Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2023:1493
2023-10-27
Bestuursrecht; Belastingrecht
22/02801
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Wet WOZ; artikel 6:5, lid 1, aanhef en letter d, Awb; motivering bezwaar.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (26)
- ECLI:NL:RBMNE:2026:4413 Rechtbank Midden-Nederland 13-07-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:4327 Rechtbank Midden-Nederland 13-07-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:4328 Rechtbank Midden-Nederland 13-07-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:4329 Rechtbank Midden-Nederland 13-07-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:4330 Rechtbank Midden-Nederland 13-07-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:4331 Rechtbank Midden-Nederland 13-07-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:4332 Rechtbank Midden-Nederland 13-07-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:4333 Rechtbank Midden-Nederland 13-07-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:4335 Rechtbank Midden-Nederland 13-07-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:4336 Rechtbank Midden-Nederland 13-07-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:4340 Rechtbank Midden-Nederland 13-07-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:4341 Rechtbank Midden-Nederland 13-07-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:4342 Rechtbank Midden-Nederland 13-07-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:4343 Rechtbank Midden-Nederland 13-07-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:4344 Rechtbank Midden-Nederland 13-07-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:4345 Rechtbank Midden-Nederland 13-07-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:4346 Rechtbank Midden-Nederland 13-07-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:4348 Rechtbank Midden-Nederland 13-07-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:4349 Rechtbank Midden-Nederland 13-07-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:4418 Rechtbank Midden-Nederland 13-07-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:4354 Rechtbank Midden-Nederland 13-07-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:4351 Rechtbank Midden-Nederland 13-07-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:4411 Rechtbank Midden-Nederland 13-07-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2361 Gerechtshof Den Haag 23-10-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:365 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 07-02-2024
- ECLI:NL:GHARL:2023:10798 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19-12-2023
Volledige tekst
Volledige tekst (3.524 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 22/02801
Datum 27 oktober 2023
ARREST
in de zaak van
het DAGELIJKS BESTUUR VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK BELASTINGKANTOOR LOCOCENSUS-TRICIJN
tegen
[X] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Overijssel van 8 juni 2022, nr. ZWO 21/1587, op het verzet van de heffingsambtenaar tegen een uitspraak van de Rechtbank van 21 februari 2022 betreffende de beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaak voor het jaar 2021. De uitspraak van de Rechtbank op het verzet is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Het dagelijks bestuur van het Gemeenschappelijk Belastingkantoor Lococensus-Tricijn, vertegenwoordigd door [P], heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank op het verzet beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2Beoordeling van de klachten
2.1
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een tot haar gerichte beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) waarbij de waarde van een aan haar toebehorende onroerende zaak is vastgesteld. Het bezwaarschrift houdt in: “Ik ben het niet eens met de door u bepaalde WOZ-waarde op deze aanslag.”
2.2
De Rechtbank heeft in de bestreden uitspraak geoordeeld dat het bezwaarschrift hiermee voldoet aan de voorwaarde van artikel 6:5, lid 1, aanhef en letter d, Awb dat het bezwaarschrift de gronden van het bezwaar bevat. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar daarom ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard, aldus de Rechtbank.
2.3.1
De hiertegen gerichte klacht wijst erop dat met ingang van 1 oktober 2015 de mogelijkheid bestaat om ook tegen een te lage WOZ-waarde op te komen. De klacht faalt voor zover die betoogt dat als gevolg daarvan een bezwaar dat is gericht tegen de vaststelling van de waarde van een onroerende zaak op grond van de Wet WOZ, niet naar de eisen van artikel 6:5, lid 1, aanhef en letter d, Awb is gemotiveerd indien daaruit niet blijkt of de indiener van dat bezwaarschrift een hogere dan wel een lagere waarde van die zaak bepleit. Dat betoog vindt geen steun in het recht.
2.3.2
Ook voor het overige faalt de klacht. Het oordeel van de Rechtbank geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot het bepaalde in artikel 6:5, lid 1, aanhef en letter d, Awb. Voor het overige kan dit oordeel, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het is niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering.
3Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2023.
Van het dagelijks bestuur van het Gemeenschappelijk Belastingkantoor Lococensus-Tricijn wordt een griffierecht geheven van € 548.
BELASTINGKAMER
Nummer 22/02801
Datum 27 oktober 2023
ARREST
in de zaak van
het DAGELIJKS BESTUUR VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK BELASTINGKANTOOR LOCOCENSUS-TRICIJN
tegen
[X] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Overijssel van 8 juni 2022, nr. ZWO 21/1587, op het verzet van de heffingsambtenaar tegen een uitspraak van de Rechtbank van 21 februari 2022 betreffende de beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaak voor het jaar 2021. De uitspraak van de Rechtbank op het verzet is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Het dagelijks bestuur van het Gemeenschappelijk Belastingkantoor Lococensus-Tricijn, vertegenwoordigd door [P], heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank op het verzet beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2Beoordeling van de klachten
2.1
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een tot haar gerichte beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) waarbij de waarde van een aan haar toebehorende onroerende zaak is vastgesteld. Het bezwaarschrift houdt in: “Ik ben het niet eens met de door u bepaalde WOZ-waarde op deze aanslag.”
2.2
De Rechtbank heeft in de bestreden uitspraak geoordeeld dat het bezwaarschrift hiermee voldoet aan de voorwaarde van artikel 6:5, lid 1, aanhef en letter d, Awb dat het bezwaarschrift de gronden van het bezwaar bevat. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar daarom ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard, aldus de Rechtbank.
2.3.1
De hiertegen gerichte klacht wijst erop dat met ingang van 1 oktober 2015 de mogelijkheid bestaat om ook tegen een te lage WOZ-waarde op te komen. De klacht faalt voor zover die betoogt dat als gevolg daarvan een bezwaar dat is gericht tegen de vaststelling van de waarde van een onroerende zaak op grond van de Wet WOZ, niet naar de eisen van artikel 6:5, lid 1, aanhef en letter d, Awb is gemotiveerd indien daaruit niet blijkt of de indiener van dat bezwaarschrift een hogere dan wel een lagere waarde van die zaak bepleit. Dat betoog vindt geen steun in het recht.
2.3.2
Ook voor het overige faalt de klacht. Het oordeel van de Rechtbank geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot het bepaalde in artikel 6:5, lid 1, aanhef en letter d, Awb. Voor het overige kan dit oordeel, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het is niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering.
3Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2023.
Van het dagelijks bestuur van het Gemeenschappelijk Belastingkantoor Lococensus-Tricijn wordt een griffierecht geheven van € 548.