Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2026:612
2026-04-10
Bestuursrecht; Belastingrecht
24/00708
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
HR: 81.1 RO.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2026:522 Hoge Raad 27-03-2026
- ECLI:NL:HR:2025:1974 Hoge Raad 19-12-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.093 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 24/00708
Datum 10 april 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE AMSTELVEEN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 21 december 2023, nr. 22/2436, betreffende een verzoek van belanghebbende om herziening van de uitspraak van dat Hof van 7 januari 2020, nr. 17/00244.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
Na het verstrijken van de cassatietermijn heeft belanghebbende een geschrift ingediend. De Hoge Raad slaat op dat stuk geen acht.
Belanghebbende heeft verzoeken om wraking ingediend, die niet zijn toegewezen.
2Beoordeling van de klachten
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026.
HR 27 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:522 en HR 19 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1974.
BELASTINGKAMER
Nummer 24/00708
Datum 10 april 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE AMSTELVEEN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 21 december 2023, nr. 22/2436, betreffende een verzoek van belanghebbende om herziening van de uitspraak van dat Hof van 7 januari 2020, nr. 17/00244.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
Na het verstrijken van de cassatietermijn heeft belanghebbende een geschrift ingediend. De Hoge Raad slaat op dat stuk geen acht.
Belanghebbende heeft verzoeken om wraking ingediend, die niet zijn toegewezen.
2Beoordeling van de klachten
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026.
HR 27 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:522 en HR 19 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1974.