Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2014:718
2014-03-28
Bestuursrecht; Belastingrecht
12/04517
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
KB-Lux. Art. 8:73 Awb. Schadevergoeding bij overschrijding van de redelijke termijn. Het Hof had de Minister van Veiligheid en Justitie in de gelegenheid moeten stellen als partij aan het geding deel te nemen.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2011:BO5046 Hoge Raad 10-06-2011
- ECLI:NL:HR:2013:CA2313 Hoge Raad 07-06-2013
Geciteerd door (15)
- ECLI:NL:PHR:2025:248 Parket bij de Hoge Raad 18-03-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2022:788 Gerechtshof Amsterdam 10-02-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2020:12683 Rechtbank Den Haag 09-09-2020
- ECLI:NL:GHAMS:2019:2578 Gerechtshof Amsterdam 02-07-2019
- ECLI:NL:HR:2016:2264 Hoge Raad 07-10-2016
- ECLI:NL:GHARL:2016:3129 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19-04-2016
- ECLI:NL:GHARL:2016:3128 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19-04-2016
- ECLI:NL:GHARL:2016:3130 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19-04-2016
- ECLI:NL:GHAMS:2016:1228 Gerechtshof Amsterdam 11-02-2016
- ECLI:NL:RBGEL:2015:3159 Rechtbank Gelderland 19-05-2015
- ECLI:NL:RBGEL:2015:3158 Rechtbank Gelderland 19-05-2015
- ECLI:NL:GHARL:2014:6455 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19-08-2014
- ECLI:NL:GHARL:2014:5065 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24-06-2014
- ECLI:NL:GHARL:2014:4210 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20-05-2014
- ECLI:NL:GHARL:2014:4209 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20-05-2014
Volledige tekst
Volledige tekst (3.691 tekens)
28 maart 2014
nr. 12/04517
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X-Y] te [Z] (hierna: belanghebbende), alsmede het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage van 31 juli 2012, nrs. BK-09/00762 en 09/00763, betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2002 en 2003 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven boetebeschikkingen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris van Financiën heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. De beroepschriften in cassatie zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Belanghebbende en de Staatssecretaris hebben over en weer een verweerschrift ingediend.
2Beoordeling van het door de Staatssecretaris voorgestelde middel
2.1.
Het middel richt zich tegen de beslissing van het Hof de Staat (de Minister van Veiligheid en Justitie) te veroordelen tot vergoeding van door belanghebbende geleden immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van de behandeling van de zaak door de rechter. Het middel betoogt dat het Hof heeft verzuimd de Minister van Veiligheid en Justitie in de gelegenheid te stellen als partij aan het geding deel te nemen.
2.2.
Aangezien vanaf de dag dat belanghebbende het eerste bezwaarschrift heeft ingediend tegen een van de onderhavige besluiten tot de dag waarop de Rechtbank uitspraak heeft gedaan en vanaf de ontvangst van het hogerberoepschrift tot de dag waarop het Hof uitspraak heeft gedaan telkens meer dan twee jaren zijn verstreken, bestond in beginsel aanleiding de Staat der Nederlanden (de Minister van Veiligheid en Justitie) te veroordelen tot vergoeding van de daaraan toe te rekenen immateriële schade. In verband daarmee had het Hof de Minister van Veiligheid en Justitie in de gelegenheid moeten stellen als partij aan het geding deel te nemen (vgl. HR 10 juni 2011, nr. 09/02639, ECLI:NL:HR:2011:BO5046, BNB 2011/232, onderdeel 3.3.5, en HR 7 juni 2013, nr. 12/03118, ECLI:NL:HR:2013:CA2313, BNB 2013/176, onderdeel 4). Dat heeft het Hof verzuimd. Het middel slaagt daarom.
3Beoordeling van het door belanghebbende voorgestelde middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4Slotsom
Gelet op het hiervoor in onderdeel 2.2 overwogene kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
5Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
6Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond,
verklaart het beroep in cassatie van de Staatssecretaris gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, doch uitsluitend wat betreft de beslissing tot vergoeding van door belanghebbende geleden immateriële schade, en
verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2014.
nr. 12/04517
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X-Y] te [Z] (hierna: belanghebbende), alsmede het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage van 31 juli 2012, nrs. BK-09/00762 en 09/00763, betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2002 en 2003 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven boetebeschikkingen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris van Financiën heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. De beroepschriften in cassatie zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Belanghebbende en de Staatssecretaris hebben over en weer een verweerschrift ingediend.
2Beoordeling van het door de Staatssecretaris voorgestelde middel
2.1.
Het middel richt zich tegen de beslissing van het Hof de Staat (de Minister van Veiligheid en Justitie) te veroordelen tot vergoeding van door belanghebbende geleden immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van de behandeling van de zaak door de rechter. Het middel betoogt dat het Hof heeft verzuimd de Minister van Veiligheid en Justitie in de gelegenheid te stellen als partij aan het geding deel te nemen.
2.2.
Aangezien vanaf de dag dat belanghebbende het eerste bezwaarschrift heeft ingediend tegen een van de onderhavige besluiten tot de dag waarop de Rechtbank uitspraak heeft gedaan en vanaf de ontvangst van het hogerberoepschrift tot de dag waarop het Hof uitspraak heeft gedaan telkens meer dan twee jaren zijn verstreken, bestond in beginsel aanleiding de Staat der Nederlanden (de Minister van Veiligheid en Justitie) te veroordelen tot vergoeding van de daaraan toe te rekenen immateriële schade. In verband daarmee had het Hof de Minister van Veiligheid en Justitie in de gelegenheid moeten stellen als partij aan het geding deel te nemen (vgl. HR 10 juni 2011, nr. 09/02639, ECLI:NL:HR:2011:BO5046, BNB 2011/232, onderdeel 3.3.5, en HR 7 juni 2013, nr. 12/03118, ECLI:NL:HR:2013:CA2313, BNB 2013/176, onderdeel 4). Dat heeft het Hof verzuimd. Het middel slaagt daarom.
3Beoordeling van het door belanghebbende voorgestelde middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4Slotsom
Gelet op het hiervoor in onderdeel 2.2 overwogene kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
5Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
6Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond,
verklaart het beroep in cassatie van de Staatssecretaris gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, doch uitsluitend wat betreft de beslissing tot vergoeding van door belanghebbende geleden immateriële schade, en
verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2014.