Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao

ECLI:NL:OGEAC:2026:120

2026-03-16 Civiel recht CUR202501367
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Uitspraakdatum
2026-03-16
Publicatiedatum
2026-07-30
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
CUR202501367
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Bodemzaak. Huurzaak. Ontruiming. Indexering. Huurachterstand. Verrekening.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.697 tekens)
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO


Zaaknummer: CUR202501367



Vonnis van 16 maart 2026



in de zaak van




DIKEDA HOLDING N.V. (Dikeda)
gevestigd in Curaçao eiseres
gemachtigde: mr. E.A. Knoppel

tegen


[gedaagde]

wonend in [woonplaats] gedaagde procederend in persoon.







1Het procesverloop

1.1.
Het procesverloop blijkt uit:


het verzoekschrift van 29 april 2025


de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie


de nadere producties van Dikeda


de mondelinge behandeling van 6 november


de pleitnotities van mr. Knoppel


de antwoordakte van [gedaagde]


de akte uitlating producties.





1.2.
Vonnis is nader bepaald op vandaag.







2De achtergrond van de procedure


2.1.
Dikeda wil dat [gedaagde] de woning ontruimt die hij van haar huurt, omdat hij structureel achter is met de huurbetalingen en zich verder evenmin als een goed huurder gedraagt. Ook vordert Dikeda betaling van achterstallige huur, rente en kosten. Dat geschil heeft de volgende achtergrond.



2.2 [
gedaagde] huurt sinds 15 juni 2019 een woonhuis aan [adres]. De huurprijs is bij het aangaan van de huur vastgesteld op Cg 950,00 per maand. In de overeenkomst is bepaald dat de huur ieder jaar wordt verhoogd met de indexering conform de door het Centraal Bureau van Statistiek bepaalde consumentenprijs indexering, en wel de reeks 2018=100.



2.3
De huur dient op grond van de overeenkomst te worden voldaan op de MCB-rekening van Dikeda. In geval van niet tijdige betaling is [gedaagde] over de achterstallige huurtermijnen 1,5% maandelijkse interest verschuldigd (18% per jaar).



2.4
Bij het aangaan van de huur woonde [belanghebbende 1] in een studio in de achtertuin. Die studio was aangesloten op de elektra- en watermeter van de woning die [gedaagde] huurde. Bij het aangaan van de huur heeft [gedaagde] ermee ingestemd dat [belanghebbende ] als vergoeding voor zijn gebruik Cg 35 per maand zou betalen. Bovendien werd afgesproken dat [gedaagde] de aansluiting, die op naam stond van Dikeda, op zijn eigen naam zou overzetten. Dat is echter pas jaren later gebeurd.



2.5
Eind 2023 heeft [gedaagde] de stroom- en watertoevoer naar de studio van [belanghebbende ] afgesloten. [belanghebbende ] is rondom die periode in het ziekenhuis opgenomen. Daarna heeft [gedaagde] ook de toegang tot de studio afgesloten. [belanghebbende ] is niet naar de studio teruggekeerd.



2.6 [
gedaagde] heeft Dikeda op 21 december 2024 laten weten dat hij geen huur meer zou betalen. Hij heeft daarna vijf maanden huur ingehouden. Toen Dikeda vervolgens met afsluiting van de nutsvoorzieningen dreigde, heeft [gedaagde] op 3 mei 2024 Cg 5.842,90 aan Aqualectra betaald (een bedrag ter hoogte van 5 maanden huur en een vergoeding voor verbruik). De tweede helft van 2024 zijn, zo begrijpt het gerecht, de huurbetalingen hervat, maar vanaf begin 2025 heeft [gedaagde] geen huur meer betaald.



2.7
Dikeda heeft de huurovereenkomst op 11 april 2025 buitengerechtelijk ontbonden.



2.8
Het voorgaande was aanleiding voor Dikeda om het gerecht op 19 mei 2025 te verzoeken [gedaagde] te veroordelen de woning te ontruimen en 4 maanden achterstallige huur te betalen - in totaal Cg 4.597,52 (4 x 1.149,38) - vermeerderd met Cg 1.149,38 voor elke maand na de ontbinding tot aan de ontruiming. Over elke vervallen maandtermijn wordt 18% contractuele rente per jaar gevorderd.



2.9
Daarnaast vordert Dikeda veroordeling tot betaling van achterstallige Aqualectra (Cg 886,42) en achterstallige indexeringen (Cg 3.649,13).



2.10
Over het totaal van Cg 9.133,07 vordert zij 15% incassokosten.



2.11 [
gedaagde] heeft hier een groot aantal vorderingen tegenover gesteld. Die zullen aan het slot van dit vonnis worden besproken.







3De beoordeling


3.1
Het gerecht zal de vorderingen van Dikeda voor het grootste deel toewijzen en die van [gedaagde] afwijzen. Dat wordt hierna toegelicht.



Wie moet wat aantonen?





3.1
Op grond van artikel 6:265, eerste lid, BW geeft iedere tekortkoming van [gedaagde] in de nakoming van een van zijn verbintenissen op grond van de huurovereenkomst aan Dikeda de bevoegdheid om die overeenkomst te ontbinden. Gelet op het bepaalde in artikel 129 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) moet Dikeda het bestaan van een tekortkoming stellen en zo nodig bewijzen. Maar volgens artikel 6:265, eerste lid, BW is ontbinding van de huurovereenkomst niet mogelijk als de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. De bewijslast van het verweer dat dat aan de orde is, rust op [gedaagde]. Hij moet zich gemotiveerd op die uitzondering beroepen.



3.2
Waar het gaat om de geldvorderingen, is het uitgangspunt dat Dikeda moet aantonen dat die opeisbaar zijn. Als ze zijn komen vast te staan, is het aan [gedaagde] om zijn verweer te bewijzen dat de vorderingen door hem zijn voldaan.



Ten aanzien van de heer [belanghebbende ]





3.3
In november 20234 heeft [gedaagde] aangekondigd dat hij de elektriciteits- en watervoorziening naar [belanghebbende ] zou stopzetten. Hij meende daar aanleiding voor te hebben, omdat [belanghebbende ] een cliënt van de bestuurder van Dikeda bleek te zijn (advocaat Knoppel). Dat voornemen heeft hij ook uitgevoerd.



3.4.
Naar het oordeel van het gerecht heeft [gedaagde] zijn verplichtingen als huurder hiermee geschonden. [belanghebbende ] woonde immers met zijn goedvinden al vanaf de aanvang van de huur in de studio, en was ernstig ziek. Dat hij na de ziekenhuisopname niet zou terugkeren, stond niet op voorhand vast, en het afsluiten van de voorzieningen wijst erop dat [gedaagde] ervan uitging dat [belanghebbende ] juist wel zou kunnen terugkeren. Dat weerhield [gedaagde] er echter niet van om [belanghebbende ] eigenmachtig alle nutsvoorzieningen te ontnemen. Het gerecht ziet bovendien niet in welk verwijt hij [belanghebbende ] ervan kon maken dat mr. Knoppel hem in het verleden als advocaat had bijgestaan, laat staan dat een dergelijke actie zou kunnen worden gerechtvaardigd door het enkele feit dat [gedaagde] van die verhouding niet op de hoogte was. Alleen al op deze schending van zijn verplichting zich als goed huurder te gedragen, kan de ontbinding van de huurovereenkomst met [gedaagde] worden gebaseerd. [gedaagde] heeft niet aangevoerd dat deze tekortkoming die ontbinding niet rechtvaardigt.



De huurprijs (indexeringen)





3.5.
Vanaf de aanvang van de huur tot aan de beëindiging van de huurbetalingen heeft [gedaagde] de oorspronkelijk overeengekomen huurprijs voldaan. Dikeda heeft dat steeds geaccepteerd, totdat zij op 7 januari 2025 een indexering aankondigde. Dat (wanneer) een indexering al eerder was aangekondigd, is althans niet aangevoerd. Deze aangekondigde huurverhoging is - net als de vordering tot voldoening van daaraan voorafgaande, achterstallige indexeringen - gebaseerd op verhogingen vanaf aanvang van 2022 (Cg 1.007,79) tot aan 2024 (Cg 1.120,25).



3.6.
Het gerecht meent dat een vordering die is gebaseerd op een contractueel overeengekomen indexering niet kan worden toegewezen wanneer een niet-geïndexeerde huur is betaald en door Dikeda stilzwijgend is aanvaard. Nu niets is gesteld waaruit blijkt dat [gedaagde] er rekening mee moest houden dat de indexering hem achteraf nog in rekening zou worden gebracht, moet de vordering tot betaling van achterstallige indexeringen worden afgewezen. Ook voor zover de vordering ziet op indexering vanaf 2025, kan die huurverhoging evenmin worden toegewezen. De berekening van die indexering kan namelijk niet worden gevolgd. Die is immers gebaseerd op eerdere, niet overeengekomen verhogingen, en een juiste berekening heeft Dikeda niet gegeven. Het gerecht zal daarom uitgaan van de niet bestreden maandhuur van Cg 950.



De huurachterstand in 2024 (betaling aan Aqualectra)





3.7.
Een deel van de discussie tussen partijen heeft betrekking op in 2024 niet betaalde huurtermijnen. Vaststaat dat [gedaagde] dat jaar voor een periode van vijf maanden geen huur aan Dikeda heeft betaald, maar wel een met die huur overeenkomend bedrag aan Aqualectra heeft overgemaakt. Het gerecht zal geen aandacht besteden aan deze discussie, omdat Dikeda haar vorderingen erop baseert dat (alleen) vanaf februari 2025 geen huur meer wordt betaald.



De huurachterstand in 2025





3.8.
Sinds februari 2025 weigert [gedaagde] nog huur te betalen. Dat is ook een tekortkoming waarop de ontbinding kan worden gebaseerd. [gedaagde] heeft niet aangevoerd dat deze tekortkoming die ontbinding niet rechtvaardigt.


Aqualectra




3.9. [
gedaagde] voert aan dat hij alle vorderingen van Aqualectra rechtsreeks aan die partij heeft betaald. Dat er een onbetaalde rekening van Cg 886,42 zou zijn, bestrijdt hij. Het gerecht vat dat standpunt niet op als een betalingsverweer, maar (in de eerste plaats) als een betwisting van de vordering zelf. Die is van de zijde van Dikeda ook niet voldoende onderbouwd. Daarop strandt dit deel van haar vordering.



Rente en kosten





3.10.
De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten acht het gerecht niet conform het hier bepalende Procesreglement. Toewijsbaar zijn kosten tot 1,5 punt van het toepasselijke liquidatietarief. Dit komt neer op een bedrag van Cg 1.500.


3.11.
Omdat [gedaagde] grotendeels in het ongelijk wordt gesteld, wordt hij veroordeeld in de proceskosten. De kosten van Dikeda worden tot aan deze uitspraak begroot op Cg 450,00 aan griffierecht, Cg 341,45 aan oproepingskosten en Cg 2.500 aan gemachtigdensalaris (tarief 4, 2,5 punten).



3.12.
De ontbinding staat eraan in de weg dat contractuele rente kan worden gevorderd over de periode dat [gedaagde] de woning vanaf de ontbinding nog bewoont.



3.13.
De veroordelingen in deze uitspraak gaan meteen in en kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van de partijen deze beslissing voorlegt aan het Hof.



De vorderingen van [gedaagde]





3.14. [
gedaagde] heeft een grote hoeveelheid aan moeilijk te duiden tegenvorderingen ingesteld. Een deel van die vorderingen betreft de vraag op hij ook de studio met aanhorigheden huurde. Daarvoor heeft hij echter onvoldoende aangevoerd, gelet op het feit dat de woning die hij zelf bewoonde voldoet aan de omschrijving ervan in de huurovereenkomst (woonruimte) en omdat het een gegeven is dat de studio van meet af aan door [belanghebbende ] werd bewoond, en [belanghebbende ] en vergoeding voor elektra en water aan [gedaagde] betaalde, enkel en alleen omdat de nutsvoorzieningen niet gescheiden waren.



3.15.
Ook de overige vorderingen van [gedaagde] moeten stranden: bij gebrek aan onderbouwing of gebrek aan belang, dan wel omdat ze onverenigbaar zijn met de hiervoor behandelde toewijzing van de vorderingen van Dikeda. Het gaat dan kort gezegd om vorderingen ter zake van nietigverklaring van de huurverhoging, huurachterstanden, herroeping van huuropzeggingen, vaststelling van redelijke huur, het schrappen van clausules uit de huurovereenkomst, herziening van de opzegtermijn, privacy, onderhoud, gedeeld gebruik nutsvoorzieningen, herverdeling of terugvordering van kosten van Aqualectra en Selikor, de vaststelling van onrechtmatige gedragingen, schadevergoedingen, gevorderde verboden, ‘vaststellingen’, ‘rentecompensatie’ en ‘ongerechtvaardigde verrekening’.



3.16. [
gedaagde] zal in de proceskosten van zijn eigen, ‘reconventionele’ vordering worden veroordeeld.






4De beslissing


Het gerecht:




In conventie en in reconventie




4.1.
veroordeelt [gedaagde] de woning uiterlijk drie kalendermaanden na betekening van dit vonnis te verlaten en te ontruimen, waarbij de ontruiming zo nodig met behulp van de sterke arm kan worden afgedwongen;



4.2.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Dikeda van Cg 3.800,00 aan achterstallige huur (4 maandtermijnen), vermeerderd met 18% contractuele rente per jaar vanaf het vervallen van elk van deze maandtermijnen tot aan de ontbinding;



4.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Dikeda van een verbruiksvergoeding van Cg 950,00 voor elke maand dat het gehuurde niet is ontruimd;



4.4.
veroordeelt [gedaagde] om aan Dikeda te voldoen Cg 1.500, 00 aan buitengerechtelijke incassokosten;



4.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van Dikeda van Cg 3.291,45, te vermeerderen met Cg 250 aan nakosten zonder betekening, verhoogd met Cg 150 in geval van betekening;



4.6.
bepaalt dat de proceskosten moeten worden betaald binnen veertien dagen en dat die kosten worden verhoogd met de wettelijke rente als niet op tijd wordt betaald;



4.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;



4.8.
wijst af wat verder is gevorderd.



Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.B. de Haseth, rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.








GHvJ 20 juni 2008, ECLI:NL:OGHNAA:2008:BD9549.