Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2022:22
2022-01-14
Bestuursrecht; Belastingrecht
21/02126
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
HR verklaart het verzoek tot herziening n-o.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2021:715 Hoge Raad 07-05-2021
Geciteerd door (1)
- ECLI:NL:GHARL:2024:2797 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23-04-2024
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (1.836 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 21/02126
Datum 14 januari 2022
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
op het verzoek tot herziening van het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 7 mei 2021, nr. 21/00144, ECLI:NL:HR:2021:715.
1Beoordeling van de ontvankelijkheid van het verzoek tot herziening
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 18 juni 2021 gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht ter zake van het verzoek tot herziening en voor de betaling daarvan een termijn van vier weken gesteld. Deze brief is volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL afgeleverd op het door belanghebbende opgegeven adres. Het griffierecht is niet voldaan.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij brief van 20 juli 2021 in de gelegenheid gesteld mee te delen waarom het griffierecht niet tijdig is betaald. Belanghebbende heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.
Het verzoek tot herziening moet daarom op grond van artikel 8:41, lid 6, tweede volzin, in samenhang gelezen met artikel 29 AWR en artikel 8:119, lid 2, van de Awb niet-ontvankelijk worden verklaard.
2Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
3Beslissing
De Hoge Raad verklaart het verzoek tot herziening niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en J.A.R. van Eijsden, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2022.
BELASTINGKAMER
Nummer 21/02126
Datum 14 januari 2022
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
op het verzoek tot herziening van het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 7 mei 2021, nr. 21/00144, ECLI:NL:HR:2021:715.
1Beoordeling van de ontvankelijkheid van het verzoek tot herziening
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 18 juni 2021 gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht ter zake van het verzoek tot herziening en voor de betaling daarvan een termijn van vier weken gesteld. Deze brief is volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL afgeleverd op het door belanghebbende opgegeven adres. Het griffierecht is niet voldaan.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij brief van 20 juli 2021 in de gelegenheid gesteld mee te delen waarom het griffierecht niet tijdig is betaald. Belanghebbende heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.
Het verzoek tot herziening moet daarom op grond van artikel 8:41, lid 6, tweede volzin, in samenhang gelezen met artikel 29 AWR en artikel 8:119, lid 2, van de Awb niet-ontvankelijk worden verklaard.
2Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
3Beslissing
De Hoge Raad verklaart het verzoek tot herziening niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en J.A.R. van Eijsden, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2022.