Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2015:2516
2015-09-11
Bestuursrecht; Belastingrecht
14/06544
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
HR verklaart het beroep in cassatie n-o met toepassing van art. 80a RO.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (1.703 tekens)
11 september 2015
Nr. 14/06544
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 11 november 2014, nr. 13/01121, betreffende het verzoek van belanghebbende om ambtshalve herziening van de voor de jaren 1982 tot en met 2002 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie
De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
De Hoge Raad zal daarom – gezien artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaren.
2Griffierecht
De bestreden beslissing van het Gerechtshof in de onderhavige zaak hangt onvoldoende samen met die in de zaken met de kenmerknummers 14/06474 en 14/06545 tot en met 14/06550 om te kunnen spreken van een samenhangend besluit in de zin van artikel 41, lid 1, Awb. Daarom is voor deze zaak afzonderlijk griffierecht in rekening gebracht.
3Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet‑ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2015.
Nr. 14/06544
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 11 november 2014, nr. 13/01121, betreffende het verzoek van belanghebbende om ambtshalve herziening van de voor de jaren 1982 tot en met 2002 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie
De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
De Hoge Raad zal daarom – gezien artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaren.
2Griffierecht
De bestreden beslissing van het Gerechtshof in de onderhavige zaak hangt onvoldoende samen met die in de zaken met de kenmerknummers 14/06474 en 14/06545 tot en met 14/06550 om te kunnen spreken van een samenhangend besluit in de zin van artikel 41, lid 1, Awb. Daarom is voor deze zaak afzonderlijk griffierecht in rekening gebracht.
3Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet‑ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2015.