Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
ECLI:NL:OGEABES:2026:93
2026-06-04
Civiel recht
BON202600242
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Toewijzing van de ondertoezichtstelling en afwijzing van de uithuisplaatsing. De problematiek was onvoldoende ernstig om een uithuisplaatsing te rechtvaardigen.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.929 tekens)
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
zittingsplaats Bonaire
registratienummer: BON202600242
datum beslissing: 4 juni 2026
Op het verzoek van
VOOGDIJRAAD CARIBISCH NEDERLAND,
gevestigd te Bonaire,
hierna ook: de Voogdijraad,
met betrekking tot de minderjarige:
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] (hierna: [de minderjarige]),
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
[de moeder],
wonende te Bonaire,
hierna: de moeder.
1Het procesverloop
1.1.
Op 8 mei 2026 heeft het gerecht een verzoekschrift met bijlagen ontvangen van de Voogdijraad.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 mei 2026. Daarbij is de moeder niet verschenen. Namens de Voogdijraad is mevrouw [medewerker voogdijraad] verschenen en namens Zorg en Jeugd Caribisch Nederland (hierna: ZJCN) is mevrouw [medewerker ZJCN] verschenen.
1.3.
Op 26 mei 2026 heeft de rechter gesproken met [de minderjarige].
1.4.
Ten slotte is de uitspraak bepaald op vandaag.
2De feiten
2.1.
De moeder heeft eenhoofdig gezag over [de minderjarige]. [de vader] (hierna: de vader) heeft [de minderjarige] erkend. De vader en de moeder zijn gescheiden en [de minderjarige] staat ingeschreven op het adres van de moeder.
2.2.
Sinds augustus 2025 is [de minderjarige] woonachtig bij haar meerderjarige vriend te [adres].
2.3.
De Voogdijraad heeft een kinderbeschermingsonderzoek gedaan naar de vraag of een ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing in het belang van [de minderjarige] zijn. Op 6 mei 2026 heeft de Voogdijraad een rapport uitgebracht.
3De beoordeling
3.1.
Het verzoek van de Voogdijraad betreft de ondertoezichtstelling tot [datum] 2027 (de datum van het meerderjarig worden van [de minderjarige]) en de uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij Begeleid Wonen Bonaire voor de duur van de ondertoezichtstelling.
3.2.
Op grond van artikel 1:254 juncto 1:258, eerste lid BW BES kan de rechter in eerste aanleg een kind voor een termijn van ten hoogste één jaar onder toezicht stellen als het zodanig opgroeit, dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen.
3.3.
De rechter kan op grond van artikel 263 BW BES, indien dat in het belang van de verzorging en opvoeding noodzakelijk is, het kind voorts doen opnemen in een inrichting of elders dan een inrichting voor de duur van ten hoogste één jaar.
3.4.
Uit het verzoekschrift en uit wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken blijkt dat de belangen en de ontwikkeling van [de minderjarige] zodanig worden bedreigd dat een ondertoezichtstelling noodzakelijk is. [de minderjarige] heeft behoefte aan hulpverlening, wat zij zelf ook erkent. Zo is er sprake van schoolverzuim in de vorm van spijbelgedrag, hoewel [de minderjarige] zelf aangeeft inmiddels minder uren te werken om zich beter op haar school te kunnen focussen. Daarnaast ontbreekt het [de minderjarige] aan de nodige opvoedkundige sturing. De moeder is ten einde raad en niet langer in staat de vereiste hulp, ondersteuning en begrenzing te bieden. Tot slot geeft [de minderjarige] aan behoefte te hebben aan begeleiding bij het aangaan van contacten met leeftijdsgenoten.
Gelet op het voorgaande is het gerecht van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke vereisten voor een ondertoezichtstelling. De ondertoezichtstelling zal dan ook worden toegewezen tot de datum waarop [de minderjarige] de meerderjarige leeftijd bereikt, te weten tot [datum] 2027.
3.5.
Met betrekking tot de uithuisplaatsing overweegt het gerecht als volgt. [de minderjarige] staat op dit moment ingeschreven op het adres van de moeder, maar verblijft feitelijk bij haar meerderjarige vriend. De Voogdijraad voert aan dat deze situatie onwenselijk is, omdat er sprake zou zijn van een afhankelijkheidsrelatie en een scheve gezagsverhouding. De Voogdijraad wenst dat [de minderjarige] in de laatste maanden van haar minderjarigheid zich ook als minderjarige kan ontwikkelen. De Voogdijraad heeft ook te kennen geven op grond van ethische en morele overwegingen niet achter een verblijf van een minderjarige bij een meerderjarige man te kunnen staan. Hoewel de Voogdijraad niet vreest dat de vriend de hulpverleners zal tegenwerken, bestaat wel de zorg dat [de minderjarige] zich tegen de hulpverlening zal verzetten indien ze daar blijft wonen.
Het gerecht is van oordeel dat onvoldoende is onderbouwd dat een uithuisplaatsing noodzakelijk is om de bedreiging in de ontwikkeling van [de minderjarige] af te wenden. Het onder dwang plaatsen van [de minderjarige] bij Begeleid Wonen Bonaire voor de resterende duur van hoogstens acht maanden – waarna zij immers meerderjarig is en haar verblijfplaats zelfstandig mag bepalen – acht het gerecht onwenselijk en niet in het belang van [de minderjarige]. Anders dan de Voogdijraad, verwacht het gerecht niet dat [de minderjarige] zich tegen de hulpverlening zal verzetten. Ze heeft immers zelf uitdrukkelijk aangeven juist graag hulp te willen ontvangen om het contact met haar familieleden te herstellen. De omstandigheid dat de Voogdijraad de relatie tussen [de minderjarige] en haar vriend afkeurt, rechtvaardigt – hoewel begrijpelijk – een zo ingrijpende maatregel als een uithuisplaatsing niet. Het verzoek daartoe zal worden afgewezen.
4De beslissing
Het gerecht:
4.1.
spreekt de ondertoezichtstelling uit van [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats], tot [datum] 2027;
4.2.
bepaalt dat een gezinsvoogd van Zorg en Jeugd Caribisch Nederland (ZJCN) wordt belast met het toezicht op [de minderjarige];
4.3.
wijst af het anders of meer verzochte;
4.4.
verstaat dat de griffier aantekening maakt in het gezagsregister van de beslissing onder 4.1 en 4.2;
4.5.
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.P.P. Hoekstra, rechter, en is op 4 juni 2026 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.
zittingsplaats Bonaire
registratienummer: BON202600242
datum beslissing: 4 juni 2026
Op het verzoek van
VOOGDIJRAAD CARIBISCH NEDERLAND,
gevestigd te Bonaire,
hierna ook: de Voogdijraad,
met betrekking tot de minderjarige:
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] (hierna: [de minderjarige]),
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
[de moeder],
wonende te Bonaire,
hierna: de moeder.
1Het procesverloop
1.1.
Op 8 mei 2026 heeft het gerecht een verzoekschrift met bijlagen ontvangen van de Voogdijraad.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 mei 2026. Daarbij is de moeder niet verschenen. Namens de Voogdijraad is mevrouw [medewerker voogdijraad] verschenen en namens Zorg en Jeugd Caribisch Nederland (hierna: ZJCN) is mevrouw [medewerker ZJCN] verschenen.
1.3.
Op 26 mei 2026 heeft de rechter gesproken met [de minderjarige].
1.4.
Ten slotte is de uitspraak bepaald op vandaag.
2De feiten
2.1.
De moeder heeft eenhoofdig gezag over [de minderjarige]. [de vader] (hierna: de vader) heeft [de minderjarige] erkend. De vader en de moeder zijn gescheiden en [de minderjarige] staat ingeschreven op het adres van de moeder.
2.2.
Sinds augustus 2025 is [de minderjarige] woonachtig bij haar meerderjarige vriend te [adres].
2.3.
De Voogdijraad heeft een kinderbeschermingsonderzoek gedaan naar de vraag of een ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing in het belang van [de minderjarige] zijn. Op 6 mei 2026 heeft de Voogdijraad een rapport uitgebracht.
3De beoordeling
3.1.
Het verzoek van de Voogdijraad betreft de ondertoezichtstelling tot [datum] 2027 (de datum van het meerderjarig worden van [de minderjarige]) en de uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij Begeleid Wonen Bonaire voor de duur van de ondertoezichtstelling.
3.2.
Op grond van artikel 1:254 juncto 1:258, eerste lid BW BES kan de rechter in eerste aanleg een kind voor een termijn van ten hoogste één jaar onder toezicht stellen als het zodanig opgroeit, dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen.
3.3.
De rechter kan op grond van artikel 263 BW BES, indien dat in het belang van de verzorging en opvoeding noodzakelijk is, het kind voorts doen opnemen in een inrichting of elders dan een inrichting voor de duur van ten hoogste één jaar.
3.4.
Uit het verzoekschrift en uit wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken blijkt dat de belangen en de ontwikkeling van [de minderjarige] zodanig worden bedreigd dat een ondertoezichtstelling noodzakelijk is. [de minderjarige] heeft behoefte aan hulpverlening, wat zij zelf ook erkent. Zo is er sprake van schoolverzuim in de vorm van spijbelgedrag, hoewel [de minderjarige] zelf aangeeft inmiddels minder uren te werken om zich beter op haar school te kunnen focussen. Daarnaast ontbreekt het [de minderjarige] aan de nodige opvoedkundige sturing. De moeder is ten einde raad en niet langer in staat de vereiste hulp, ondersteuning en begrenzing te bieden. Tot slot geeft [de minderjarige] aan behoefte te hebben aan begeleiding bij het aangaan van contacten met leeftijdsgenoten.
Gelet op het voorgaande is het gerecht van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke vereisten voor een ondertoezichtstelling. De ondertoezichtstelling zal dan ook worden toegewezen tot de datum waarop [de minderjarige] de meerderjarige leeftijd bereikt, te weten tot [datum] 2027.
3.5.
Met betrekking tot de uithuisplaatsing overweegt het gerecht als volgt. [de minderjarige] staat op dit moment ingeschreven op het adres van de moeder, maar verblijft feitelijk bij haar meerderjarige vriend. De Voogdijraad voert aan dat deze situatie onwenselijk is, omdat er sprake zou zijn van een afhankelijkheidsrelatie en een scheve gezagsverhouding. De Voogdijraad wenst dat [de minderjarige] in de laatste maanden van haar minderjarigheid zich ook als minderjarige kan ontwikkelen. De Voogdijraad heeft ook te kennen geven op grond van ethische en morele overwegingen niet achter een verblijf van een minderjarige bij een meerderjarige man te kunnen staan. Hoewel de Voogdijraad niet vreest dat de vriend de hulpverleners zal tegenwerken, bestaat wel de zorg dat [de minderjarige] zich tegen de hulpverlening zal verzetten indien ze daar blijft wonen.
Het gerecht is van oordeel dat onvoldoende is onderbouwd dat een uithuisplaatsing noodzakelijk is om de bedreiging in de ontwikkeling van [de minderjarige] af te wenden. Het onder dwang plaatsen van [de minderjarige] bij Begeleid Wonen Bonaire voor de resterende duur van hoogstens acht maanden – waarna zij immers meerderjarig is en haar verblijfplaats zelfstandig mag bepalen – acht het gerecht onwenselijk en niet in het belang van [de minderjarige]. Anders dan de Voogdijraad, verwacht het gerecht niet dat [de minderjarige] zich tegen de hulpverlening zal verzetten. Ze heeft immers zelf uitdrukkelijk aangeven juist graag hulp te willen ontvangen om het contact met haar familieleden te herstellen. De omstandigheid dat de Voogdijraad de relatie tussen [de minderjarige] en haar vriend afkeurt, rechtvaardigt – hoewel begrijpelijk – een zo ingrijpende maatregel als een uithuisplaatsing niet. Het verzoek daartoe zal worden afgewezen.
4De beslissing
Het gerecht:
4.1.
spreekt de ondertoezichtstelling uit van [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats], tot [datum] 2027;
4.2.
bepaalt dat een gezinsvoogd van Zorg en Jeugd Caribisch Nederland (ZJCN) wordt belast met het toezicht op [de minderjarige];
4.3.
wijst af het anders of meer verzochte;
4.4.
verstaat dat de griffier aantekening maakt in het gezagsregister van de beslissing onder 4.1 en 4.2;
4.5.
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.P.P. Hoekstra, rechter, en is op 4 juni 2026 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.