Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2025:684
2025-04-25
Bestuursrecht; Belastingrecht
23/02837
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
HR: 81.1 RO.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (18)
- ECLI:NL:RBOVE:2026:578 Rechtbank Overijssel 27-01-2026
- ECLI:NL:RBOVE:2026:399 Rechtbank Overijssel 27-01-2026
- ECLI:NL:RBOVE:2026:180 Rechtbank Overijssel 13-01-2026
- ECLI:NL:RBOVE:2026:281 Rechtbank Overijssel 06-01-2026
- ECLI:NL:RBOVE:2025:7453 Rechtbank Overijssel 16-12-2025
- ECLI:NL:RBOVE:2025:7105 Rechtbank Overijssel 25-11-2025
- ECLI:NL:RBOVE:2025:6300 Rechtbank Overijssel 28-10-2025
- ECLI:NL:RBOVE:2025:6121 Rechtbank Overijssel 14-10-2025
- ECLI:NL:RBOVE:2025:6119 Rechtbank Overijssel 14-10-2025
- ECLI:NL:RBOVE:2025:6144 Rechtbank Overijssel 23-09-2025
- ECLI:NL:RBOVE:2025:5723 Rechtbank Overijssel 23-09-2025
- ECLI:NL:RBOVE:2025:6143 Rechtbank Overijssel 23-09-2025
- ECLI:NL:RBOVE:2025:5596 Rechtbank Overijssel 16-09-2025
- ECLI:NL:RBOVE:2025:5297 Rechtbank Overijssel 26-08-2025
- ECLI:NL:RBOVE:2025:5303 Rechtbank Overijssel 26-08-2025
- ECLI:NL:RBOVE:2025:5233 Rechtbank Overijssel 19-08-2025
- ECLI:NL:RBOVE:2025:5556 Rechtbank Overijssel 12-08-2025
- ECLI:NL:RBOVE:2025:5085 Rechtbank Overijssel 29-07-2025
Volledige tekst
Volledige tekst (1.872 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 23/02837
Datum 25 april 2025
ARREST
in de zaak van
[X]
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 8 juni 2023, nr. SGR 22/8332 V, op het verzet van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 17 maart 2023.
1Geding in cassatie
[X] heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank op het verzet beroep in cassatie ingesteld.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
[X] heeft een conclusie van repliek ingediend.
2Beoordeling van de klachten
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de Rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 25 april 2025.
BELASTINGKAMER
Nummer 23/02837
Datum 25 april 2025
ARREST
in de zaak van
[X]
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 8 juni 2023, nr. SGR 22/8332 V, op het verzet van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 17 maart 2023.
1Geding in cassatie
[X] heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank op het verzet beroep in cassatie ingesteld.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
[X] heeft een conclusie van repliek ingediend.
2Beoordeling van de klachten
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de Rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 25 april 2025.