Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2018:1193
2018-07-13
Bestuursrecht; Belastingrecht
17/03670
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.991 tekens)
13 juli 2018
nr. 17/03670
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 11 juli 2017, nr.16/01231, betreffende een aan belanghebbende over het tijdvak 1 januari 2014 tot en met 31 maart 2014 opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting en de daarbij gegeven boetebeschikking.
1Boordeling van de ontvankelijkheid
Na het verstrijken van de cassatietermijn heeft belanghebbende nog een geschrift ingediend. Daartoe biedt de wet evenwel niet de mogelijkheid. De Hoge Raad slaat op dat stuk, ingekomen ter griffie van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 12 september 2017, daarom geen acht.
Belanghebbende heeft ter zake van betaling van het griffierecht een beroep op betalingsonmacht gedaan.
Bij brief van de griffier van 8 november 2017 is belanghebbende ervan in kennis gesteld dat het beroep op betalingsonmacht wordt afgewezen, alsmede van de redenen daarvoor. Tevens is in die brief meegedeeld dat bij niet-tijdige betaling van het griffierecht het beroep in cassatie niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
De griffier heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 12 december 2017, die volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL is afgeleverd op het door belanghebbende opgegeven adres, gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en voor de betaling een termijn van vier weken gesteld. Het griffierecht is niet binnen de gestelde termijn voldaan.
De griffier heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 11 januari 2018, die volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL is afgeleverd op het door belanghebbende opgegeven adres, in de gelegenheid gesteld mee te delen waarom het griffierecht niet tijdig is betaald. Belanghebbende heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.
Niet-ontvankelijkverklaring van het beroep blijft op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. In verband daarmee is onderzocht of de inkomens- en vermogenspositie van belanghebbende en zijn partner ertoe hebben geleid dat het griffierecht niet is betaald. De Hoge Raad is op grond van de door de griffier bij de Raad voor Rechtsbijstand opgevraagde inkomensgegevens van belanghebbende en zijn partner van oordeel dat dit niet het geval is. Het beroep in cassatie moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
2Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
3Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2018.
nr. 17/03670
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 11 juli 2017, nr.16/01231, betreffende een aan belanghebbende over het tijdvak 1 januari 2014 tot en met 31 maart 2014 opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting en de daarbij gegeven boetebeschikking.
1Boordeling van de ontvankelijkheid
Na het verstrijken van de cassatietermijn heeft belanghebbende nog een geschrift ingediend. Daartoe biedt de wet evenwel niet de mogelijkheid. De Hoge Raad slaat op dat stuk, ingekomen ter griffie van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 12 september 2017, daarom geen acht.
Belanghebbende heeft ter zake van betaling van het griffierecht een beroep op betalingsonmacht gedaan.
Bij brief van de griffier van 8 november 2017 is belanghebbende ervan in kennis gesteld dat het beroep op betalingsonmacht wordt afgewezen, alsmede van de redenen daarvoor. Tevens is in die brief meegedeeld dat bij niet-tijdige betaling van het griffierecht het beroep in cassatie niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
De griffier heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 12 december 2017, die volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL is afgeleverd op het door belanghebbende opgegeven adres, gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en voor de betaling een termijn van vier weken gesteld. Het griffierecht is niet binnen de gestelde termijn voldaan.
De griffier heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 11 januari 2018, die volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL is afgeleverd op het door belanghebbende opgegeven adres, in de gelegenheid gesteld mee te delen waarom het griffierecht niet tijdig is betaald. Belanghebbende heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.
Niet-ontvankelijkverklaring van het beroep blijft op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. In verband daarmee is onderzocht of de inkomens- en vermogenspositie van belanghebbende en zijn partner ertoe hebben geleid dat het griffierecht niet is betaald. De Hoge Raad is op grond van de door de griffier bij de Raad voor Rechtsbijstand opgevraagde inkomensgegevens van belanghebbende en zijn partner van oordeel dat dit niet het geval is. Het beroep in cassatie moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
2Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
3Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2018.