Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2014:2287
2014-08-08
Bestuursrecht; Belastingrecht
13/01042
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
HR: art. 81.1 RO.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (1)
- ECLI:NL:GHAMS:2018:4340 Gerechtshof Amsterdam 23-10-2018
Volledige tekst
Volledige tekst (2.208 tekens)
8 augustus 2014
nr. 13/01042
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. (voorheen [A] B.V.) te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 3 januari 2013, nrs. 11/00743 tot en met 11/00746, betreffende bindende tariefinlichtingen.
1Het geding in feitelijke instanties
Op verzoek van belanghebbende zijn door de Inspecteur bij beschikking vier bindende tariefinlichtingen gegeven, welke beschikkingen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraken van de Inspecteur zijn gehandhaafd.
De Rechtbank te Haarlem (nrs. AWB 09/4849 tot en met 09/4852) heeft het tegen die uitspraken ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank met betrekking tot twee bindende tariefinlichtingen vernietigd, de op die twee bindende tariefinlichtingen betrekking hebbende uitspraken van de Inspecteur vernietigd, deze twee bindende tariefinlichtingen vernietigd, en de uitspraak van de Rechtbank voor het overige bevestigd.
2Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een middel voorgesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3Beoordeling van het middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2014.
nr. 13/01042
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. (voorheen [A] B.V.) te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 3 januari 2013, nrs. 11/00743 tot en met 11/00746, betreffende bindende tariefinlichtingen.
1Het geding in feitelijke instanties
Op verzoek van belanghebbende zijn door de Inspecteur bij beschikking vier bindende tariefinlichtingen gegeven, welke beschikkingen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraken van de Inspecteur zijn gehandhaafd.
De Rechtbank te Haarlem (nrs. AWB 09/4849 tot en met 09/4852) heeft het tegen die uitspraken ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank met betrekking tot twee bindende tariefinlichtingen vernietigd, de op die twee bindende tariefinlichtingen betrekking hebbende uitspraken van de Inspecteur vernietigd, deze twee bindende tariefinlichtingen vernietigd, en de uitspraak van de Rechtbank voor het overige bevestigd.
2Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een middel voorgesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3Beoordeling van het middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2014.