Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2021:1514
2021-10-15
Bestuursrecht; Belastingrecht
21/00336
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
HR verklaart het beroep in cassatie n-o.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (3.052 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 21/00336
Datum 15 oktober 2021
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 30 december 2020, nrs. BRE 19/968 en 19/970, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 28 augustus 2020.
1Beoordeling van de ontvankelijkheid van beroep in cassatie
Belanghebbende heeft ter zake van betaling van het verschuldigde griffierecht een beroep op betalingsonmacht gedaan.
De griffier van de Hoge Raad (hierna: de griffier) heeft op 6 april 2021 in het digitaal dossier van belanghebbende een bericht geplaatst waarbij belanghebbende in de gelegenheid is gesteld binnen twee weken door middel van stukken haar betalingsonmacht alsmede die van haar bestuurder en aandeelhouder(s) aan te tonen.
Van de plaatsing van het hiervoor vermelde bericht in het digitaal dossier van belanghebbende is eveneens op 6 april 2021 een notificatie verzonden naar het door belanghebbende voor dit doel opgegeven e–mailadres.
De gevraagde stukken zijn niet overgelegd waarna de griffier de heffing van het griffierecht heeft voortgezet. Voorts heeft de griffier in het op 26 april 2021 in het digitaal dossier van belanghebbende geplaatste bericht erop gewezen dat het voor de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigde griffierecht niet € 134 maar € 541 bedraagt.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 8 juni 2021 gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en voor de betaling daarvan een termijn van vier weken gesteld. Deze brief is volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL afgeleverd op het door belanghebbende opgegeven adres. Het griffierecht is niet tot het verschuldigde bedrag voldaan.
De griffier van de Hoge Raad heeft op 8 juli 2021 een bericht in het digitaal dossier van belanghebbende geplaatst waarbij belanghebbende in de gelegenheid is gesteld mee te delen waarom het griffierecht niet volledig is betaald. Hetgeen belanghebbende in de via het webportaal van de Hoge Raad ingediende brief van 5 augustus 2021 aanvoert, vormt geen grond voor het oordeel dat belanghebbende niet in verzuim is geweest.
Het beroep in cassatie moet daarom op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb niet–ontvankelijk worden verklaard.
2Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
3Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2021.
BELASTINGKAMER
Nummer 21/00336
Datum 15 oktober 2021
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 30 december 2020, nrs. BRE 19/968 en 19/970, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 28 augustus 2020.
1Beoordeling van de ontvankelijkheid van beroep in cassatie
Belanghebbende heeft ter zake van betaling van het verschuldigde griffierecht een beroep op betalingsonmacht gedaan.
De griffier van de Hoge Raad (hierna: de griffier) heeft op 6 april 2021 in het digitaal dossier van belanghebbende een bericht geplaatst waarbij belanghebbende in de gelegenheid is gesteld binnen twee weken door middel van stukken haar betalingsonmacht alsmede die van haar bestuurder en aandeelhouder(s) aan te tonen.
Van de plaatsing van het hiervoor vermelde bericht in het digitaal dossier van belanghebbende is eveneens op 6 april 2021 een notificatie verzonden naar het door belanghebbende voor dit doel opgegeven e–mailadres.
De gevraagde stukken zijn niet overgelegd waarna de griffier de heffing van het griffierecht heeft voortgezet. Voorts heeft de griffier in het op 26 april 2021 in het digitaal dossier van belanghebbende geplaatste bericht erop gewezen dat het voor de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigde griffierecht niet € 134 maar € 541 bedraagt.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 8 juni 2021 gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en voor de betaling daarvan een termijn van vier weken gesteld. Deze brief is volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL afgeleverd op het door belanghebbende opgegeven adres. Het griffierecht is niet tot het verschuldigde bedrag voldaan.
De griffier van de Hoge Raad heeft op 8 juli 2021 een bericht in het digitaal dossier van belanghebbende geplaatst waarbij belanghebbende in de gelegenheid is gesteld mee te delen waarom het griffierecht niet volledig is betaald. Hetgeen belanghebbende in de via het webportaal van de Hoge Raad ingediende brief van 5 augustus 2021 aanvoert, vormt geen grond voor het oordeel dat belanghebbende niet in verzuim is geweest.
Het beroep in cassatie moet daarom op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb niet–ontvankelijk worden verklaard.
2Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
3Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2021.