Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2019:924
2019-06-14
Bestuursrecht; Belastingrecht
19/01059
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
HR verklaart het beroep in cassatie n-o met toepassing van art. 80a RO.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2018:295 Hoge Raad 02-03-2018
- ECLI:NL:HR:2019:288 Hoge Raad 22-02-2019
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (1.637 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 19/01059
Datum 14 juni 2019
ARREST
In de zaak van
[X1] en [X2] te [Z]
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het verzoek tot herziening van de arresten van de Hoge Raad der Nederlanden van 2 maart 2018, nr. 17/2830, ECLI:NL:HR:2018:295, en 22 februari 2019, nr. 18/04725, ECLI:NL:HR:2019:288.
1Beoordeling van de ontvankelijkheid van het verzoek tot herziening
De Hoge Raad is van oordeel dat het ingediende verzoek geen behandeling in cassatie rechtvaardigt omdat het klaarblijkelijk niet tot herziening van de hiervoor vermelde arresten en daarom niet tot cassatie kan leiden, aangezien het verzoekschrift geen feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119, lid 1, van de Awb behelst.
De Hoge Raad zal daarom – gezien artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het verzoek niet-ontvankelijk verklaren.
2Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
3Beslissing
De Hoge Raad verklaart het verzoek tot herziening niet‑ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2019.
BELASTINGKAMER
Nummer 19/01059
Datum 14 juni 2019
ARREST
In de zaak van
[X1] en [X2] te [Z]
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het verzoek tot herziening van de arresten van de Hoge Raad der Nederlanden van 2 maart 2018, nr. 17/2830, ECLI:NL:HR:2018:295, en 22 februari 2019, nr. 18/04725, ECLI:NL:HR:2019:288.
1Beoordeling van de ontvankelijkheid van het verzoek tot herziening
De Hoge Raad is van oordeel dat het ingediende verzoek geen behandeling in cassatie rechtvaardigt omdat het klaarblijkelijk niet tot herziening van de hiervoor vermelde arresten en daarom niet tot cassatie kan leiden, aangezien het verzoekschrift geen feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119, lid 1, van de Awb behelst.
De Hoge Raad zal daarom – gezien artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het verzoek niet-ontvankelijk verklaren.
2Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
3Beslissing
De Hoge Raad verklaart het verzoek tot herziening niet‑ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2019.