Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2021:555
2021-04-09
Bestuursrecht; Belastingrecht
20/03703
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
HR verklaart het beroep in cassatie n-o met toepassing van artikel 80a RO.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (4)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:698 Gerechtshof Den Haag 06-03-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:698 Gerechtshof Den Haag 06-03-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2611 Gerechtshof Den Haag 20-11-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:67 Gerechtshof Den Haag 09-01-2024
Volledige tekst
Volledige tekst (1.716 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 20/03703
Datum 9 april 2021
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
(vertegenwoordigd door G.T.K. Meussen)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 6 oktober 2020, nr. 19/01389, op het hoger beroep van de heffingsambtenaar tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 19/701) betreffende een door belanghebbende gedaan verzoek om een veroordeling in de proceskosten.
1Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie
De Hoge Raad heeft de aangevoerde klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De procureur-generaal bij de Hoge Raad heeft de gelegenheid gekregen een advies uit te brengen.
De Hoge Raad is tot het oordeel gekomen dat het cassatieberoep duidelijk niet kan slagen. Hij zal daarom gebruikmaken van de mogelijkheid om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren (zie artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie).
2Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
3Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet–ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en M.T. Boerlage, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2021.
BELASTINGKAMER
Nummer 20/03703
Datum 9 april 2021
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
(vertegenwoordigd door G.T.K. Meussen)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 6 oktober 2020, nr. 19/01389, op het hoger beroep van de heffingsambtenaar tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 19/701) betreffende een door belanghebbende gedaan verzoek om een veroordeling in de proceskosten.
1Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie
De Hoge Raad heeft de aangevoerde klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De procureur-generaal bij de Hoge Raad heeft de gelegenheid gekregen een advies uit te brengen.
De Hoge Raad is tot het oordeel gekomen dat het cassatieberoep duidelijk niet kan slagen. Hij zal daarom gebruikmaken van de mogelijkheid om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren (zie artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie).
2Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
3Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet–ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en M.T. Boerlage, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2021.