Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
ECLI:NL:OGEABES:2025:175
2025-07-03
Strafrecht
400.00269/24
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vrijspraak oplichting. Het Gerecht kan de meeste feitelijke handelingen die op de tenlastelegging staan wel bewijzen, maar die leveren geen wettelijke oplichtingsmiddel(en) op. Verdachte is uiteindelijk de afspraak niet nagekomen en dat zal mogelijk civielrechtelijke consequenties kunnen hebben. Een civielrechtelijke niet-nakoming/ ongerechtvaardigde verrijking betekent echter niet dat ook automatisch sprake is van strafrechtelijke oplichting.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2016:2889 Hoge Raad 20-12-2016
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (18.263 tekens)
Parketnummer: 400.00269/24
Uitspraak: 3 juli 2025 Tegenspraak
Vonnis van dit Gerecht
in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteland],
wonende op Bonaire, [adres].
Onderzoek van de zaak
Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 12 juni 2025. De verdachte is verschenen, bijgestaan door haar raadsman mr. E.J. Winkel, advocaat op Bonaire.
De benadeelde partijen [benadeelde partij 1], [benadeelde partij 2], [benadeelde partij 3], [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 5] hebben zich ter terechtzitting gevoegd in het strafproces met een vordering tot schadevergoeding.
De officier van justitie, mr. T.M.L. Keller, heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 369 dagen waarvan 360 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en onder de bijzondere voorwaarde dat verdachte 200 uren werkstraf zal verrichten.
Haar vordering behelst voorts:
de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 5] tot een bedrag van $ 1.000 en voor het overige niet-ontvankelijkverklaring en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;
de gehele toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] ($ 2.300); [benadeelde partij 2] ($5.000); [benadeelde partij 4] ($ 1.800) & [benadeelde partij 3] ($1.200) en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De raadsman heeft vrijspraak bepleit.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2022 tot en met 1 januari 2024 op het eiland Bonaire, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een (of meer) listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels, meerdere vreemdelingen heeft bewogen tot de afgifte van (een) of meer geldbedrag(en) te weten:
[slachtoffer 1] ($2200)
[benadeelde partij 2] ($ 5.000)
[benadeelde partij 5] ($ 7.000)
[slachtoffer 2] ( $1.000)
[benadeelde partij 3] ($ 1.300)
[benadeelde partij 1] ($2.300)
[benadeelde partij 4] ($1.800)
althans van (telkens) een geldbedrag, in elk geval van enig goed en/of het verlenen van enige dienst, hebbende verdachte toen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid
die [slachtoffer 1] en/of [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 5] en/of [slachtoffer 2] en/of [benadeelde partij 3] en/of [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 4] eenmaal of meermalen persoonlijk thuis bezocht en/of in haar, verdachtes, eigen woning persoonlijk ontvangen en/of
ter gelegenheid van die persoonlijke ontmoetingen gezegd dat zij directeur was, althans een bedrijf had dat tegen betaling werkvergunningen kon regelen bij de immigratiedienst en/of
gezegd dat zij een bevriend contactpersoon bij de immigratiedienst had en/of
gezegd dat zij een kopie van paspoort, diploma en bewijs van goed gedrag nodig had voor de aanvraag van de werkvergunning en/of
gezegd dat in verband met te maken kosten een aanbetaling vereist was om het aanvraagproces in gang te kunnen zetten en/of
na ontvangst van de contante (aan)betalingen hiervan geen kwitantie verstrekt en/of geen administratie gevoerd en/of
(daarna) telkenmale laten weten dat de aanvraag voor de werkvergunning nog in behandeling was bij immigratie en/of dat het allemaal wel goed zou komen met de aanvraag en/of dat men geduld moest hebben en/of dat de werkvergunning nog niet klaar was en/of dat de immigratiedienst de afspraak had verschoven en/of dat zij de afspraak bij de immigratiedienst had gemist en/of foto's gestuurd van vacatures, althans telkens mededelingen van dien aard gedaan op grond waarvan de suggestie werd gewekt dat de aanvraag bij de IND voor een werkvergunning daadwerkelijk was gedaan en/ of in behandeling was genomen, waardoor die [slachtoffer 1] en/of [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 5] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 2] en/of [benadeelde partij 3] en/of [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 4] (telkens) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte.
Voorvragen
Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
Vrijspraak van het ten laste gelegde
Het Gerecht is van oordeel dat het bewijs tekortschiet om te kunnen vaststellen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde. Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken. Het Gerecht overweegt daartoe als volgt.
Juridisch kader
Het niet nakomen van een civiele overeenkomst wordt in het algemeen spraakgebruik al snel gezien, aangeduid of door niet-juristen gevoeld als oplichting. Voor een strafbare oplichting ex artikel 339 Wetboek van Strafrecht BES, moet echter sprake zijn van een specifiek oplichtingsmiddel zoals deze in de wet wordt genoemd: het aannemen van een valse naam of hoedanigheid, het gebruik van listige kunstgrepen en/of het gebruik van een samenweefsel van verdichtsels. Ook is een voorwaarde dat een slachtoffer door de oplichtingsmiddelen is bewogen tot afgifte van een goed. De wetgever heeft hiermee het begrip ‘oplichting’ nader vorm en inhoud gegeven zodat niet iedere vorm van bedrog een strafbare oplichting oplevert.
Bij het gebruik van een samenweefsel van verdichtsels gaat het in de kern om gesproken en/of geschreven uitingen die bij die ander een op meer dan een enkel leugenachtige mededeling gebaseerde onjuiste voorstelling van zaken in het leven kunnen roepen. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat voor het aannemen van een samenweefsel van verdichtsels sprake moet zijn van “meer dan een enkele leugenachtige mededing”.
Voor de vraag of in deze zaak uit de door de verdachte gebezigde mededelingen kan worden afgeleid dat de slachtoffers door een van deze oplichtingsmiddelen werd bewogen tot de afgifte van een geldbedrag, komt het aan op alle omstandigheden van het geval. Tot die omstandigheden behoren de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de onware mededelingen in hun onderlinge samenhang, de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid tot degene tot wie de mededelingen zijn gericht aanleiding had moeten geven de onwaarheid te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen en de persoonlijkheid van het slachtoffer.
De feiten
In dit geval wordt het volgende vastgesteld.
Zeven mannen van Haïtiaanse afkomst hebben aangifte gedaan van oplichting. De aangiftes komen overeen: ze zijn in 2022 of 2023 via via in contact gekomen met verdachte omdat ze gehoord hadden dat verdachte een verblijfsvergunning voor zichzelf en/of hun kennissen of familieleden kon regelen. Aangevers benaderden verdachte en verdachte heeft vervolgens tegen aangevers gezegd dat het proces om een werkvergunning aan te vragen ongeveer 2.000 Amerikaanse dollar per persoon kost. Nadat de aangevers (een deel van) het geld hebben betaald, hebben ze niks meer gehoord van verdachte of heeft verdachte gezegd dat de papieren nog niet klaar zijn en/of dat ze nog even geduld moesten hebben. De aangevers hebben allemaal (gedeeltelijk) betaald voor een werkvergunning, maar deze nooit ontvangen.
Verdachte verklaart ter zitting en in haar verhoren dat zij inderdaad afgesproken had om voor aangevers een werkvergunning te regelen. Zij heeft contact gehad met een deel van de aangevers en direct met hen afgesproken dat zij, tegen vergoeding, een werkvergunning zal regelen. Ten aanzien van de overige aangevers verklaart verdachte dat iemand anders aanvankelijk de werkvergunning zou regelen, maar dat die derde vervolgens onbereikbaar was. Zij heeft vervolgens tegen deze aangevers gezegd dat zij verantwoordelijk is en ook hun vergunningen zou regelen. Verdachte verklaart ter zitting dat zij de intentie had om de werkvergunningen te regelen en dat het haar bedoeling was om de aanvragers te laten werken voor haar onderneming: [B.V.] Uiteindelijk is het niet gelukt om een vergunning te regelen omdat projecten niet door gingen en/of omdat de mensen niet over de juiste kwalificaties beschikten. Zij geeft toe dat zij de aanvragen voor aangevers niet bij de IND heeft ingediend en geeft aan dat zij het door aangevers betaalde bedrag (gedeeltelijk) zou willen terugbetalen. Over de hoogte van dat bedrag verschillen partijen van mening. Verdachte stelt dat zij niet 2000 dollar per persoon heeft ontvangen, maar ongeveer 800 tot 1000 dollar per persoon.
Juridische beoordeling
In de tenlastelegging zijn feitelijke handelingen opgenomen waaruit de oplichtingsmiddelen zouden bestaan. Het Gerecht bespreekt deze feitelijke handelingen, zal vaststellen of deze feitelijke handelingen bewezen kunnen worden en daarna of verdachte door zo te handelen gebruik heeft gemaakt van een van de in de wet opgesomde oplichtingsmiddelen.
Allereerst is in de tenlastelegging opgenomen dat verdachte aangevers thuis heeft uitgenodigd en heeft gezegd dat zij (i) directeur van een bedrijf is en (ii) werkvergunningen kan regelen. Op basis van de aangiftes en de verklaring van verdachte kunnen deze feitelijke handelingen worden bewezen. De vraag is echter of verdachte een onjuiste voorstelling van zaken had gegeven.
Het Gerecht leidt uit de KvK-uitdraai en bankgegevens die zich in het dossier bevinden af dat verdachte bestuurder is van het bouwbedrijf [B.V.] Verder volgt uit de door de IND aangeleverde gegevens dat verdachte actief verblijfsaanvragen heeft ingediend voor medewerkers van [B.V.] Van de 89 door haar ingediende aanvragen zijn 70 aanvragen door de IND ingewilligd.
Het Gerecht stelt gelet op het voorgaande vast dat verdachte tegenover aangevers geen onjuist beeld heeft geschetst: zij was daadwerkelijk directeur/bestuurder van een bouwbedrijf en had in het verleden veelal succesvol werkvergunningen via de IND verkregen voor buitenlandse werkzoekenden. Dat verdachte van begin af aan geen intentie had om de werkvergunningen te regelen en slechts aangevers wilde laten betalen, is niet gebleken. Sterker nog, dat verdachte de aangevers bij haar thuis ontving, is een indicatie dat zij niet probeerde haar identiteit te verhullen. Ook volgt uit informatie van de IND ook dat verdachte ook in de tenlastegelegde periode van 2022 tot en met 2024 diverse werkvergunningen heeft aangevraagd en dat die ook werden ingewilligd: de laatste succesvolle aanvraag voor een werknemer van [B.V.] was van 23 maart 2024. In de periode dat verdachte contact had met aangevers is het goed mogelijk dat zij voor anderen dus wél werkvergunningen heeft aangevraagd en gekregen. Het lijkt er dus niet op dat verdachte vanaf 2022 had besloten om geen enkele aanvraag meer te doen en slechts geld van werkzoekenden te incasseren.
Ten tweede is in de tenlastelegging opgenomen dat verdachte tegen aangevers gezegd zou hebben dat zij een bevriend contactpersoon bij de IND had. Het Gerecht leidt uit de verklaringen van aangevers af dat verdachte met hen heeft gesproken over een contactpersoon bij de IND, maar slechts één aangever meldt dat zij daarmee bevriend zou zijn. De overige aangevers verklaren daarover niet, zelfs niet als zij daarover specifiek door de politie worden bevraagd. Over dit deel van de ten laste gelegde feitelijke handelingen bestaat dan ook teveel twijfel en dat deel kan het Gerecht niet bewijzen.
Ten derde is in de tenlastelegging opgenomen dat aangevers – kortgezegd – persoonlijke documenten moesten aanleveren en dat verdachte gezegd heeft dat een aanbetaling vereist was om het proces in gang te kunnen zetten. Deze handelwijze kan het Gerecht vaststellen op basis van de aangiftes en de verklaring van verdachte. Het is echter een feit van algemene bekendheid dat voor welke (overheids)aanvraag dan ook, persoonlijke documenten zullen moeten worden aangeleverd. Ook volgt uit de informatie van de IND dat voor iedere aanvraag een vergoeding moest worden betaald. Met andere woorden: dat verdachte op die punten onjuiste mededelingen had gedaan over het aanvraagproces, blijkt niet.
Ten vierde is in de tenlastelegging opgenomen dat verdachte geen kwitantie had verstrekt en/of geen goede administratie had bijgehouden van de door haar ontvangen gelden. Dit kan het Gerecht vaststellen op basis van de aangiftes, maar deze handelingen leveren geen wettelijke oplichtingsmiddelen op. Immers, door zo te handelen heeft zij geen (onterecht) vertrouwen gewekt of een onjuiste voorstelling van zaken gegeven, laat staan dat zij door zo te handelen aangevers heeft bewogen tot afgifte van enig goed.
Tot slot is in de tenlastelegging opgenomen dat verdachte - kortgezegd – aangevers aan het lijntje heeft gehouden nadat aangevers verdachte hadden betaald. Deze handelwijze kan het Gerecht inderdaad vaststellen. Uit de aangiftes volgt dat verdachte nadat zij geld en documenten had ontvangen niet of nauwelijks meer te bereiken was voor aangevers. Als aangevers al contact met verdachte konden krijgen, vertelde verdachte dat het proces liep en dat de aangevers geduld moesten hebben, terwijl in realiteit verdachte helemaal geen aanvraag had ingediend, zo volgt uit haar eigen verklaring. Op deze manier heeft verdachte wel degelijk een onjuist beeld voorgespiegeld aan aangevers. Dit betreffen echter leugens nadat aangevers al tot afgifte van gelden waren overgegaan. Zij waren door deze leugens dus niet bewogen om geld aan verdachte te geven: uit de aangiftes volgt dat verdachte hierdoor juist argwaan wekte bij aangevers.
Conclusie
In deze zaak benaderden aangevers verdachte zelf met de vraag of zij een werkvergunning voor hen kon regelen. Verdachte stemde daarmee in en gaf informatie over het proces, waarvan achteraf vastgesteld kan worden dat die informatie juist was. Zij heeft geen valse naam, valse hoedanigheid, kunstgrepen of samenweefsel van verdichtsels gebruikt om aangevers te bewegen tot afgifte van geld. Oplichting kan in soortgelijke civiele zaken alsnog bewezen worden als vaststaat dat verdachte nooit de intentie of mogelijkheid had om de afspraken na te komen, maar dat is niet gebleken (en ook niet ten laste gelegd). Dat zij de afspraken uiteindelijk niet is nagekomen, is wel gebleken en dat zal mogelijk civielrechtelijke consequenties kunnen hebben. Een civielrechtelijke niet-nakoming/ ongerechtvaardigde verrijking betekent echter niet dat ook automatisch sprake is van strafrechtelijke oplichting.
Kort en goed: het Gerecht kan de (meeste) feitelijke handelingen die op de tenlastelegging staan wel bewijzen, maar die leveren geen wettelijke oplichtingsmiddel(en) op. Verdachte wordt dan ook vrijgesproken van het ten laste gelegde feit.
Het Gerecht begrijpt goed dat deze uitspraak onbevredigend zal zijn voor de aangevers en voor het rechtsgevoel in algemene zin. Dat het handelen van verdachte moreel gezien dubieus is, ziet het Gerecht. Aangevers waren afhankelijk van een werkvergunning, kennen de lokale procedures niet (goed) en verdachte heeft hen uiteindelijk in de kou laten staan. Dit maakt de juridische beoordeling echter niet anders.
Schadevergoeding
De volgende benadeelde partijen hebben zich in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
[benadeelde partij 2] ($ 5.000)
[benadeelde partij 5] ($ 6.000)
[benadeelde partij 3] ($1.200)
[benadeelde partij 1] ($ 2.300)
[benadeelde partij 4] ($ 1.800)
Nu het Gerecht de verdachte zal vrijspreken van het ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt, kunnen de benadeelde partijen niet in hun vorderingen worden ontvangen.
BESLISSING
Het Gerecht:
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte ten laste is gelegd en spreekt haar daarvan vrij;
verklaart de benadeelde partijen [benadeelde partij 2], [benadeelde partij 1], [benadeelde partij 5], [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4], niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. P.M. Leijten, bijgestaan door mr. S.D. Rodenboog, griffier, en op 3 juli 2025 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht op Bonaire.
De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
ECLI:NL:HR:2016:2889.
Uitspraak: 3 juli 2025 Tegenspraak
Vonnis van dit Gerecht
in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteland],
wonende op Bonaire, [adres].
Onderzoek van de zaak
Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 12 juni 2025. De verdachte is verschenen, bijgestaan door haar raadsman mr. E.J. Winkel, advocaat op Bonaire.
De benadeelde partijen [benadeelde partij 1], [benadeelde partij 2], [benadeelde partij 3], [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 5] hebben zich ter terechtzitting gevoegd in het strafproces met een vordering tot schadevergoeding.
De officier van justitie, mr. T.M.L. Keller, heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 369 dagen waarvan 360 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en onder de bijzondere voorwaarde dat verdachte 200 uren werkstraf zal verrichten.
Haar vordering behelst voorts:
de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 5] tot een bedrag van $ 1.000 en voor het overige niet-ontvankelijkverklaring en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;
de gehele toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] ($ 2.300); [benadeelde partij 2] ($5.000); [benadeelde partij 4] ($ 1.800) & [benadeelde partij 3] ($1.200) en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De raadsman heeft vrijspraak bepleit.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2022 tot en met 1 januari 2024 op het eiland Bonaire, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een (of meer) listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels, meerdere vreemdelingen heeft bewogen tot de afgifte van (een) of meer geldbedrag(en) te weten:
[slachtoffer 1] ($2200)
[benadeelde partij 2] ($ 5.000)
[benadeelde partij 5] ($ 7.000)
[slachtoffer 2] ( $1.000)
[benadeelde partij 3] ($ 1.300)
[benadeelde partij 1] ($2.300)
[benadeelde partij 4] ($1.800)
althans van (telkens) een geldbedrag, in elk geval van enig goed en/of het verlenen van enige dienst, hebbende verdachte toen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid
die [slachtoffer 1] en/of [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 5] en/of [slachtoffer 2] en/of [benadeelde partij 3] en/of [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 4] eenmaal of meermalen persoonlijk thuis bezocht en/of in haar, verdachtes, eigen woning persoonlijk ontvangen en/of
ter gelegenheid van die persoonlijke ontmoetingen gezegd dat zij directeur was, althans een bedrijf had dat tegen betaling werkvergunningen kon regelen bij de immigratiedienst en/of
gezegd dat zij een bevriend contactpersoon bij de immigratiedienst had en/of
gezegd dat zij een kopie van paspoort, diploma en bewijs van goed gedrag nodig had voor de aanvraag van de werkvergunning en/of
gezegd dat in verband met te maken kosten een aanbetaling vereist was om het aanvraagproces in gang te kunnen zetten en/of
na ontvangst van de contante (aan)betalingen hiervan geen kwitantie verstrekt en/of geen administratie gevoerd en/of
(daarna) telkenmale laten weten dat de aanvraag voor de werkvergunning nog in behandeling was bij immigratie en/of dat het allemaal wel goed zou komen met de aanvraag en/of dat men geduld moest hebben en/of dat de werkvergunning nog niet klaar was en/of dat de immigratiedienst de afspraak had verschoven en/of dat zij de afspraak bij de immigratiedienst had gemist en/of foto's gestuurd van vacatures, althans telkens mededelingen van dien aard gedaan op grond waarvan de suggestie werd gewekt dat de aanvraag bij de IND voor een werkvergunning daadwerkelijk was gedaan en/ of in behandeling was genomen, waardoor die [slachtoffer 1] en/of [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 5] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 2] en/of [benadeelde partij 3] en/of [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 4] (telkens) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte.
Voorvragen
Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
Vrijspraak van het ten laste gelegde
Het Gerecht is van oordeel dat het bewijs tekortschiet om te kunnen vaststellen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde. Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken. Het Gerecht overweegt daartoe als volgt.
Juridisch kader
Het niet nakomen van een civiele overeenkomst wordt in het algemeen spraakgebruik al snel gezien, aangeduid of door niet-juristen gevoeld als oplichting. Voor een strafbare oplichting ex artikel 339 Wetboek van Strafrecht BES, moet echter sprake zijn van een specifiek oplichtingsmiddel zoals deze in de wet wordt genoemd: het aannemen van een valse naam of hoedanigheid, het gebruik van listige kunstgrepen en/of het gebruik van een samenweefsel van verdichtsels. Ook is een voorwaarde dat een slachtoffer door de oplichtingsmiddelen is bewogen tot afgifte van een goed. De wetgever heeft hiermee het begrip ‘oplichting’ nader vorm en inhoud gegeven zodat niet iedere vorm van bedrog een strafbare oplichting oplevert.
Bij het gebruik van een samenweefsel van verdichtsels gaat het in de kern om gesproken en/of geschreven uitingen die bij die ander een op meer dan een enkel leugenachtige mededeling gebaseerde onjuiste voorstelling van zaken in het leven kunnen roepen. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat voor het aannemen van een samenweefsel van verdichtsels sprake moet zijn van “meer dan een enkele leugenachtige mededing”.
Voor de vraag of in deze zaak uit de door de verdachte gebezigde mededelingen kan worden afgeleid dat de slachtoffers door een van deze oplichtingsmiddelen werd bewogen tot de afgifte van een geldbedrag, komt het aan op alle omstandigheden van het geval. Tot die omstandigheden behoren de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de onware mededelingen in hun onderlinge samenhang, de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid tot degene tot wie de mededelingen zijn gericht aanleiding had moeten geven de onwaarheid te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen en de persoonlijkheid van het slachtoffer.
De feiten
In dit geval wordt het volgende vastgesteld.
Zeven mannen van Haïtiaanse afkomst hebben aangifte gedaan van oplichting. De aangiftes komen overeen: ze zijn in 2022 of 2023 via via in contact gekomen met verdachte omdat ze gehoord hadden dat verdachte een verblijfsvergunning voor zichzelf en/of hun kennissen of familieleden kon regelen. Aangevers benaderden verdachte en verdachte heeft vervolgens tegen aangevers gezegd dat het proces om een werkvergunning aan te vragen ongeveer 2.000 Amerikaanse dollar per persoon kost. Nadat de aangevers (een deel van) het geld hebben betaald, hebben ze niks meer gehoord van verdachte of heeft verdachte gezegd dat de papieren nog niet klaar zijn en/of dat ze nog even geduld moesten hebben. De aangevers hebben allemaal (gedeeltelijk) betaald voor een werkvergunning, maar deze nooit ontvangen.
Verdachte verklaart ter zitting en in haar verhoren dat zij inderdaad afgesproken had om voor aangevers een werkvergunning te regelen. Zij heeft contact gehad met een deel van de aangevers en direct met hen afgesproken dat zij, tegen vergoeding, een werkvergunning zal regelen. Ten aanzien van de overige aangevers verklaart verdachte dat iemand anders aanvankelijk de werkvergunning zou regelen, maar dat die derde vervolgens onbereikbaar was. Zij heeft vervolgens tegen deze aangevers gezegd dat zij verantwoordelijk is en ook hun vergunningen zou regelen. Verdachte verklaart ter zitting dat zij de intentie had om de werkvergunningen te regelen en dat het haar bedoeling was om de aanvragers te laten werken voor haar onderneming: [B.V.] Uiteindelijk is het niet gelukt om een vergunning te regelen omdat projecten niet door gingen en/of omdat de mensen niet over de juiste kwalificaties beschikten. Zij geeft toe dat zij de aanvragen voor aangevers niet bij de IND heeft ingediend en geeft aan dat zij het door aangevers betaalde bedrag (gedeeltelijk) zou willen terugbetalen. Over de hoogte van dat bedrag verschillen partijen van mening. Verdachte stelt dat zij niet 2000 dollar per persoon heeft ontvangen, maar ongeveer 800 tot 1000 dollar per persoon.
Juridische beoordeling
In de tenlastelegging zijn feitelijke handelingen opgenomen waaruit de oplichtingsmiddelen zouden bestaan. Het Gerecht bespreekt deze feitelijke handelingen, zal vaststellen of deze feitelijke handelingen bewezen kunnen worden en daarna of verdachte door zo te handelen gebruik heeft gemaakt van een van de in de wet opgesomde oplichtingsmiddelen.
Allereerst is in de tenlastelegging opgenomen dat verdachte aangevers thuis heeft uitgenodigd en heeft gezegd dat zij (i) directeur van een bedrijf is en (ii) werkvergunningen kan regelen. Op basis van de aangiftes en de verklaring van verdachte kunnen deze feitelijke handelingen worden bewezen. De vraag is echter of verdachte een onjuiste voorstelling van zaken had gegeven.
Het Gerecht leidt uit de KvK-uitdraai en bankgegevens die zich in het dossier bevinden af dat verdachte bestuurder is van het bouwbedrijf [B.V.] Verder volgt uit de door de IND aangeleverde gegevens dat verdachte actief verblijfsaanvragen heeft ingediend voor medewerkers van [B.V.] Van de 89 door haar ingediende aanvragen zijn 70 aanvragen door de IND ingewilligd.
Het Gerecht stelt gelet op het voorgaande vast dat verdachte tegenover aangevers geen onjuist beeld heeft geschetst: zij was daadwerkelijk directeur/bestuurder van een bouwbedrijf en had in het verleden veelal succesvol werkvergunningen via de IND verkregen voor buitenlandse werkzoekenden. Dat verdachte van begin af aan geen intentie had om de werkvergunningen te regelen en slechts aangevers wilde laten betalen, is niet gebleken. Sterker nog, dat verdachte de aangevers bij haar thuis ontving, is een indicatie dat zij niet probeerde haar identiteit te verhullen. Ook volgt uit informatie van de IND ook dat verdachte ook in de tenlastegelegde periode van 2022 tot en met 2024 diverse werkvergunningen heeft aangevraagd en dat die ook werden ingewilligd: de laatste succesvolle aanvraag voor een werknemer van [B.V.] was van 23 maart 2024. In de periode dat verdachte contact had met aangevers is het goed mogelijk dat zij voor anderen dus wél werkvergunningen heeft aangevraagd en gekregen. Het lijkt er dus niet op dat verdachte vanaf 2022 had besloten om geen enkele aanvraag meer te doen en slechts geld van werkzoekenden te incasseren.
Ten tweede is in de tenlastelegging opgenomen dat verdachte tegen aangevers gezegd zou hebben dat zij een bevriend contactpersoon bij de IND had. Het Gerecht leidt uit de verklaringen van aangevers af dat verdachte met hen heeft gesproken over een contactpersoon bij de IND, maar slechts één aangever meldt dat zij daarmee bevriend zou zijn. De overige aangevers verklaren daarover niet, zelfs niet als zij daarover specifiek door de politie worden bevraagd. Over dit deel van de ten laste gelegde feitelijke handelingen bestaat dan ook teveel twijfel en dat deel kan het Gerecht niet bewijzen.
Ten derde is in de tenlastelegging opgenomen dat aangevers – kortgezegd – persoonlijke documenten moesten aanleveren en dat verdachte gezegd heeft dat een aanbetaling vereist was om het proces in gang te kunnen zetten. Deze handelwijze kan het Gerecht vaststellen op basis van de aangiftes en de verklaring van verdachte. Het is echter een feit van algemene bekendheid dat voor welke (overheids)aanvraag dan ook, persoonlijke documenten zullen moeten worden aangeleverd. Ook volgt uit de informatie van de IND dat voor iedere aanvraag een vergoeding moest worden betaald. Met andere woorden: dat verdachte op die punten onjuiste mededelingen had gedaan over het aanvraagproces, blijkt niet.
Ten vierde is in de tenlastelegging opgenomen dat verdachte geen kwitantie had verstrekt en/of geen goede administratie had bijgehouden van de door haar ontvangen gelden. Dit kan het Gerecht vaststellen op basis van de aangiftes, maar deze handelingen leveren geen wettelijke oplichtingsmiddelen op. Immers, door zo te handelen heeft zij geen (onterecht) vertrouwen gewekt of een onjuiste voorstelling van zaken gegeven, laat staan dat zij door zo te handelen aangevers heeft bewogen tot afgifte van enig goed.
Tot slot is in de tenlastelegging opgenomen dat verdachte - kortgezegd – aangevers aan het lijntje heeft gehouden nadat aangevers verdachte hadden betaald. Deze handelwijze kan het Gerecht inderdaad vaststellen. Uit de aangiftes volgt dat verdachte nadat zij geld en documenten had ontvangen niet of nauwelijks meer te bereiken was voor aangevers. Als aangevers al contact met verdachte konden krijgen, vertelde verdachte dat het proces liep en dat de aangevers geduld moesten hebben, terwijl in realiteit verdachte helemaal geen aanvraag had ingediend, zo volgt uit haar eigen verklaring. Op deze manier heeft verdachte wel degelijk een onjuist beeld voorgespiegeld aan aangevers. Dit betreffen echter leugens nadat aangevers al tot afgifte van gelden waren overgegaan. Zij waren door deze leugens dus niet bewogen om geld aan verdachte te geven: uit de aangiftes volgt dat verdachte hierdoor juist argwaan wekte bij aangevers.
Conclusie
In deze zaak benaderden aangevers verdachte zelf met de vraag of zij een werkvergunning voor hen kon regelen. Verdachte stemde daarmee in en gaf informatie over het proces, waarvan achteraf vastgesteld kan worden dat die informatie juist was. Zij heeft geen valse naam, valse hoedanigheid, kunstgrepen of samenweefsel van verdichtsels gebruikt om aangevers te bewegen tot afgifte van geld. Oplichting kan in soortgelijke civiele zaken alsnog bewezen worden als vaststaat dat verdachte nooit de intentie of mogelijkheid had om de afspraken na te komen, maar dat is niet gebleken (en ook niet ten laste gelegd). Dat zij de afspraken uiteindelijk niet is nagekomen, is wel gebleken en dat zal mogelijk civielrechtelijke consequenties kunnen hebben. Een civielrechtelijke niet-nakoming/ ongerechtvaardigde verrijking betekent echter niet dat ook automatisch sprake is van strafrechtelijke oplichting.
Kort en goed: het Gerecht kan de (meeste) feitelijke handelingen die op de tenlastelegging staan wel bewijzen, maar die leveren geen wettelijke oplichtingsmiddel(en) op. Verdachte wordt dan ook vrijgesproken van het ten laste gelegde feit.
Het Gerecht begrijpt goed dat deze uitspraak onbevredigend zal zijn voor de aangevers en voor het rechtsgevoel in algemene zin. Dat het handelen van verdachte moreel gezien dubieus is, ziet het Gerecht. Aangevers waren afhankelijk van een werkvergunning, kennen de lokale procedures niet (goed) en verdachte heeft hen uiteindelijk in de kou laten staan. Dit maakt de juridische beoordeling echter niet anders.
Schadevergoeding
De volgende benadeelde partijen hebben zich in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
[benadeelde partij 2] ($ 5.000)
[benadeelde partij 5] ($ 6.000)
[benadeelde partij 3] ($1.200)
[benadeelde partij 1] ($ 2.300)
[benadeelde partij 4] ($ 1.800)
Nu het Gerecht de verdachte zal vrijspreken van het ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt, kunnen de benadeelde partijen niet in hun vorderingen worden ontvangen.
BESLISSING
Het Gerecht:
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte ten laste is gelegd en spreekt haar daarvan vrij;
verklaart de benadeelde partijen [benadeelde partij 2], [benadeelde partij 1], [benadeelde partij 5], [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4], niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. P.M. Leijten, bijgestaan door mr. S.D. Rodenboog, griffier, en op 3 juli 2025 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht op Bonaire.
De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
ECLI:NL:HR:2016:2889.