Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

ECLI:NL:OGEAA:2026:182

2026-03-13 Strafrecht 578 van 2025
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Uitspraakdatum
2026-03-13
Publicatiedatum
2026-07-20
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
578 van 2025
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vrijspraak vuurwapenbezit: onvoldoende overtuigend bewijs om vast te kunnen stellen dat de verdachte bewustheid had van de aanwezigheid van het vuurwapen in de auto.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.416 tekens)
Parketnummer: P-2025/02371
Zaaknummer: 578 van 2025
Uitspraak van: 13 maart 2026 op tegenspraak



GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS
in de strafzaak tegen de verdachte:




[Verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1997 in [geboorteplaats],
wonende in [woonplaats], te [adres],
hierna: de verdachte.






1Onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 februari 2026.


Ter terechtzitting waren aanwezig de officier van justitie mr. P.A.J. van der Biezen, de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. D.M. Canwood, advocaat in Aruba.





2Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd:


dat hij op of omstreeks 21 december 2025 in Aruba tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een revolver en/of een of meer scherpe patronen,
in elk geval een vuurwapen en/of munitie als bedoeld in artikel 3 lid 1 van de
Vuurwapenverordening, voorhanden heeft gehad.





3Voorvragen
Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.




4Vrijspraak
Het Gerecht acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en zal verdachte hiervan vrijspreken. Het gerecht overweegt hiertoe als volgt.


Met betrekking tot een veroordeling wegens het voorhanden hebben van wapens en munitie geldt op grond van de jurisprudentie van de Hoge Raad het volgende.



Voor een dergelijke veroordeling is vereist dat de verdachte het wapen of de munitie bewust aanwezig had. De in de rechtspraak van de Hoge Raad in dit verband gebruikte aanduiding van “een meerdere of mindere mate” van bewustheid geeft aan dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het wapen of de munitie, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van het wapen of de munitie of tot de exacte locatie van dat wapen of die munitie. Voor het bewijs van dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in een geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad.
Daarnaast vergt het aanwezig hebben van een wapen of munitie dat de verdachte feitelijke macht over het wapen of de munitie kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken. Daarvoor hoeft het wapen of de munitie zich niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden. In bijzondere gevallen volstaat de enkele mogelijkheid tot het uitoefenen van feitelijke macht over het wapen of de munitie niet voor het oordeel dat de verdachte dat wapen of die munitie voorhanden had in de zin van artikel 3 lid 1 van de Vuurwapenverordening. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer iemand onverhoeds of ongewild kortstondig een wapen of munitie van een ander in handen krijgt of wanneer iemand onverwacht kennis krijgt van de aanwezigheid in zijn nabijheid van een wapen of munitie van een ander, terwijl hij redelijkerwijs daarvan niet direct afstand kan nemen.



Uit het dossier blijkt dat de verdachte zich op 21 december 2025, het moment waarop hij werd aangehouden, in de nabijheid van een vuurwapen bevond, te weten in de auto van (een vriendin van de) medeverdachte [medeverdachte], welke auto verdachte op dat moment bestuurde. Het vuurwapen (een geladen revolver van het kaliber .38) bevond zich in de middenconsole en was gewikkeld in, althans bedekt met een kledingstuk. Vaststaat dat de verdachte kort daarvoor als bestuurder in de auto had plaatsgenomen en daarbij de medeverdachte [medeverdachte] als bestuurder had vervangen. Deze wisseling was ingegeven door de wens van de vriendin van de verdachte om niet als passagier bij hem achterop diens motorfiets te hoeven rijden. De medeverdachte heeft vervolgens als bestuurder van de motorfiets opgetreden, tot het moment dat beiden door een arrestatieteam zijn aangehouden.



Verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] ontkennen elke wetenschap van de aanwezigheid van het vuurwapen in de auto en wijzen naar elkaar als mogelijke eigenaar daarvan.
Het Gerecht is van oordeel dat er onvoldoende overtuigend bewijs in het dossier aanwezig is om vast te kunnen stellen dat de verdachte bewustheid had van de aanwezigheid van het vuurwapen in de auto.



Het Gerecht acht de verklaringen van de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte], waarin zij elkaar ervan beschuldigen de vermoedelijke eigenaar van het vuurwapen te zijn, onvoldoende betrouwbaar om de waarheid omtrent hun wetenschap van de aanwezigheid van het vuurwapen in de auto te kunnen vaststellen. Zij hebben er immers beiden belang bij hieromtrent niet naar waarheid te verklaren. Hun verklaringen vinden verder geen (overtuigende) bevestiging in ander bewijsmateriaal.
Ook het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door leden van het arrestatieteam die de verdachte hebben aangehouden, en het nader opgemaakte proces-verbaal ter verduidelijking daarvan leveren onvoldoende overtuigend bewijs dat de verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van het vuurwapen. De daarin verwoorde waarneming van één van de leden van het arrestatieteam – een kennelijk als verdacht aangemerkte “schuwende beweging” met de hand in de nabijheid van het vuurwapen – is onvoldoende concreet om vast te kunnen stellen dat de verdachte welbewust het zich in de middenconsole bevindende vuurwapen heeft willen verbergen met het kledingstuk waaronder/waarin het vuurwapen is aangetroffen. Nu verder vaststaat dat de verdachte slechts kortstondig als bestuurder van de auto heeft opgetreden, is zijn verklaring dat hij niet van de aanwezigheid van het vuurwapen op de hoogte was, ondanks dat het zich binnen handbereik bevond, niet zonder meer ongeloofwaardig. Verder is geen sporenonderzoek (vingerafdrukken, DNA) verricht aan het vuurwapen, zodat ook niet kan worden vastgesteld of de verdachte en/of de medeverdachte het ter hand hebben genomen.



De conclusie is dat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de verdachte het in de tenlastelegging genoemde vuurwapen en munitie (als pleger of medepleger) voorhanden heeft gehad, in de betekenis die de Hoge Raad daaraan geeft.



De verdachte zal daarom worden vrijgesproken.





5Op te leggen maatregel
De officier van justitie heeft gevorderd de onder verdachte in beslag genomen revolver en munitie te onttrekken aan het verkeer.


Hoewel de verdachte wordt vrijgesproken van het hem tenlastegelegde, moet niettemin worden vastgesteld dat ter zake van deze voorwerpen een strafbaar feit is begaan, te weten overtreding van artikel 3 lid 1 van de Vuurwapenverordening, strafbaar gesteld bij artikel 11 van die landsverordening.



Het Gerecht zal daarom met toepassing van artikel 1:74 lid 1, onder c, juncto artikel 1:75 van het Wetboek van Strafrecht van Aruba genoemde voorwerpen onttrekken aan het verkeer nu het voorwerpen van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.






DE BESLISSING

Het Gerecht:



verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij;



beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen revolver van het merk Smith & Wesson, model [modelnummer] met serienummer [serienummer] en vier (4) scherpe patronen van het kaliber .38 Special, voorzien van het opschrift “Cavim” .38 SPL op de bodemplaat.





Dit vonnis is gewezen door mr. W.C.E. Winfield, rechter, bijgestaan door mw. M.V. Alvarez, (zittingsgriffier), en op 13 maart 2026 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit gerecht.






Uitspraakgriffier:




HR 31 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:504