Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
ECLI:NL:OGEAA:2018:25
2018-01-09
Civiel recht
EJ. nr. 1458 van 2017/AUA201701941
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Erkenning buitenlandse notariële aktes.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.140 tekens)
Beschikking van 9 januari 2018
behorend bij EJ. nr. 1458 van 2017/AUA201701941.
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
BESCHIKKING
op het verzoek van
[de moeder],
wonende in Aruba,
VERZOEKSTER, hierna: de moeder,
procederend in persoon.
Belanghebbenden:
[vader 1], hierna de vader van de minderjarige [minderjarige 1], zonder bekende woonplaats in de Dominicaanse Republiek,
[vader 2], hierna de vader van de minderjarige [minderjarige 2], zonder bekende woonplaats in de Dominicaanse Republiek.
1DE PROCEDURE
De procedure blijkt uit:
het verzoekschrift, ingediend op 11 september 2014,
het minderjarigenverhoor op 6 november 2017;
de griffiersaantekeningen van de mondelinge behandeling van 7 november 2018, waaruit blijkt dat zijn verschenen de moeder in persoon, namens de Voogdijraad mevrouw [medewerker]. De vaders zijn, ondanks daartoe behoorlijk te zijn opgeroepen, niet verschenen.
De uitspraak is bepaald op heden.
2DE FEITEN
2.1
Uit de moeder is in de Dominicaanse Republiek op [geboortedatum] 2000 geboren [minderjarige 2] en op [geboortedatum] 2003 geboren [minderjarige 1] (hierna: de minderjarigen).
2.2
De vader van de minderjarige [minderjarige 2] heeft die minderjarige op [datum] 2000 erkend en de vader van de minderjarige [minderjarige 1] heeft die minderjarige op [datum] 2003 erkend. De vaders wonen in de Dominicaanse Republiek.
2.3
De minderjarigen wonen sinds 2012 bij de moeder in Aruba.
2.4
Voornoemde vaders hebben op 12 oktober 2016 in de Dominicaanse Republiek tegenover een notaris verklaard dat zij de guarda, cuidado y custodia over de minderjarigen overdragen aan de moeder, opdat de minderjarigen bij haar in Aruba kunnen blijven wonen.
3HET VERZOEK
Het verzoek strekt - naar het gerecht begrijpt - tot afgifte van een verklaring als bedoeld in artikel 1:26 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) ter zake van voornoemde notariele aktes van 12 oktober 2016. Daartoe is ter zitting gesteld dat het in het belang van de minderjarigen is dat voornoemde aktes in Aruba worden erkend opdat hun verblijfsstatus hier te lande geregeld kan worden.
4DE BEOORDELING
4.1
Op grond van artikel 1:26 BW kan het gerecht een verklaring voor recht afgeven dat een buiten Aruba opgemaakte akte of gedane uitspraak overeenkomstig plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie is opgemaakt of gedaan, en naar zijn aard vatbaar is voor opneming in een register van de burgerlijke stand.
4.2
Voornoemde aktes van 12 oktober 2016 zijn naar hun aard niet vatbaar voor opneming in een register van de burgerlijke stand, aangezien die registers geen informatie omtrent voogdij c.q. gezag over minderjarigen bevatten. Het verzoek is reeds daarom niet toewijsbaar.
4.3
Ten overvloede zij het volgende overwogen. Ingevolge artikel 374 van de Codigo Civil de la Republica Dominicana is de moeder van een natuurlijk kind van rechtswege alleen belast met het ouderlijk gezag (la autoridad del padre y la madre) over dat kind en kan de vader, die het kind binnen drie maanden na diens geboorte erkend, het gerecht (el tribunal) verzoeken om eenhoofdig of gezamenlijk gezag. Dat de vaders in Santo Domingo een dergelijk verzoek hebben gedaan, is niet gebleken. Het gerecht gaat er daarom van uit dat de vaders niet met het gezag over de minderjarigen zijn belast.
5DE BESLISSING
Het gerecht:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.M.D. Angela, rechter in dit gerecht en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van dinsdag 9 januari 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.
behorend bij EJ. nr. 1458 van 2017/AUA201701941.
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
BESCHIKKING
op het verzoek van
[de moeder],
wonende in Aruba,
VERZOEKSTER, hierna: de moeder,
procederend in persoon.
Belanghebbenden:
[vader 1], hierna de vader van de minderjarige [minderjarige 1], zonder bekende woonplaats in de Dominicaanse Republiek,
[vader 2], hierna de vader van de minderjarige [minderjarige 2], zonder bekende woonplaats in de Dominicaanse Republiek.
1DE PROCEDURE
De procedure blijkt uit:
het verzoekschrift, ingediend op 11 september 2014,
het minderjarigenverhoor op 6 november 2017;
de griffiersaantekeningen van de mondelinge behandeling van 7 november 2018, waaruit blijkt dat zijn verschenen de moeder in persoon, namens de Voogdijraad mevrouw [medewerker]. De vaders zijn, ondanks daartoe behoorlijk te zijn opgeroepen, niet verschenen.
De uitspraak is bepaald op heden.
2DE FEITEN
2.1
Uit de moeder is in de Dominicaanse Republiek op [geboortedatum] 2000 geboren [minderjarige 2] en op [geboortedatum] 2003 geboren [minderjarige 1] (hierna: de minderjarigen).
2.2
De vader van de minderjarige [minderjarige 2] heeft die minderjarige op [datum] 2000 erkend en de vader van de minderjarige [minderjarige 1] heeft die minderjarige op [datum] 2003 erkend. De vaders wonen in de Dominicaanse Republiek.
2.3
De minderjarigen wonen sinds 2012 bij de moeder in Aruba.
2.4
Voornoemde vaders hebben op 12 oktober 2016 in de Dominicaanse Republiek tegenover een notaris verklaard dat zij de guarda, cuidado y custodia over de minderjarigen overdragen aan de moeder, opdat de minderjarigen bij haar in Aruba kunnen blijven wonen.
3HET VERZOEK
Het verzoek strekt - naar het gerecht begrijpt - tot afgifte van een verklaring als bedoeld in artikel 1:26 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) ter zake van voornoemde notariele aktes van 12 oktober 2016. Daartoe is ter zitting gesteld dat het in het belang van de minderjarigen is dat voornoemde aktes in Aruba worden erkend opdat hun verblijfsstatus hier te lande geregeld kan worden.
4DE BEOORDELING
4.1
Op grond van artikel 1:26 BW kan het gerecht een verklaring voor recht afgeven dat een buiten Aruba opgemaakte akte of gedane uitspraak overeenkomstig plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie is opgemaakt of gedaan, en naar zijn aard vatbaar is voor opneming in een register van de burgerlijke stand.
4.2
Voornoemde aktes van 12 oktober 2016 zijn naar hun aard niet vatbaar voor opneming in een register van de burgerlijke stand, aangezien die registers geen informatie omtrent voogdij c.q. gezag over minderjarigen bevatten. Het verzoek is reeds daarom niet toewijsbaar.
4.3
Ten overvloede zij het volgende overwogen. Ingevolge artikel 374 van de Codigo Civil de la Republica Dominicana is de moeder van een natuurlijk kind van rechtswege alleen belast met het ouderlijk gezag (la autoridad del padre y la madre) over dat kind en kan de vader, die het kind binnen drie maanden na diens geboorte erkend, het gerecht (el tribunal) verzoeken om eenhoofdig of gezamenlijk gezag. Dat de vaders in Santo Domingo een dergelijk verzoek hebben gedaan, is niet gebleken. Het gerecht gaat er daarom van uit dat de vaders niet met het gezag over de minderjarigen zijn belast.
5DE BESLISSING
Het gerecht:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.M.D. Angela, rechter in dit gerecht en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van dinsdag 9 januari 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.