Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2012:BX7199
2012-09-14
Bestuursrecht; Belastingrecht
12/00848
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
bpm; artikel 9, leden 5 en 6, Wet bpm. Voor de toepassing van het tarief wordt een ongebruikte personenauto aangemerkt als een nieuwe personenauto.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (76)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1815 Gerechtshof Den Haag 30-04-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2245 Gerechtshof Den Haag 30-09-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2024:847 Gerechtshof Den Haag 23-05-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:885 Gerechtshof Den Haag 25-04-2024
- ECLI:NL:PHR:2023:1223 Parket bij de Hoge Raad 22-12-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:16693 Rechtbank Den Haag 12-09-2023
- ECLI:NL:PHR:2022:100 Parket bij de Hoge Raad 03-02-2022
- ECLI:NL:GHARL:2021:1888 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 02-03-2021
- ECLI:NL:GHARL:2020:9543 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17-11-2020
- ECLI:NL:GHDHA:2020:2924 Gerechtshof Den Haag 08-10-2020
- ECLI:NL:GHARL:2020:4166 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26-05-2020
- ECLI:NL:GHARL:2020:3827 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12-05-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:177 Parket bij de Hoge Raad 25-02-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:177 Parket bij de Hoge Raad 25-02-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:177 Parket bij de Hoge Raad 25-02-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:177 Parket bij de Hoge Raad 25-02-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:177 Parket bij de Hoge Raad 25-02-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:177 Parket bij de Hoge Raad 25-02-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:2521 Rechtbank Den Haag 20-02-2020
- ECLI:NL:GHAMS:2020:913 Gerechtshof Amsterdam 30-01-2020
- ECLI:NL:GHDHA:2019:3711 Gerechtshof Den Haag 12-11-2019
- ECLI:NL:RBGEL:2019:4981 Rechtbank Gelderland 30-09-2019
- ECLI:NL:RBGEL:2019:3496 Rechtbank Gelderland 05-08-2019
- ECLI:NL:RBGEL:2019:3499 Rechtbank Gelderland 05-08-2019
- ECLI:NL:RBGEL:2019:3494 Rechtbank Gelderland 05-08-2019
- ECLI:NL:RBGEL:2019:3416 Rechtbank Gelderland 05-08-2019
- ECLI:NL:RBGEL:2019:3419 Rechtbank Gelderland 05-08-2019
- ECLI:NL:GHARL:2019:5721 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 09-07-2019
- ECLI:NL:RBGEL:2019:2856 Rechtbank Gelderland 01-07-2019
- ECLI:NL:RBGEL:2019:2859 Rechtbank Gelderland 01-07-2019
- ECLI:NL:RBGEL:2019:2883 Rechtbank Gelderland 01-07-2019
- ECLI:NL:RBGEL:2019:2857 Rechtbank Gelderland 01-07-2019
- ECLI:NL:RBGEL:2019:2876 Rechtbank Gelderland 01-07-2019
- ECLI:NL:RBGEL:2019:2173 Rechtbank Gelderland 03-06-2019
- ECLI:NL:RBGEL:2019:2250 Rechtbank Gelderland 03-06-2019
- ECLI:NL:RBGEL:2019:2255 Rechtbank Gelderland 03-06-2019
- ECLI:NL:RBGEL:2019:2257 Rechtbank Gelderland 03-06-2019
- ECLI:NL:RBGEL:2019:2415 Rechtbank Gelderland 03-06-2019
- ECLI:NL:RBGEL:2019:2172 Rechtbank Gelderland 03-06-2019
- ECLI:NL:RBGEL:2019:2419 Rechtbank Gelderland 03-06-2019
- ECLI:NL:RBGEL:2019:2089 Rechtbank Gelderland 03-06-2019
- ECLI:NL:RBGEL:2019:2411 Rechtbank Gelderland 03-06-2019
- ECLI:NL:RBGEL:2019:2423 Rechtbank Gelderland 03-06-2019
- ECLI:NL:GHARL:2019:1925 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 05-03-2019
- ECLI:NL:RBDHA:2019:899 Rechtbank Den Haag 30-01-2019
- ECLI:NL:GHAMS:2019:89 Gerechtshof Amsterdam 15-01-2019
- ECLI:NL:GHAMS:2018:3819 Gerechtshof Amsterdam 27-09-2018
- ECLI:NL:RBGEL:2018:2720 Rechtbank Gelderland 20-06-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:616 Parket bij de Hoge Raad 28-05-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:616 Parket bij de Hoge Raad 28-05-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:616 Parket bij de Hoge Raad 28-05-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:616 Parket bij de Hoge Raad 28-05-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:616 Parket bij de Hoge Raad 28-05-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:616 Parket bij de Hoge Raad 28-05-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:616 Parket bij de Hoge Raad 28-05-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:616 Parket bij de Hoge Raad 28-05-2018
- ECLI:NL:RBGEL:2017:5929 Rechtbank Gelderland 21-11-2017
- ECLI:NL:GHDHA:2017:2811 Gerechtshof Den Haag 22-09-2017
- ECLI:NL:RBZWB:2017:4204 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-07-2017
- ECLI:NL:GHDHA:2017:2417 Gerechtshof Den Haag 16-06-2017
Volledige tekst
Volledige tekst (5.779 tekens)
14 september 2012
nr. 12/00848
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 3 januari 2012, nr. 11/00032, betreffende een op aangifte voldaan bedrag aan belasting van personenauto's en motorrijwielen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag aan belasting van personenauto's en motorrijwielen voldaan. Belanghebbende heeft tegen dit bedrag bezwaar gemaakt en verzocht om teruggaaf, welk verzoek bij uitspraak van de Inspecteur is afgewezen.
De Rechtbank te Leeuwarden (nr. AWB 09/2674) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1. Belanghebbende heeft omstreeks 2 juli 2009 op een veiling een personenauto met een kilometerstand van 174 (hierna: de auto) gekocht. De koopprijs bedroeg € 8600 exclusief veilingkosten en omzetbelasting. De auto was ongeveer vier en een half jaar tevoren in nieuwe staat afgeleverd aan de voormalige eigenaar, en is in die periode niet geregistreerd geweest in het krachtens de Wegensverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens.
3.1.2. Op 3 juli 2009 heeft belanghebbende de auto doen registreren in het kentekenregister en met het oog daarop een bedrag van € 4179 aan belasting op personenauto's en motorrijwielen (hierna: bpm) op aangifte voldaan. Bij de berekening van de bpm is hij uitgegaan van de in 2005 voor dit type en model bekendgemaakte netto catalogusprijs van € 16.769.
3.1.3. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen het hiervoor in 3.1.2 vermelde, door hem op aangifte voldane bedrag, omdat naar zijn mening de oorspronkelijke catalogusprijs niet langer van toepassing is en de bpm berekend moet worden uitgaande van de reële waarde van de auto.
3.2. Het Hof heeft uit de wetsgeschiedenis van artikel 9 van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (hierna: de Wet) afgeleid dat de wetgever heeft bedoeld de door de importeur of fabrikant geadviseerde verkoopprijs ten grondslag te leggen aan de heffing van bpm. Daarmee is naar het oordeel van het Hof uitgesloten dat bij de bepaling van de verschuldigde bpm voor een nieuwe personenauto waardeveranderingen van een te registreren auto ten opzichte van de catalogusprijs in aanmerking worden genomen.
3.3.1. De klachten houden in dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat moet worden uitgegaan van de oorspronkelijke catalogusprijs van de auto. Volgens de klachten kan deze prijs niet meer gelden, omdat het model van dit type auto in 2008 is vervangen door een ander model met een andere catalogusprijs. In dat geval moet de maatstaf van heffing worden bepaald op de werkelijke waarde (de veilingprijs) van de auto.
3.3.2. Voor de berekening van de verschuldigde bpm maakt de Wet onderscheid tussen nieuwe en gebruikte personenauto's (artikel 9, leden 5 en 6, van de Wet). In dit verband moet onder een nieuwe personenauto worden verstaan een auto die na de vervaardiging ervan niet of nauwelijks in gebruik is geweest (vgl. HR 29 mei 2009, nr. 08/00824, LJN BI5100, BNB 2009/186). Vast staat dat de auto na de vervaardiging ervan niet of nauwelijks is gebruikt. Het Hof heeft mitsdien met juistheid geoordeeld dat belanghebbende een nieuwe personenauto in de zin van de Wet ter registratie heeft aangeboden.
Voor dat geval bepaalt artikel 9, lid 5, van de Wet dat als grondslag voor de heffing van bpm de catalogusprijs moet worden gehanteerd. Onder catalogusprijs wordt ingevolge artikel 9, lid 4, van de Wet verstaan de door de fabrikant of importeur aan wederverkopers kenbaar gemaakte prijs die naar zijn inzicht bij de verkoop aan de uiteindelijke afnemer valt te berekenen. Het gaat daarbij om de op de dag van de registratie voor het desbetreffende type en model personenauto laatstelijk door de fabrikant of importeur kenbaar gemaakte catalogusprijs. Het Hof heeft daarom terecht de veilingprijs als maatstaf van heffing voor de auto verworpen. Daaraan doet niet af dat het model van de auto verouderd was. Anders dan de klachten verdedigen kan de voor de auto bekend gemaakte 'veilingadviesprijs' niet als grondslag dienen, omdat deze prijs niet door de importeur of fabrikant bekend is gemaakt. De omstandigheid dat in 2008 een catalogusprijs kenbaar is gemaakt voor een nieuw model van hetzelfde type personenauto, brengt niet mee dat de voor het oudere model geldende catalogusprijs uit 2005 niet langer van toepassing kan zijn.
3.4. Op grond van het hiervoor in 3.3.2 overwogene falen de klachten.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en C.H.W.M. Sterk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 14 september 2012.
nr. 12/00848
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 3 januari 2012, nr. 11/00032, betreffende een op aangifte voldaan bedrag aan belasting van personenauto's en motorrijwielen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag aan belasting van personenauto's en motorrijwielen voldaan. Belanghebbende heeft tegen dit bedrag bezwaar gemaakt en verzocht om teruggaaf, welk verzoek bij uitspraak van de Inspecteur is afgewezen.
De Rechtbank te Leeuwarden (nr. AWB 09/2674) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1. Belanghebbende heeft omstreeks 2 juli 2009 op een veiling een personenauto met een kilometerstand van 174 (hierna: de auto) gekocht. De koopprijs bedroeg € 8600 exclusief veilingkosten en omzetbelasting. De auto was ongeveer vier en een half jaar tevoren in nieuwe staat afgeleverd aan de voormalige eigenaar, en is in die periode niet geregistreerd geweest in het krachtens de Wegensverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens.
3.1.2. Op 3 juli 2009 heeft belanghebbende de auto doen registreren in het kentekenregister en met het oog daarop een bedrag van € 4179 aan belasting op personenauto's en motorrijwielen (hierna: bpm) op aangifte voldaan. Bij de berekening van de bpm is hij uitgegaan van de in 2005 voor dit type en model bekendgemaakte netto catalogusprijs van € 16.769.
3.1.3. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen het hiervoor in 3.1.2 vermelde, door hem op aangifte voldane bedrag, omdat naar zijn mening de oorspronkelijke catalogusprijs niet langer van toepassing is en de bpm berekend moet worden uitgaande van de reële waarde van de auto.
3.2. Het Hof heeft uit de wetsgeschiedenis van artikel 9 van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (hierna: de Wet) afgeleid dat de wetgever heeft bedoeld de door de importeur of fabrikant geadviseerde verkoopprijs ten grondslag te leggen aan de heffing van bpm. Daarmee is naar het oordeel van het Hof uitgesloten dat bij de bepaling van de verschuldigde bpm voor een nieuwe personenauto waardeveranderingen van een te registreren auto ten opzichte van de catalogusprijs in aanmerking worden genomen.
3.3.1. De klachten houden in dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat moet worden uitgegaan van de oorspronkelijke catalogusprijs van de auto. Volgens de klachten kan deze prijs niet meer gelden, omdat het model van dit type auto in 2008 is vervangen door een ander model met een andere catalogusprijs. In dat geval moet de maatstaf van heffing worden bepaald op de werkelijke waarde (de veilingprijs) van de auto.
3.3.2. Voor de berekening van de verschuldigde bpm maakt de Wet onderscheid tussen nieuwe en gebruikte personenauto's (artikel 9, leden 5 en 6, van de Wet). In dit verband moet onder een nieuwe personenauto worden verstaan een auto die na de vervaardiging ervan niet of nauwelijks in gebruik is geweest (vgl. HR 29 mei 2009, nr. 08/00824, LJN BI5100, BNB 2009/186). Vast staat dat de auto na de vervaardiging ervan niet of nauwelijks is gebruikt. Het Hof heeft mitsdien met juistheid geoordeeld dat belanghebbende een nieuwe personenauto in de zin van de Wet ter registratie heeft aangeboden.
Voor dat geval bepaalt artikel 9, lid 5, van de Wet dat als grondslag voor de heffing van bpm de catalogusprijs moet worden gehanteerd. Onder catalogusprijs wordt ingevolge artikel 9, lid 4, van de Wet verstaan de door de fabrikant of importeur aan wederverkopers kenbaar gemaakte prijs die naar zijn inzicht bij de verkoop aan de uiteindelijke afnemer valt te berekenen. Het gaat daarbij om de op de dag van de registratie voor het desbetreffende type en model personenauto laatstelijk door de fabrikant of importeur kenbaar gemaakte catalogusprijs. Het Hof heeft daarom terecht de veilingprijs als maatstaf van heffing voor de auto verworpen. Daaraan doet niet af dat het model van de auto verouderd was. Anders dan de klachten verdedigen kan de voor de auto bekend gemaakte 'veilingadviesprijs' niet als grondslag dienen, omdat deze prijs niet door de importeur of fabrikant bekend is gemaakt. De omstandigheid dat in 2008 een catalogusprijs kenbaar is gemaakt voor een nieuw model van hetzelfde type personenauto, brengt niet mee dat de voor het oudere model geldende catalogusprijs uit 2005 niet langer van toepassing kan zijn.
3.4. Op grond van het hiervoor in 3.3.2 overwogene falen de klachten.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en C.H.W.M. Sterk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 14 september 2012.