Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

ECLI:NL:OGEAA:2026:194

2026-07-08 Civiel recht AUA202304426 en AUA 2025I00003
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Uitspraakdatum
2026-07-08
Publicatiedatum
2026-08-10
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
AUA202304426 en AUA 2025I00003
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Een APR hoger dan 27% is nietig wegens strijd met de Arubaanse goede zeden en openbare orde. De in september 2019 door IFA bedongen rente is ruim 5% hoger dan is toegestaan, zodat vaststaat dat de in de kredietovereenkomst bedongen APR nietig is. Gevolgen van deze nietigheid? IFA heeft geen recht op de bedongen rentevergoeding.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.511 tekens)
Vonnis van 8 juli 2026
Behorend bij A.R. AUA202304426 en AUA 2025I00003 AR



GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA




VONNIS



in de hoofdzaak (zaaknummer AUA202304426) van:




ISLAND FINANCE (ARUBA) N.V.

te Aruba
eiseres
hierna: IFA
procederend met de advocaat mr. Susette Paesch



tegen:




[Gedaagde]

te Aruba
gedaagde
hierna: [gedaagde]
procederend met de advocaat mr. V.C. Persé




en in de zaak tot vrijwaring (zaaknummer AUA2025I00003) van:





[Gedaagde] voornoemd
eiser
procederend met de advocaat mr. V.C. Perše



tegen:




[Verweerster]

te Aruba
verweerster, hierna: [verweerster]
procederend met de advocaat mr. J.J.C. Odor.









1DE PROCEDURE


1.1
Het verloop van de procedure in de hoofdzaak blijkt uit:
- het tussenvonnis van 21 mei 2025 (tot vrijwaring), met de processtukken die in dat vonnis worden genoemd
- de conclusie van antwoord
- de conclusie van repliek
- de conclusie van dupliek
- de akte uitlating van IFA
- de akte uitlating productie van [gedaagde]
Daarna is bepaald dat in de hoofdzaak vonnis wordt gewezen. De datum van de uitspraak is vervroegd naar vandaag.



1.2
Het verloop van de procedure in de vrijwaringszaak blijkt uit:
- het tussenvonnis van 21 mei 2025 (tot vrijwaring), met de processtukken die in dat vonnis worden genoemd
- het verweerschrift
- de conclusie van repliek
- de conclusie van dupliek
- de akte uitlating van IFA
- de akte uitlating productie van [gedaagde].
Vervolgens is bepaald dat vonnis tegelijk met het vonnis in de hoofdzaak zal worden uitgesproken





2DE KERN VAN DIT VONNIS


In de hoofdzaak wordt de vordering van IFA afgewezen omdat IFA nakoming vordert van een nietig rentebeding en conversie van het rentebeding jegens [gedaagde] onredelijk zou zijn. Dit leidt ook tot afwijzing van de vordering in de vrijwaringszaak.





3DE VASTSTAANDE FEITEN



in de hoofdzaak




3.1
IFA en [gedaagde] hebben op 4 september 2019 een overeenkomst van geldlening met elkaar gesloten, hierna: de kredietovereenkomst. De kredietovereenkomst is als productie 3 bij verzoekschrift overgelegd. Daarin staat onder meer dat [gedaagde] van IFA een leenbedrag Afl 11.947,60 zou ontvangen en dat [gedaagde] aan IFA 48 maandtermijnen van Afl 425,97 zou betalen. Het totaalbedrag dat [gedaagde] in vier jaar tijd moest betalen (Afl 20.446,56) bestaat volgens de schriftelijke vastlegging van de kredietovereenkomst uit het leenbedrag, 32,77% effectieve rente en Afl 238,95 administratiekosten.



3.2
Met een deel van het leenbedrag heeft [gedaagde] een eerder bij IFA afgesloten lening afgelost. Het restant van het leenbedrag was Afl 5.000 en is aan [gedaagde] uitbetaald.



3.3 [
Gedaagde] is achter geraakt met het betalen van de maandtermijnen. Op 22 juni 2023 en 10 juli 2023 heeft IFA hem met brieven van haar advocaat aangemaand om Afl 13.985,77 te betalen. Dit bedrag bestaat uit een hoofdsom van Afl 12.118,06 en een vergoeding van Afl 1.867,71 wegens gemaakte incassokosten. [Gedaagde] heeft daar niet aan voldaan, maar heeft vanaf de maand oktober 2023 Afl 300 per maand aan IFA betaald.



in de zaak tot vrijwaring





3.4 [
Gedaagde] en [verweerster] zijn op 12 februari 2003 in Venezuela met elkaar gehuwd. Bij echtscheidingsbeschikking van 8 juni 2020 heeft het Gerecht de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. In die beschikking staat dat partijen in gemeenschap van goederen met elkaar waren gehuwd. Hun gemeenschap is niet verdeeld.





4DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN



in de hoofdzaak




4.1
IFA heeft een verzoekschrift bij het Gerecht ingediend waarmee zij van [gedaagde] (primair) betaling vordert van een hoofdsom van Afl 11.818,06, een boeterente, een vergoeding voor gemaakte incassokosten en de wettelijke rente. Voor zover de vorderingen niet worden toegewezen vraagt zij beslissingen die het Gerecht juist acht. Ook wil zij dat [gedaagde] in de proceskosten wordt veroordeeld.



4.2
De hoofdsom die IFA betaald wil hebben is lager dan de hoofdsom die in de twee ingebrekestellingen staat vermeld. Dit komt doordat IFA in het verzoekschrift uitgaat van een herberekening die zij als productie 4 bij het verzoekschrift heeft overgelegd. Daarin is de rentevergoeding op 25,810% bepaald.



4.3 [

Gedaagde] voert verweer. In zijn conclusie van antwoord verwijt hij IFA dat zij zijn ex-echtgenote niet heeft aangesproken en dat IFA, ondanks de moeite die hij heeft gedaan om zijn financiële verplichtingen zoveel mogelijk na te komen, niet over een betalingsregeling wilde praten. Hij betwist de hoogte van het openstaande bedrag en vraag om betalingsspecificaties.
Volgens de conclusie van dupliek is de bepaling in de kredietovereenkomst waarbij de rentevergoeding (effectief) op 32,77% is vastgesteld nietig wegens strijd met de goede zeden. Ook wijst [gedaagde] er in deze conclusie op dat hem van het leenbedrag slechts Afl 5.000 is uitbetaald en de rest is gebruikt om een oudere lening af te lossen.




4.4
IFA ontkent dat zij van [gedaagde] Afl 5.000 heeft ontvangen, maar gelet op de bankgegevens die [gedaagde] als productie 1 bij zijn conclusie van dupliek heeft overgelegd had IFA kunnen weten dat [gedaagde] de woorden gedaagde en eiseres door elkaar heeft gehaald. Het bedrag van Afl 5.000 is naar de bankrekening van [gedaagde] overgeschreven.



in de zaak tot vrijwaring





4.5 [
Gedaagde] wil dat voor het geval hij in de hoofdzaak wordt veroordeeld om aan IFA iets te betalen, [verweerster] wordt veroordeeld om het te betalen bedrag geheel of ten dele te vergoeden. Hij stelt daartoe dat de schuld aan IFA in de gemeenschap van goederen valt.



4.6 [
Verweerster] voert verweer. Zij voert aan niets te hebben geweten van de kredietovereenkomst. [Gedaagde] heeft die lening niet ten behoeve van de gemeenschap gebruikt. Zij en [gedaagde] woonden ten tijde van het afsluiten van het krediet op verschillende adressen. De kredietschuld is volgens haar aan [gedaagde] verknocht.





5DE BEOORDELING



de bedongen rentevergoeding is in strijd met de goede zeden




5.1
Het Hof heeft in zijn vonnis van 21 april 2020 in een zaak tussen IFA en een andere niet-professionele kredietnemer onder meer overwogen dat bij kredietverlening voor een looptijd van een jaar of langer aan consumenten met een vaste baan, waarbij geen of louter persoonlijke zekerheden (zoals borgtocht) zijn bedongen, moet worden aangenomen dat een APR hoger dan 27% nietig is wegens strijd met de Arubaanse goede zeden en openbare orde. De in september 2019 door IFA bedongen rente is ruim 5% hoger, zodat vaststaat dat de in de kredietovereenkomst bedongen APR nietig is. De vraag is dan welke gevolgen deze nietigheid heeft.






de gevolgen van de nietigheid





5.2 [
Gedaagde] verbindt aan de nietigheid het gevolg dat IFA geen vordering meer heeft. Voor zover hij daarmee bedoelt dat de gehele kredietovereenkomst nietig is en hij niet verplicht is om het leenbedrag terug te betalen, is dat onjuist. Alleen de APR is nietig en als dit rentebeding wordt weggedacht, is de kredietovereenkomst niet langer in strijd met de goede zeden en/of de openbare orde.



5.3

IFA heeft haar aanspraak op nakoming van de kredietovereenkomst bij verzoekschrift gewijzigd in een aanspraak op vergoeding van een deel van de in 2019 bedongen APR. Hiermee heeft zij impliciet artikel 3:42 BW toegepast. Dat wetsartikel houdt in:

Beantwoordt de strekking van een nietige rechtshandeling in een zodanige mate aan die van een andere, als geldig aan te merken rechtshandeling, dat aangenomen moet worden dat die andere rechtshandeling zou zijn verricht, indien van de eerstgenoemde wegens haar ongeldigheid was afgezien, dan komt haar de werking van die andere rechtshandeling toe, tenzij dit onredelijk zou zijn jegens een belanghebbende die niet tot de rechtshandeling als partij heeft medegewerkt.

Dit impliciete beroep op conversie is niet uitgewerkt, maar dat is ook niet nodig. Als geen van de beide partijen zich beroept op conversie moet de rechter toch onderzoeken of een nietige bepaling moet worden omgezet in een geldige bepaling. Dat zal de rechter doen als dat (kort gezegd) mogelijk is, tenzij het converteren niet redelijk zou zijn: Conversie is in dit geval goed mogelijk, omdat objectief gezien aangenomen moet worden dat de strekking van de nietige rentebepaling in voldoende mate beantwoordt aan een vervangende rentebepaling waarin de APR op 27% of lager wordt bepaald, zoals IFA in haar verzoekschrift heeft gedaan. Maar deze conversie mag niet plaatsvinden als dit onredelijk zou zijn voor [gedaagde]. Naar het oordeel van het Gerecht doet deze uitzondering op de hoofdregel zich hier voor. Dit vraagt om een nadere toelichting, welke het Gerecht hieronder geeft.




5.4
Met de nietigheid die het Hof in zijn vonnis van 21 april 2020 heeft vastgesteld werd beoogd om niet professionele kredietnemers te beschermen tegen het aangaan van te zware financiële verplichtingen. Het ging in dat vonnis niet alleen om de bescherming van de wederpartij van IFA (die ook partij was in die procedure) en ook niet alleen om een verplichting van uitsluitend IFA. Ook van andere Arubaanse kredietgevers mag uit hoofde van het Hofvonnis worden verlangd dat zij maximaal een APR van 27% bij hun cliënten in rekening brengen. En de uitspraak werkt uiteraard terug: alle eerder afgesloten kredietovereenkomsten waarin een hoger percentage was bedongen worden door het Hofvonnis getroffen. Het had daarom op de weg van IFA gelegen om de bestaande kredietrelaties te herzien en om, waar zij een hogere APR had bedongen, haar cliënten een renteverlaging aan te bieden. IFA heeft zich daar wat [gedaagde] betreft niet aan gehouden en heeft in de ingebrekestellingen van 22 juni 2023 en 10 juli 2023 zelfs gedreigd met rechtsmaatregelen indien [gedaagde] de nietige rentebepaling niet zou nakomen, terwijl zij beter had moeten weten. De bescherming die het Hof heeft proberen te bieden aan kredietnemers als [gedaagde] is dus niet effectief gebleken voor zover het [gedaagde] aanging. Hoeveel kredietnemers op dezelfde wijze werden en/of worden bejegend is het Gerecht onbekend, maar in dit geval gaat het bij de toets aan de redelijkheid en billijkheid uitsluitend om de relatie tussen IFA en [gedaagde]. De redelijkheid en billijkheid zijn er naar het oordeel van het Gerecht mee gediend als IFA, die kennelijk op de oude voet is doorgegaan, nadeel ondervindt van haar nalatigheid en ervoor zal zorgen dat zij als professioneel verstrekker van consumentenkrediet zich houdt aan haar zorgvuldigheidsverplichtingen. Conversie doet afbreuk aan de door het Hof beoogde bescherming. Vergelijk de jurisprudentie met betrekking tot proeftijdbedingen in arbeidsovereenkomsten: een te lange proeftijd is geen proeftijd.



5.5
Het Gerecht stelt daarom vast dat IFA geen recht heeft op de bedongen rentevergoeding. Het renteaandeel is Afl 8,498.96 (20.446,56 – 11.947,60). Van het totaal van de 48 maandtermijnen stond op 10 juli 2023 (datum ingebrekestelling) nog Afl 12.118,06 open. Na aftrek van het renteaandeel resteert daarvan Afl 3,619.10 (12.118,06 – 8.498,96). Dit restgedeelte van het leenbedrag is na juli 2023 ruimschoots afbetaald (zie productie A bij conclusie van repliek). De vordering die IFA in deze procedure heeft ingesteld zal daarom worden afgewezen. Voor veroordeling tot betaling van een boeterente en van een vergoeding van incassokosten ziet het Gerecht alleen al om deze reden geen gronden.



de slotsom in de hoofdzaak





5.6
De vordering van IFA wordt afgewezen. Het Gerecht veroordeelt IFA in de proceskosten omdat zij in het ongelijk wordt gesteld. Het begroot de kosten die [gedaagde] tot vandaag heeft gemaakt op Afl 2.000 voor gemachtigdensalaris conform het liquidatietarief (2 punten, tarief 4).



in de vrijwaringszaak





5.7
Omdat [gedaagde] niet wordt veroordeeld, wordt zijn vordering tegen [verweerster] afgewezen. De procedure in vrijwaring is direct gerelateerd aan de afwikkeling van het huwelijk van partijen. Hierin ziet het Gerecht reden om te bepalen dat de ex-echtgenoten ieder de eigen proceskosten dragen.





6DE UITSPRAAK


Het gerecht beslist:




in de hoofdzaak:



6.1
wijst de vorderingen van IFA af;



6.2
veroordeelt IFA in de proceskosten en begroot de door haar aan [gedaagde] te vergoeden kosten op Afl 2.000;



in de vrijwaringszaak:




6.3
wijst de vordering af;



6.4
bepaalt dat partijen elk de eigen kosten dragen.



Dit vonnis is gewezen door mr. H.E. de Boer, plaatsvervangend rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 juli 2026 in aanwezigheid van de griffier.







ECLI:NL:OGHACMB:2020:84


de werkelijke kostprijs voor de kredietnemer, gerekend per jaar


HR 22 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8185 LRS/Sint Willibrordus


HR 8 juli 1987, NJ 1988/232 Van Hensbergen/Albers