Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

ECLI:NL:OGEAA:2026:198

2026-07-10 Civiel recht AUA202601912 KG
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Uitspraakdatum
2026-07-10
Publicatiedatum
2026-08-13
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
AUA202601912 KG
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Opheffing executoriaal beslag. Betekening in de zin van artikel 611a Rv bij advocaat. Ook naar Arubaans procesrecht moet ervan worden uitgegaan dat de domiciliekeuze op het kantoor van de advocaat in beginsel beperkt is tot de procedure die met het eindvonnis wordt afgesloten. De executiefase volgt daarna en vormt een afzonderlijke fase.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (15.391 tekens)
Vonnis in kort geding van 10 juli 2026
Behorend bij AUA202601912 KG



GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA




VONNIS IN KORT GEDING



in de zaak van:






1[Eiser],


2. [Eiseres],
wonende in de Verenigde Staten van Amerika,
eisers,
hierna gezamenlijk te noemen: [eisers],
gemachtigden: de advocaten mrs. G. de Hoogd en G. Glas,



tegen:





1[Gedaagde 1],


2. [Gedaagde 2],
wonende in de Verenigde Staten van Amerika,
gedaagden,
hierna gezamenlijk te noemen: [gedaagden],
gemachtigde: de advocaat mr. E.M.J. Cafarzuza.





1DE PROCEDURE


1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties, ingediend op 5 juni 2026;
- de akte overlegging producties aan de zijde van [gedaagden], ingediend op 25 juni 2026;
- de akte overlegging producties aan de zijde [eisers], ingediend op25 juni 2026;
- de mondelinge behandeling van 26 juni 2026.



1.2
Vonnis is bepaald op vandaag.









2DE FEITEN


2.1 [
Eisers] en [gedaagden] zijn buren. [Gedaagden] zijn eigenaar van het perceel aan [adres 1] te Aruba en [eisers] zijn eigenaar van het aangrenzende perceel aan [adres 2].



2.2
Tussen partijen is op 25 juni 2025 een vonnis in kort geding gewezen waarin o.a. het volgende is beslist:



“Het Gerecht:





5.1

beveelt [eisers] om binnen twee weken na vandaag de afscheidingsmuur die zij heeft gebouwd op de domeingrond tussen hun perceel en dat van [gedaagden] te verwijderen en verwijderd te houden;




5.2

beveelt [eisers] om binnen twee weken na vandaag alle scheidsmuren rondom hun perceel te verlagen tot maximaal twee meter hoog;




5.3

beveelt [eisers] om binnen twee weken na vandaag alle ramen en/of openingen aan de linkerzijde van de bovenverdieping van de hoofdwoning (waarmee wordt bedoeld de kant van de woning die grenst aan het perceel van [gedaagden]) te verwijderen en verwijderd te houden;




5.4

verbiedt [eisers] om vanaf vandaag verdere bouwwerkzaamheden uit te voeren aan de in aanbouw zijnde hoofdwoning en het appartement op hun perceel, voor zover deze werkzaamheden in strijd zijn met de verleende vergunning BA 0134-2021, dan wel van een mogelijk in de toekomst door DOW te verlenen bouwvergunning;




5.5

bepaalt dat [eisers] ten behoeve van [gedaagden] een dwangsom verbeurt van Afl. 5.000,- per dag of deel daarvan dat [eisers] in gebreke blijven met het nakomen van hetgeen hiervoor is beslist onder 5.1 tot en met 5.4, tot een maximum van Afl. 500.000,- is bereikt; (..)




5.7

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;”




2.3

Op verzoek van [eisers] heeft deurwaarder [deurwaarder] op 26 juli 2025 een proces-verbaal van constatering opgesteld waaruit o.a. het volgende blijkt:

“(..) 5.1 vonnis (afscheidingsmuur):


Geconstateerd dat de afscheidingsmuur die gebouwd is op de domeingrond, is verwijderd (zie bijgevoegde foto’s).




5.2


vonnis (verlaging scheidsmuren):


Geconstateerd dat de scheidingsmuren rondom het perceel lager zijn dan 2 meter (gemiddeld 1,5 meter hoog).




5.3


vonnis (opening)


Geconstateerd dat de linkerzijde van de bovenverdieping niet grenst aan het perceel van [gedaagden]. De achterzijde van de woning grenst wel aan het perceel van [gedaagden] en dat heeft wel een opening.




5.4


vonnis (stoppen bouwwerkzaamheden):


Geconstateerd dat de werkzaamheden gestopt zijn. (..)”





2.4

Op 15 september 2025 is op verzoek van [gedaagden] een inspectierapport opgesteld waaruit o.a. het volgende blijkt:

“(..) Punt 5.1 uitspraak muur op domeingrond verwijderen.


Dit is gedaan.


Punt 5.2 uitspraak: scheidingsmuren verlagen tot 2 meter


Achtermuur is verwijderd en wordt thans herbouwd hoger dan 2 meter zie rode merkteken.


Pilaren opzij zijn zelfs hoger dan 3 meter.


Punt 5.3 uitspraak: ramen en of opening en bovendieping verwijderen en verwijderd houden.


Geconstateerd is dat de ramen en openingen in de gevel niet zijn verwijderd.


Afwijkende achtergevel. (..)”




2.5 [
Gedaagden] hebben ten laste van [eisers] executoriale beslagen gelegd, te weten een derdenbeslag onder Aruba Bank N.V. en een beslag op het perceel van [eisers] met de daarop gelegen woning en het erf. De beslagexploten zijn betekend aan het kantooradres van de advocaat van [eisers], mr. G. de Hoogd.





3DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN


3.1 [

Eisers] vorderen, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
(i) [Gedaagden] te veroordelen om binnen twee dagen na de betekening van dit vonnis over te gaan tot opheffing van alle door of namens hen ten laste van [eisers] gelegde executoriale beslagen die zijn gebaseerd op de door hen gestelde verbeurte van dwangsommen uit hoofde van het vonnis van 25 juni 2025, althans de executie van het vonnis van 25 juni 2025 te staken c.q. te schorsen totdat de bodemrechter in de procedure AUA202504203 AR onherroepelijk, althans in eerste aanleg, heeft beslist;
(ii) te bepalen dat [gedaagden] ten behoeve van [eisers], respectievelijk aan ieder van hen afzonderlijk, een dwangsom verbeuren van eenmalig Afl. 100.000,- en daarnaast Afl. 5.000,- per dag of gedeelte van de dag dat zij enig onderdeel van het onder 1 gevorderde bevel niet of niet volledig naleven;
(iii) [Gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten te veroordelen.




3.2 [
Gedaagden] voeren verweer en concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eisers] in hun vorderingen, althans tot afwijzing daarvan, met hoofdelijke veroordeling van [eisers] in de proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad.



3.3
Het Gerecht zal hierna, waar nodig, nader op de standpunten van partijen ingaan.





4DE BEOORDELING


4.1
Er zijn geen gronden gesteld of gebleken waaruit volgt dat [eisers] niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vordering. Het ontvankelijkheidsverweer van [gedaagden] wordt daarom verworpen.



4.2
In dit kort geding staat de vraag centraal of [gedaagden] de door hen gestelde verbeurde dwangsommen mogen executeren. Daartoe moet eerst worden beoordeeld of aan de vereisten van artikel 611 lid 3 Rv is voldaan, in het bijzonder of de uitspraak waarbij de dwangsommen zijn opgelegd rechtsgeldig aan [eisers] is betekend. Indien dat het geval is, komt vervolgens aan de orde of [eisers] de opgelegde verplichtingen hebben geschonden en daardoor dwangsommen zijn verbeurd.



4.3
Ten aanzien van de betekening stellen [eisers] zich op het standpunt dat de executoriale beslagen niet rechtsgeldig aan hen zijn betekend. Daartoe voeren zij aan dat de beslagexploten uitsluitend zijn betekend aan het kantooradres van hun advocaat, mr. G. de Hoogd, terwijl betekening aan henzelf had moeten plaatsvinden. In dat verband beroepen zij zich (mede) op artikel 5a Rv. [Gedaagden] betwisten dat de betekening gebrekkig is verlopen. Zij stellen zich op het standpunt dat de executoriale beslagen rechtsgeldig zijn betekend en beroepen zich daartoe op artikel 22 lid 3 Rv. Daarnaast voeren zij aan dat [eisers] kennis hebben genomen van het vonnis, daartegen – via dezelfde gemachtigden – hoger beroep hebben ingesteld en zich ook tijdens de executie door hun gemachtigden hebben laten vertegenwoordigen, onder meer doordat deze namens hen over de executie van het vonnis hebben gecorrespondeerd.



4.4
Het Gerecht overweegt (voorshands) als volgt.



4.5
Als uitgangspunt geldt dat op grond van artikel 611 lid 3 Rv een dwangsom niet kan worden verbeurd voordat de uitspraak waarbij de dwangsom is vastgesteld aan de veroordeelde is betekend. Vaststaat dat zowel het vonnis van 25 juni 2025, waarbij de dwangsommen zijn opgelegd, als de daaropvolgende executoriale beslagexploten zijn betekend aan het kantoor van mr. De Hoogd. Mr. De Hoogd heeft [eisers] bijgestaan in de procedure die heeft geleid tot het vonnis van 25 juni 2025. De vraag die voorligt is of deze betekeningen kunnen worden aangemerkt als rechtsgeldige betekeningen aan [eisers], of dat – zoals [eisers] betogen – betekening aan henzelf had moeten plaatsvinden omdat de domiciliekeuze op het kantoor van de advocaat beperkt was tot de periode van de procedure tot en met het eindvonnis.



4.6
Vooropgesteld wordt dat de vraag of betekening aan een advocaat kan gelden als betekening aan de partij zelf, moet worden beoordeeld aan de hand van de aard en reikwijdte van de woonplaatskeuze of vertegenwoordiging waarop die betekening is gebaseerd. De woonplaatskeuze bij een advocaat die in artikel 22 lid 3 Rv wordt bedoeld werkt niet zonder meer door naar alle handelingen die na het einde van de procedure plaatsvinden. De reikwijdte daarvan wordt bepaald door de aard en het doel van de woonplaatskeuze en door de fase waarin de betreffende handeling plaatsvindt. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat in zaken waarin partijen niet in persoon kunnen procederen bij de advocaat in het belang van een vlot en ongestoord verloop van het proces bij de advocaat woonplaats wordt gekozen. Na het eindvonnis kunnen exploten in beginsel uitsluitend nog geldig aan het kantoor van die advocaat worden uitgebracht indien daarmee binnen de beroepstermijn een rechtsmiddel wordt ingesteld. (HR 15 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4952, r.o. 2.2). Hierbij past in het Nederlandse procesrecht dat een partij in een zaak met verplichte procesvertegenwoordiging op grond van artikel 79 lid 2 Rv wordt geacht tot aan het eindvonnis woonplaats te hebben gekozen bij die advocaat. Deze doorwerking houdt verband met het feit dat de advocaat in die fase nog een directe procesrechtelijke rol vervult in het kader van de voortzetting van het geding. Hoewel het Arubaanse Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering geen met artikel 79 lid 2 Rv vergelijkbare bepaling kent en procesvertegenwoordiging doorgaans niet verplicht is, ziet het Gerecht aanleiding om zich bij dit uitgangspunt aan te sluiten. Ook naar Arubaans procesrecht moet ervan worden uitgegaan dat de domiciliekeuze op het kantoor van de advocaat in beginsel beperkt is tot de procedure die met het eindvonnis wordt afgesloten. De executiefase volgt daarna en vormt een afzonderlijke fase. De woonplaatskeuze op kantoor van een advocaat die een partij in de procedure heeft bijgestaan eindigt na de toezending van het eindvonnis. Voor een geldige kantoorbetekening van executie-exploten treedt daarin niet zonder meer ook op als vertegenwoordiger voor de ontvangst van executoriale exploten. De wettelijke woonplaatskeuze die is verbonden aan de procesvertegenwoordiging strekt daarom voorshands niet tot handelingen die na afloop van de procedure plaatsvinden, tenzij daarvoor een afzonderlijke grond bestaat.



4.7
Van omstandigheden die in dit geval tot een ander oordeel leiden, is niet gebleken. Niet is gesteld of gebleken dat [eisers] mr. De Hoogd na het wijzen van het vonnis van 25 juni 2025 hebben aangewezen als gekozen woonplaats voor de executiefase of hem een afzonderlijke volmacht hebben verleend om namens hen executoriale exploten in ontvangst te nemen. De omstandigheid dat mr. De Hoogd [eisers] in de procedure heeft bijgestaan, hen ook in hoger beroep vertegenwoordigt en na het vonnis namens hen met de wederpartij heeft gecorrespondeerd over de uitvoering daarvan zonder daarbij mee te delen dat de domiciliekeuze van zijn cliënten niet gold voor de executiefase, is daarvoor onvoldoende.



4.8
Nu het vonnis van 25 juni 2025 en de daaropvolgende executoriale beslagexploten naar het voorlopige oordeel van het Gerecht niet rechtsgeldig aan [eisers] zijn betekend, zijn de dwangsommen niet verbeurd. De vraag in hoeverre [eisers] de bij het vonnis van 25 juni 2025 uitgesproken veroordelingen zijn nagekomen behoeft geen bespreking.



4.9 [
Eisers] vorderen dat het Gerecht dwangsommen verbindt aan de veroordeling tot opheffing van de gelegde beslagen. Nu [gedaagden] hiertegen geen verweer hebben gevoerd, zal het Gerecht dit doen. Wel ziet het Gerecht aanleiding de gevorderde dwangsom te matigen. De omvang van de gevorderde dwangsommen staat niet in redelijke verhouding tot de aard van de hoofdveroordeling. De dwangsom zal daarom worden vastgesteld op Afl. 1.000,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [gedaagden] in gebreke blijven aan de veroordeling te voldoen, met een maximum van Afl. 25.000,-.



4.10
Nu de vorderingen van [eisers] worden toegewezen, worden [gedaagden] hoofdelijk veroordeeld in de kosten van het geding. Deze kosten worden vastgesteld op Afl. 470,- aan verschotten, Afl. 450,- aan griffierechten en Afl. 1.000,- aan gemachtigdensalaris.





5DE UITSPRAAK


Het Gerecht, rechtdoende in kort geding:



5.1
veroordeelt [gedaagden], zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk, om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis alle door of namens hen ten laste van [eisers] gelegde executoriale beslagen onder derden en/of op onroerende zaken, voor zover deze zijn gebaseerd op de gestelde verbeurte van dwangsommen uit hoofde van het vonnis van 25 juni 2025, op te heffen;



5.2
bepaalt dat [gedaagden] ten behoeve van [eisers], ieder afzonderlijk, een dwangsom verbeuren van Afl. 1.000,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet of niet volledig voldoen aan de onder 5.1 uitgesproken veroordeling, met een maximum van Afl. 25.000,-;



5.3
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, des dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten van [eisers], tot vandaag begroot op Afl. 1.920,-;



5.4
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;



5.5
wijst af het meer of anders gevorderde.


Dit vonnis is gewezen door mr. H.E. de Boer, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van vrijdag 10 juli 2026 in aanwezigheid van de griffier.