Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

ECLI:NL:OGEABES:2025:179

2025-12-30 Civiel recht BON202500527
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Uitspraakdatum
2025-12-30
Publicatiedatum
2026-08-10
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
BON202500527
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Arbeidsgeschil. Geen ontslag op staande voet door werkgever, maar beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werknemer waarmee de werkgever heeft ingestemd. Achterstallig loon. Verjaring en stuiting.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (22.655 tekens)
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA


zittingsplaats Bonaire




registratienummer: BON202500527
datum beslissing: 30 december 2025




BESCHIKKING




in de zaak van:




[verzoekster],
wonende te Bonaire,
verzoekster,
hierna: [verzoekster],
gemachtigde: mr. A.T.C. Nicolaas,



tegen



de besloten vennootschap [B.V.],
gevestigd te Bonaire,
verweerster,
hierna: [B.V.],
gemachtigde: mr. R.J. Tromp.






1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:


het verzoekschrift van [verzoekster] met producties, ingekomen op 13 oktober 2025


het verweerschrift met producties van [B.V.], ingekomen op 4 november 2025


de mondelinge behandeling die heeft plaatsgevonden op 10 november 2025 waar zijn verschenen:



o [verzoekster] bijgestaan door mr. Nicolaas
o namens [B.V.] de twee bestuurders [bestuurder 1] en [bestuurder 2], bijgestaan door mr. Tromp

- de akte van [verzoekster] met productie, ingekomen op 18 november 2025
de akte van [B.V.] met producties, ingekomen op 18 november 2025



1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.









2De feiten

2.1. [
B.V.] is een bedrijf in Bonaire dat (ook) uniformen en kleding vervaardigt. [verzoekster] is een tante moederzijde van [bestuurder 1] (hierna [bestuurder 1]), die samen met haar echtgenoot [bestuurder 2] (hierna [bestuurder 2]) directeur is van [B.V.].


2.2. [
verzoekster] is op 20 maart 2017 als naaister in dienst getreden bij [B.V.] met een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van één jaar met een loon van USD 824,00 per maand. Deze overeenkomst is jaarlijks verlengd. Sedert 8 mei 2020 heeft [verzoekster] een vast dienstverband bij [B.V.] met een brutoloon van USD 1.100,00 per maand.


2.3.
In een brief van 16 september 2025 heeft [verzoekster] (onder meer) [B.V.] gesommeerd tot betaling van USD 75.360, - achterstallig loon.




3
3. Het verzoek en het voorwaardelijke tegenverzoek

3.1. [
verzoekster] vordert samengevat dat het gerecht [verzoekster] kosteloos laat procederen en bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad:


[B.V.] veroordeelt om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan verzoekster te betalen USD 75.360,00, vermeerderd met de wettelijke verhoging van 50% wegens vertraging en de wettelijke rente;


voor recht verklaart dat het door [B.V.] op 30 mei 2025 aan haar mondeling gegeven ontslag onregelmatig en kennelijk onredelijk is;


[B.V.] veroordeelt om aan [verzoekster] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen het loon van USD 3.588,00 over twee maanden, zijnde de termijn totdat de arbeidsovereenkomst regelmatig is opgezegd, dan wel van rechtswege is geëindigd, vermeerderd met de wettelijke rente op dat bedrag vanaf de datum van volledige betaling;


[B.V.] veroordeelt om aan [verzoekster] te betalen tegen behoorlijk bewijs van kwijting een bedrag van USD 7.176,00 als billijke schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag van de datum van de beslissing tot de volledige betaling;


[B.V.] veroordeelt om aan [verzoekster] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen USD 3.312,00 aan cessantiauitkering, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag van de datum van de beslissing tot de volledige betaling;


[B.V.] veroordeelt in de proceskosten en in de nakosten.




3.2. [
verzoekster] grondt haar vorderingen erop dat zij door [B.V.] op 30 mei 2025 ten onrechte op staande voet is ontslagen en dat [B.V.] haar stelselmatig te weinig loon heeft betaald. [B.V.] kiest niet voor nietigverklaring van het ten onrechte gegeven ontslag op staande voet, maar verzoekt een verklaring voor recht dat [B.V.] het dienstverband onregelmatig heeft opgezegd en maakt aanspraak op een wettelijke schadevergoeding met nevenvorderingen en op betaling van een cessantiauitkering.


3.3. [
B.V.] concludeert tot afwijzing van deze verzoeken, met veroordeling van [verzoekster] in de proceskosten.


3.4.
Voor het geval het gerecht oordeelt dat de arbeidsovereenkomst tussen [B.V.] en [verzoekster] nog steeds voortduurt, vordert [B.V.] als tegenverzoek dat het gerecht:


[verzoekster] veroordeelt tot betaling van de door [B.V.] geleden schade wegens onregelmatige opzegging door haar, te verrekenen met eventuele loonvorderingen toegewezen in conventie;


de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden op de kortst mogelijke termijn;


[verzoekster] veroordeelt in de proceskosten.




3.5. [
verzoekster] concludeert tot afwijzing van het voorwaardelijk tegenverzoek van [B.V.] met veroordeling van haar in de proceskosten.




4
4. De beoordeling


4.1.

Het gerecht zal oordelen dat niet [B.V.] op 31 mei 2025 de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] op staande voet wegens een dringende reden heeft opgezegd, maar dat [verzoekster] de arbeidsovereenkomst heeft beëindigd waarmee [B.V.] heeft ingestemd. De vordering van [verzoekster] tot betaling van achterstallig loon zal worden toegewezen tot een bedrag van USD 28.203,12, vermeerderd met een (gematigde) wettelijke verhoging en wettelijke rente. Aan de beoordeling van het voorwaardelijke tegenverzoek komt het gerecht niet toe omdat de voorwaarde waaronder het tegenverzoek is ingesteld niet is vervuld. Dat alles wordt hierna uitgelegd.

De beëindiging van de arbeidsovereenkomst




4.2.
De stelling van [verzoekster] dat zij op 31 mei 2025 mondeling door [B.V.] op staande voet is ontslagen en dat tegen haar is gezegd dat zij nooit meer hoefde te komen werken, wordt door [B.V.] betwist. [B.V.] voert aan dat het [verzoekster] zelf was die heeft besloten het dienstverband niet meer voort te zetten. Ter toelichting hiervan heeft zij verklaard dat [bestuurder 1] en [bestuurder 2] na hun thuiskomst in de namiddag van 30 mei 2025 ontdekten dat [verzoekster] zonder vooraankondiging al haar spullen had verhuisd naar een ander adres. [verzoekster] was bijna klaar met de verhuizing en in het gesprek dat volgde heeft [verzoekster] hun verteld dat zij ergens anders werk had gevonden en elders ging wonen. Tijdens de behandeling ter terechtzitting heeft [verzoekster] hierover verder verklaard dat zij erg ontevreden was over het feit dat [bestuurder 2] eerder die dag de kwaliteit van haar naaiwerk had gecontroleerd, terwijl zij altijd goed werk heeft geleverd. Dit was voor [verzoekster] de spreekwoordelijke druppel. Zij heeft besloten uit huis te vertrekken bij [bestuurder 1] en [bestuurder 2]. Zij heeft daarna niet meer gewerkt, geen loon ontvangen en geen contact meer gehad. [verzoekster] erkent dat zij op 30 mei 2025 al ander werk en andere huisvesting had gevonden.


4.3.

De stelling van [verzoekster] dat zij op staande voet door [B.V.] is ontslagen, is niet komen vast te staan. Uit niets blijkt dat [B.V.] een daarop gerichte wil jegens haar heeft geuit en een dergelijk besluit is ook niet schriftelijk vastgelegd in een ontslag- of een opzeggingsbrief, zoals is voorgeschreven in artikel 2.3 van de arbeidsovereenkomst. De verklaring van [verzoekster] wijst erop, dat zijzelf degene is geweest die de arbeidsovereenkomst tussen partijen heeft beëindigd en dit is ook in lijn met haar verklaring dat zij nieuw werk en een nieuwe woonruimte had en dat [B.V.] daarmee instemde. Naar het oordeel van het gerecht is er dus geen sprake van een onregelmatige opzegging door [B.V.] en de gevorderde verklaring van recht daartoe zal daarom worden afgewezen. Dit oordeel leidt ook tot afwijzing van de daarmee samenhangende vorderingen tot doorbetaling van het loon tot het moment van regelmatige opzegging vermeerderd met de wettelijke rente, vergoeding van schade ten gevolge van een kennelijk onredelijk ontslag vermeerderd met de wettelijke rente en betaling van een cessantiauitkering.

De loonvordering




4.4.

De hoogte van het loon wordt door de wet in beginsel aan partijen overgelaten, maar de Wet minimumlonen BES maakt daarop de dwingendrechtelijke uitzondering dat de werkgever in ieder geval het rechtens geldende minimumloon aan de werknemer moet uitbetalen. De hoogte van het wettelijk minimumloon wordt door het Openbaar Lichaam Bonaire jaarlijks vastgesteld.4.5. Volgens [verzoekster] heeft [B.V.] vanaf aanvang van het dienstverband op 8 mei 2017 tot en met 31 mei 2025 stelselmatig minder loon aan haar uitbetaald dan contractueel is overeengekomen en wettelijk was toegestaan.

Verjaring





4.6.

Het meest verstrekkende verweer van [B.V.] dat de loonvordering van [verzoekster] deels is verjaard, slaagt. Op grond van artikel 3:308 BW Bes verjaart een loonvordering vijf jaar na de dag waarop het loon opeisbaar is geworden. De brief van 16 september 2025 van (de gemachtigde van) [verzoekster] heeft de verjaring gestuit. Uit deze brief blijkt voldoende duidelijk dat [verzoekster] zich ondubbelzinnig het recht op betaling van achterstallig loon voorbehoudt. De vordering van [verzoekster] is verjaard voor zover deze ziet op de periode vóór 16 september 2020.

Contante betaling en verrekening van kost en inwoning




4.7.
Het standpunt van [B.V.] is dat zij het loon van [verzoekster] altijd correct en volledig aan haar heeft uitbetaald. Een deel van het loon heeft zij verrekend met door [verzoekster] genoten kost en inwoning, een ander deel van het loon heeft zij contant of per bank betaald. Zij heeft een schriftelijk addendum van 9 mei 2017 overgelegd waarin onder meer staat dat het loon contant of per bank zal worden betaald en dat partijen zijn overeengekomen dat [verzoekster] maandelijks een bedrag zal betalen voor huur, eten, elektra/ water/ drainage/ gas, transport etc. [verzoekster] ontkent dat zij een addendum met [B.V.] is overeengekomen en heeft verklaard dat [B.V.] een elektronische handtekening van haar gebruikt voor het ondertekenen van documenten in verband met haar verblijfs- en werkvergunning in Bonaire, hetgeen door [B.V.] wordt betwist. Opvalt dat in dit addendum de handtekening namens [B.V.] ontbreekt. Ook valt op dat geen bedrag wordt genoemd dat is overeengekomen voor kost en inwoning. [verzoekster] ontkent dat haar loon deels contant werd betaald, behalve voor de eerste maand van haar dienstverband in 2017 toen zij nog geen bankrekening had.


4.8. [
B.V.] heeft toegegeven dat zij nooit kwitanties heeft laten tekenen voor de gestelde contant betaalde loonbetalingen. Daarnaast heeft [B.V.] nooit voldaan aan haar wettelijke plicht om aan [verzoekster] maandelijks loonstroken te verstrekken. Op die loonstroken had zij dan aan [verzoekster] de hoogte van het loon, de wijze van uitbetaling en de verrekende bedragen moeten specificeren. De door haar bij verweerschrift overgelegde loonstaten zijn niet bestemd voor [verzoekster]. Deze staten vermelden enkel het loon in geld, maar niet de specificatie van de betalingswijze aan en verrekening met het loon van [verzoekster]. Niet begrijpelijk is dat daarin loonbedragen worden vermeld die onder het minimumloon geldend voor het desbetreffende jaar liggen. Tot enige onderbouwing, laat staan bewijs van contante betalingen of verrekeningen aan of met [verzoekster], kunnen deze loonstaten niet dienen. [B.V.] acht het verder van doorslaggevend belang dat de dochter van [verzoekster], die in Colombia woont, medio november 2024 per WhatsApp aan [bestuurder 1] heeft bevestigd dat alle bedragen volledig waren voldaan, dat er geen loonachterstanden of openstaande verrekeningen waren. Later is een door [B.V.] gemaakt overzicht overgelegd waarvan zijzelf stelt dat dit het overzicht zou zijn waarvan de dochter van [verzoekster] in het Whatsapp gesprek verklaart. Echter de conclusie die [B.V.] aan dit overzicht verbindt is dan niet in lijn met die verklaring van de dochter, namelijk dat de loonachterstand niet USD 6.846,18 bedroeg maar USD 1.531,18. Tenslotte heeft [B.V.] in de nadere akte nog een “eenvoudige uitleg” overgelegd, met betrekking tot haar stelling dat zij steeds minimumloon aan [verzoekster] heeft uitbetaald vanaf juni 2020 t/m mei 2025 (5 jaar). Dit stuk levert meer vragen op dan antwoorden, nu daarin bijvoorbeeld opeens wordt aangevoerd dat [verzoekster] een tijdlang slechts 7 uur per dag heeft gewerkt, terwijl [B.V.] eerder heeft verklaard dat zij conform haar arbeidsovereenkomst 40 uur per week werkte en acht uur per dag. Ook wanneer daarin wordt gesteld dat [verzoekster] in januari 2025 geen recht op loon had omdat zij op vakantie was in Venezuela en geen vakantiedagen meer had, terwijl [verzoekster] wettelijk recht heeft op minimaal 15 vakantiedagen per jaar en januari de eerste maand van een jaar is. De conclusie van dit alles is dat het [B.V.] niet is gelukt om te voldoen aan haar stelplicht dat zij loonbetalingen contant heeft betaald. Daarom passeert het gerecht haar bewijsaanbod daarover.


4.9.
Voor de verrekening van kost en inwoning geeft artikel 7a:1614r BW Bes een (maximale) maatstaf. Vaststaat dat in het schriftelijke addendum geen huurbedrag of verrekenbedrag voor kost en inwoning is vermeld. Tijdens de behandeling ter zitting heeft [B.V.] verklaard dat zij gedurende de gehele looptijd van de arbeidsverhouding een bedrag van USD 524,00 per maand met het loon van [verzoekster] heeft verrekend voor kost en inwoning. Bij gebrek aan wetenschap heeft [verzoekster] dit bedrag niet betwist, wederom omdat zij nooit loonstroken van [B.V.] heeft ontvangen of schriftelijke mededelingen over het te verrekenen bedrag. Tussen partijen is evenwel niet in geschil dat [verzoekster] tijdens haar hele dienstverband kost en inwoning heeft genoten in de huurwoning van [bestuurder 1] en [bestuurder 2].


4.10.
Het gerecht zal vanaf 16 september 2020, zulks i.v.m. de verjaring, naar redelijkheid en billijkheid het jaarlijkse bedrag vaststellen dat [B.V.] maximaal met [verzoekster] mocht verrekenen voor kost en inwoning. Het gerecht gaat ervan uit, dat [verzoekster] nog recht heeft op de helft van het maandsalaris van september 2020. Dit met inachtneming van de in artikel 7: 1614r BW Bes bepaalde maatstaf van in totaal maximaal 40% van het minimumloon en dit in samenhang met inachtneming van het volgens [B.V.] daadwerkelijk door haar verrekende bedrag van USD 524,00, voor zover die wettelijke maatstaf tot een hoger verrekenbedrag leidt. Voor de jaren 2020 tot en met 2023 komt toepassing van deze maatstaf uit op een lager bedrag dan genoemd bedrag van USD 524,00. Voor de jaren 2024 en deels 2025 zou dit leiden tot een hoger bedrag, maar daarvoor geldt het daadwerkelijk verrekende bedrag door [B.V.] van USD 524,00. [verzoekster] mag niet de dupe worden van het ontbreken van een deugdelijke of gebrekkige loonadministratie van [B.V.]. De nadere stelling van [B.V.] in haar akte uitlatingen dat zij de bijdrage voor kost en inwoning in 2022 zou hebben verhoogd tot 699,00 per maand en in 2024 -2025 tot USD 741,00 per maand wordt verworpen op grond van die gebrekkige loonadministratie en wegens strijdig met haar eerdere verklaring ter zitting. Deze plotselinge verhoging is nergens uit gebleken en niet onderbouwd. Deze berekening komt uit op het volgende. Een teveel door [B.V.] verrekend bedrag van USD 3.931,20 zal als onderdeel van de loonvordering aan [verzoekster] worden toegewezen.











JAAR


MINIMUMLOON(USD per maand bij 40-urige werkweek)


MAXIMALE KOSTEN VOOR KOST EN INWONING


Te veel verrekend


MAANDELIJKSE MIMIMALE BETALING




vanaf 16/ 9 2020


950


380 (40%)


(524 – 380=)
144 x3,5 = 504


570




2021


950


380 (40%)


(524 – 380=)
144 x 12 = 1.728


570




2022


1045


418 (40%)


(524 – 418=)
106 x 12 = 1.272,00


627




2023


1236


494,40 (40%)


(524 – 418=)
29,60 x 12 = 355,20


741,60




2024 (tot juni)


1570


524 (feitelijk)


0


942




2024(vanaf juni


1751


524 (feitelijk)


0


1050,60




2025


1794


524 (feitelijk)


0


1076,40










Totaal te veel berekend vanaf 1 september 2020



3.859,20











4.11. [
verzoekster] heeft al haar bankafschriften overgelegd bij het verzoekschrift. In de akte voortprocederen heeft [verzoekster] in een overzicht herberekend wat haar door [B.V.] is uitbetaald en hoeveel loonachterstand er is ontstaan. Uit dat overzicht blijkt dat zij vanaf half september 2020 tot en met mei 2025 in totaal USD 21.688,50 te weinig loon heeft ontvangen en daarbij is al die maanden een verrekenbedrag van USD 524,00 per maand toegepast. In verband met het onder 4.9. overwogene moet dit bedrag nog worden vermeerderd met USD 3.859,20 zodat de loonvordering van [verzoekster] wordt toegewezen tot een bedrag van in totaal USD 25.547,70.


4.12.
Dit bedrag zal op grond van het bepaalde in artikel 7A:1614q BW Bes worden verhoogd wegens de vertraging met een gematigde rente van 10%, (USD 2.554,77) zodat [B.V.] een totaalbedrag aan [verzoekster] dient te betalen van USD 28.102,47. Indien dit bedrag niet uiterlijk op 7 januari 2026 door [B.V.] is voldaan, zal daarna de wettelijke rente over dit bedrag verschuldigd zijn.


4.13. [
B.V.] zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten van [verzoekster] begroot op USD 2.128, - zijnde USD 28,00 aan griffierecht en USD 2.100, - aan salaris van de gemachtigde van [verzoekster] (het liquidatietarief tarief 6 (USD 840 per punt) maal tweeëneenhalf punt).


4.14.
Deze beslissing wordt uitvoerbaar verklaard bij voorraad.


4.15.

Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

In het voorwaardelijk tegenverzoek




4.16.
Aan het tegenverzoek wordt niet toegekomen, omdat de voorwaarde waaronder het tegenverzoek is ingesteld niet is vervuld. Van de zijde van [verzoekster] heeft er evenmin een onregelmatige opzegging plaatsgevonden. Hoewel zij het initiatief heeft genomen de arbeidsovereenkomst te beëindigen, is [B.V.] hier niet tegenop gekomen. Integendeel [bestuurder 1] en [bestuurder 2] wilden haar na de beëindiging terugsturen naar Venezuela.





5De beslissing


Het gerecht:



5.1.
staat [verzoekster] toe kosteloos te procederen;



5.2.
veroordeelt [B.V.] tot betaling aan [verzoekster], tegen behoorlijk bewijs van kwijting, van een bedrag van USD 28.102,47, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 20 januari 2026 tot de dag der algehele voldoening;



5.3.
veroordeelt [B.V.] in de proceskosten van USD 2.128,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met USD 84,00 als [B.V.] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;



5.4.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;



5.5.
wijst af het meer of anders verzochte.



Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.J. Keltjens, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 december 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.