) een geding tegen de Ontvanger aanhangig heeft gemaakt bij het gerecht.
4.4.
Het voorgaande brengt met zich dat het gerecht dient te beoordelen of Arco Iris een (spoedeisend) belang heeft bij de voorliggende vordering. Het gerecht beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.
4.5.
Zoals hiervoor is vermeld (zie 3.2.), is de vordering van Arco Iris er in de kern op gegrond dat de Ontvanger ten tijde van de betekening van het dwangschrift op 20 juni 2025 niet bevoegd was tot (versnelde) dwanginvordering. Of dat zo is, laat het gerecht in het midden. De omstandigheden ten tijde van die betekening zijn, mede door het tijdsverloop van ruim tien maanden, ten opzichte van de omstandigheden ten tijde van dit vonnis essentieel gewijzigd. Inmiddels zijn de bezwaren tegen de aan het dwangschrift ten grondslag liggende aanslagen ongegrond verklaard. De Ontvanger heeft in dit verband te kennen gegeven dat het in het bijzonder gaat om de aanslagen winstbelasting over de jaren 2021 tot en met 2023, voor totaalbedragen van Cg 51.715, Cg 75.576 en Cg 9.874. Arco Iris heeft daartegenover gesteld dat zij de aanslagen inhoudelijk zal (blijven) betwisten in opvolgende procedures, maar dat dit kort geding niet ziet op de hoogte van de aanslagen, maar op de rechtmatigheid en proportionaliteit van de (versnelde) invorderingsmaatregelen en heeft daartoe verwezen naar hetgeen zij in het verzoekschrift, tijdens de behandeling ter zitting en in de pleitnotities naar voren heeft gebracht. Arco Iris heeft evenwel niet gesteld dat en waarom de Ontvanger niet (opnieuw) over zou mogen gaan tot (versnelde) dwanginvordering. Evenmin heeft Arco Iris toegelicht in welke specifieke gerechtvaardigde belangen aan haar zijde zij wordt geraakt bij instandhouding van het beslag. Dit alles leidt het gerecht tot de slotsom, dat Arco Iris thans geen (spoed)eisend belang heeft bij de gevraagde opheffing van het beslag. De vordering wordt dan ook afgewezen.
4.6.
Omdat Arco Iris in het ongelijk wordt gesteld, wordt zij veroordeeld in de proceskosten. De kosten van de Ontvanger worden tot aan deze uitspraak begroot op nihil.
5De beslissing in kort geding
Het gerecht:
5.1.
wijst de vorderingen af;
5.2.
veroordeelt Arco Iris in de proceskosten van de Ontvanger, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.B. de Haseth, rechter, en in het openbaar uitgesproken.