Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2018:2039
2018-11-02
Bestuursrecht; Belastingrecht
18/01138
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
HR verklaart het beroep in cassatie n-o.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2015:354 Hoge Raad 20-02-2015
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.380 tekens)
2 november 2018
Nr. 18/01138
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie, ingediend door [A] te [Q], tegen de uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland van 5 februari 2018, nrs. HAA 17/3316 en 17/3317 V, op verzet van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank van 30 oktober 2017 betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2014 en 2015 opgelegde aanslagen in de vennootschapsbelasting.
1Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie
De griffier van de Hoge Raad heeft de indiener van het beroepschrift in cassatie (hierna: de indiener) bij aangetekende brief van 21 april 2018, die volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL is afgeleverd op het door de indiener opgegeven adres, gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en voor de betaling een termijn van vier weken gesteld. Die termijn eindigde op 21 mei 2018. Het griffierecht is niet voldaan.
De griffier van de Hoge Raad heeft de indiener bij brief van 25 mei 2018, die volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL is afgeleverd op het door de indiener opgegeven adres, in de gelegenheid gesteld mee te delen waarom het griffierecht niet tijdig is betaald.
De indiener heeft niet op deze brief gereageerd. Hetgeen de indiener in zijn brief van 22 mei 2018 - ingekomen ter griffie van de Hoge Raad op 25 mei 2018 - aanvoert, vormt geen grond voor het oordeel dat de indiener niet in verzuim is geweest. Voor zover die brief als een beroep op betalingsonmacht ten aanzien van het verschuldigde griffierecht dient te worden gezien, moet dat beroep als te laat gedaan buiten beschouwing blijven (zie HR 20 februari 2015, nr. 14/05176, ECLI:NL:HR:2015:354, onderdeel 2.3.5).
Het beroep in cassatie moet op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.
2Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
3Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 2 november 2018.
Nr. 18/01138
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie, ingediend door [A] te [Q], tegen de uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland van 5 februari 2018, nrs. HAA 17/3316 en 17/3317 V, op verzet van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank van 30 oktober 2017 betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2014 en 2015 opgelegde aanslagen in de vennootschapsbelasting.
1Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie
De griffier van de Hoge Raad heeft de indiener van het beroepschrift in cassatie (hierna: de indiener) bij aangetekende brief van 21 april 2018, die volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL is afgeleverd op het door de indiener opgegeven adres, gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en voor de betaling een termijn van vier weken gesteld. Die termijn eindigde op 21 mei 2018. Het griffierecht is niet voldaan.
De griffier van de Hoge Raad heeft de indiener bij brief van 25 mei 2018, die volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL is afgeleverd op het door de indiener opgegeven adres, in de gelegenheid gesteld mee te delen waarom het griffierecht niet tijdig is betaald.
De indiener heeft niet op deze brief gereageerd. Hetgeen de indiener in zijn brief van 22 mei 2018 - ingekomen ter griffie van de Hoge Raad op 25 mei 2018 - aanvoert, vormt geen grond voor het oordeel dat de indiener niet in verzuim is geweest. Voor zover die brief als een beroep op betalingsonmacht ten aanzien van het verschuldigde griffierecht dient te worden gezien, moet dat beroep als te laat gedaan buiten beschouwing blijven (zie HR 20 februari 2015, nr. 14/05176, ECLI:NL:HR:2015:354, onderdeel 2.3.5).
Het beroep in cassatie moet op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.
2Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
3Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 2 november 2018.