Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2010:BO5989
2010-12-03
Bestuursrecht; Belastingrecht
09/04514
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Art. 16 AWR; art. 67e AWR. Kwade trouw; vergrijpboete; (voorwaardelijk) opzet; beoordeling aanwezigheid bewustheid ten tijde van het doen van de aangifte.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (94)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:125 Gerechtshof Den Haag 13-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2025:22439 Rechtbank Den Haag 13-11-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:22445 Rechtbank Den Haag 13-11-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:22440 Rechtbank Den Haag 13-11-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2025:2377 Gerechtshof Amsterdam 11-09-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:5399 Rechtbank Den Haag 21-03-2025
- ECLI:NL:RBGEL:2025:1458 Rechtbank Gelderland 24-02-2025
- ECLI:NL:RBGEL:2025:1449 Rechtbank Gelderland 21-02-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2424 Gerechtshof Den Haag 19-11-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:774 Parket bij de Hoge Raad 05-07-2024
- ECLI:NL:RBGEL:2024:3759 Rechtbank Gelderland 19-06-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:713 Rechtbank Den Haag 23-01-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2023:2466 Gerechtshof Den Haag 05-12-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:3700 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 08-11-2023
- ECLI:NL:RBNNE:2023:4154 Rechtbank Noord-Nederland 10-10-2023
- ECLI:NL:GHAMS:2023:2192 Gerechtshof Amsterdam 22-08-2023
- ECLI:NL:RBGEL:2023:3227 Rechtbank Gelderland 06-06-2023
- ECLI:NL:GHAMS:2023:1282 Gerechtshof Amsterdam 16-05-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:4097 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16-05-2023
- ECLI:NL:GHDHA:2022:2270 Gerechtshof Den Haag 03-11-2022
- ECLI:NL:GHDHA:2022:2270 Gerechtshof Den Haag 03-11-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:14892 Rechtbank Den Haag 19-09-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:14890 Rechtbank Den Haag 19-09-2022
- ECLI:NL:RBGEL:2022:3263 Rechtbank Gelderland 28-06-2022
- ECLI:NL:RBNNE:2022:1851 Rechtbank Noord-Nederland 07-06-2022
- ECLI:NL:RBNNE:2022:1850 Rechtbank Noord-Nederland 07-06-2022
- ECLI:NL:HR:2022:526 Hoge Raad 08-04-2022
- ECLI:NL:HR:2022:124 Hoge Raad 04-02-2022
- ECLI:NL:RBNNE:2021:5352 Rechtbank Noord-Nederland 24-12-2021
- ECLI:NL:RBNNE:2021:5352 Rechtbank Noord-Nederland 24-12-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:1102 Parket bij de Hoge Raad 25-11-2021
- ECLI:NL:RBGEL:2021:6002 Rechtbank Gelderland 10-11-2021
- ECLI:NL:RBGEL:2021:6002 Rechtbank Gelderland 10-11-2021
- ECLI:NL:RBZWB:2021:4843 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 24-09-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:11343 Rechtbank Den Haag 14-07-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:5876 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15-06-2021
- ECLI:NL:RBGEL:2021:1783 Rechtbank Gelderland 12-04-2021
- ECLI:NL:RBGEL:2021:1349 Rechtbank Gelderland 22-03-2021
- ECLI:NL:OGHACMB:2021:84 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 10-03-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:80 Parket bij de Hoge Raad 28-01-2021
- ECLI:NL:GHARL:2020:8014 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 06-10-2020
- ECLI:NL:HR:2020:270 Hoge Raad 14-02-2020
- ECLI:NL:GHARL:2020:284 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14-01-2020
- ECLI:NL:GHARL:2020:285 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14-01-2020
- ECLI:NL:GHARL:2019:10952 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17-12-2019
- ECLI:NL:GHARL:2019:10952 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17-12-2019
- ECLI:NL:RBGEL:2019:4711 Rechtbank Gelderland 22-10-2019
- ECLI:NL:GHARL:2019:8109 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 08-10-2019
- ECLI:NL:OGEAC:2019:204 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 20-09-2019
- ECLI:NL:RBGEL:2019:2909 Rechtbank Gelderland 02-07-2019
- ECLI:NL:RBGEL:2019:2038 Rechtbank Gelderland 13-05-2019
- ECLI:NL:GHSHE:2019:635 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 21-02-2019
- ECLI:NL:RBGEL:2018:5457 Rechtbank Gelderland 18-12-2018
- ECLI:NL:RBZWB:2018:6748 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 05-12-2018
- ECLI:NL:RBZWB:2018:6748 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 05-12-2018
- ECLI:NL:RBDHA:2018:12021 Rechtbank Den Haag 11-09-2018
- ECLI:NL:GHSHE:2018:3702 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 06-09-2018
- ECLI:NL:RBGEL:2018:2964 Rechtbank Gelderland 05-07-2018
- ECLI:NL:GHARL:2018:4680 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23-05-2018
- ECLI:NL:RBGEL:2018:1902 Rechtbank Gelderland 25-04-2018
Volledige tekst
Volledige tekst (6.572 tekens)
Nr. 09/04514
3 december 2010
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 1 oktober 2009, nr. P08/00003, betreffende een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven boetebeschikking.
1. Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende is over het jaar 2003 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, alsmede een boete. De navorderingsaanslag en de boetebeschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.
De Rechtbank te Haarlem (nr. AWB 07/223) heeft het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Minister van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Minister heeft een conclusie van dupliek ingediend.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. Het eerste middel klaagt erover dat het Hof een onjuiste maatstaf heeft aangelegd voor de beoordeling van de vraag of belanghebbende te kwader trouw was in de zin van artikel 16, lid 1, tweede volzin, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
3.2. Het Hof heeft terecht vooropgesteld dat een belastingplichtige te kwader trouw is in de zin van die bepaling indien hij de inspecteur opzettelijk de juiste inlichtingen heeft onthouden of opzettelijk onjuiste inlichtingen heeft verstrekt.
3.3. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat de Inspecteur erin is geslaagd aannemelijk te maken dat belanghebbende de Inspecteur opzettelijk de juiste inlichtingen heeft onthouden. Daartoe heeft het Hof overwogen dat belanghebbende wist dan wel had moeten weten dat zijn aangifte niet alle informatie bevatte die nodig was om een juiste aanslag op te leggen.
3.4.1. Voor zover het eerste middel erover klaagt dat het Hof aldus blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, is het terecht voorgesteld. De omstandigheid dat een belastingplichtige had moeten weten dat zijn aangifte onjuist of onvolledig is, brengt niet mee dat hem de voor opzet vereiste bewustheid met betrekking tot die onjuistheid of onvolledigheid kan worden verweten. Nu het Hof in zijn uitspraak niet heeft vastgesteld of die bewustheid in dit geval aanwezig was, kan die uitspraak niet in stand blijven. Het eerste middel behoeft voor het overige geen bespreking.
3.4.2. Verwijzing moet volgen voor een hernieuwd onderzoek naar de vraag of sprake was van kwade trouw. Daarbij verdient opmerking dat in een geval als het onderhavige, waarin een te lage aanslag is opgelegd als gevolg van onjuiste of onvolledige informatieverstrekking in de aangifte, slechts sprake is van kwade trouw indien de daarvoor vereiste bewustheid aanwezig was ten tijde van het doen van die aangifte (HR 13 augustus 2010, nr. 08/03431, LJN BN3830, BNB 2010/296).
3.5. Het Hof heeft de vergrijpboete gehandhaafd, onder meer overwegende dat het aan voorwaardelijk opzet van belanghebbende is te wijten dat de oorspronkelijke aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld. Daartoe heeft het Hof mede van belang geacht dat belanghebbende heeft nagelaten om op enig moment tussen het indienen van de aangifte en het opleggen van de aanslag de Inspecteur te informeren over het door hem ontvangen afkoopbedrag, waardoor belanghebbende naar het oordeel van het Hof de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat te weinig belasting zou worden geheven. Tegen dit oordeel richt zich het tweede middel.
3.6.1. Ook bij de beoordeling van een vergrijpboete geldt dat de bewustheid die vereist is om (voorwaardelijk) opzet te kunnen aannemen in een geval als het onderhavige aanwezig moet zijn op het moment waarop de aangifte werd gedaan. 's Hofs oordeel geeft derhalve blijk van een onjuiste rechtsopvatting. In zoverre slaagt het tweede middel; dat middel behoeft voor het overige geen bespreking. Op dit punt dient eveneens verwijzing plaats te vinden.
3.6.2. Daarbij verdient nog opmerking dat voor het aannemen van voorwaardelijk opzet, voor zover in dit verband van belang, niet alleen is vereist dat belanghebbende ten tijde van het doen van de aangifte wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat daardoor te weinig belasting zou worden geheven, maar ook dat hij die kans toen bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen); vgl. Hoge Raad 29 februari 2008, nr. 43274, LJN BC5346, BNB 2008/156.
3.7. Het derde en vierde middel kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank een vergoeding dient te worden toegekend.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 110, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1748 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, J.W.M. Tijnagel, M.W.C. Feteris en R.J. Koopman, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2010.
3 december 2010
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 1 oktober 2009, nr. P08/00003, betreffende een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven boetebeschikking.
1. Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende is over het jaar 2003 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, alsmede een boete. De navorderingsaanslag en de boetebeschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.
De Rechtbank te Haarlem (nr. AWB 07/223) heeft het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Minister van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Minister heeft een conclusie van dupliek ingediend.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. Het eerste middel klaagt erover dat het Hof een onjuiste maatstaf heeft aangelegd voor de beoordeling van de vraag of belanghebbende te kwader trouw was in de zin van artikel 16, lid 1, tweede volzin, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
3.2. Het Hof heeft terecht vooropgesteld dat een belastingplichtige te kwader trouw is in de zin van die bepaling indien hij de inspecteur opzettelijk de juiste inlichtingen heeft onthouden of opzettelijk onjuiste inlichtingen heeft verstrekt.
3.3. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat de Inspecteur erin is geslaagd aannemelijk te maken dat belanghebbende de Inspecteur opzettelijk de juiste inlichtingen heeft onthouden. Daartoe heeft het Hof overwogen dat belanghebbende wist dan wel had moeten weten dat zijn aangifte niet alle informatie bevatte die nodig was om een juiste aanslag op te leggen.
3.4.1. Voor zover het eerste middel erover klaagt dat het Hof aldus blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, is het terecht voorgesteld. De omstandigheid dat een belastingplichtige had moeten weten dat zijn aangifte onjuist of onvolledig is, brengt niet mee dat hem de voor opzet vereiste bewustheid met betrekking tot die onjuistheid of onvolledigheid kan worden verweten. Nu het Hof in zijn uitspraak niet heeft vastgesteld of die bewustheid in dit geval aanwezig was, kan die uitspraak niet in stand blijven. Het eerste middel behoeft voor het overige geen bespreking.
3.4.2. Verwijzing moet volgen voor een hernieuwd onderzoek naar de vraag of sprake was van kwade trouw. Daarbij verdient opmerking dat in een geval als het onderhavige, waarin een te lage aanslag is opgelegd als gevolg van onjuiste of onvolledige informatieverstrekking in de aangifte, slechts sprake is van kwade trouw indien de daarvoor vereiste bewustheid aanwezig was ten tijde van het doen van die aangifte (HR 13 augustus 2010, nr. 08/03431, LJN BN3830, BNB 2010/296).
3.5. Het Hof heeft de vergrijpboete gehandhaafd, onder meer overwegende dat het aan voorwaardelijk opzet van belanghebbende is te wijten dat de oorspronkelijke aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld. Daartoe heeft het Hof mede van belang geacht dat belanghebbende heeft nagelaten om op enig moment tussen het indienen van de aangifte en het opleggen van de aanslag de Inspecteur te informeren over het door hem ontvangen afkoopbedrag, waardoor belanghebbende naar het oordeel van het Hof de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat te weinig belasting zou worden geheven. Tegen dit oordeel richt zich het tweede middel.
3.6.1. Ook bij de beoordeling van een vergrijpboete geldt dat de bewustheid die vereist is om (voorwaardelijk) opzet te kunnen aannemen in een geval als het onderhavige aanwezig moet zijn op het moment waarop de aangifte werd gedaan. 's Hofs oordeel geeft derhalve blijk van een onjuiste rechtsopvatting. In zoverre slaagt het tweede middel; dat middel behoeft voor het overige geen bespreking. Op dit punt dient eveneens verwijzing plaats te vinden.
3.6.2. Daarbij verdient nog opmerking dat voor het aannemen van voorwaardelijk opzet, voor zover in dit verband van belang, niet alleen is vereist dat belanghebbende ten tijde van het doen van de aangifte wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat daardoor te weinig belasting zou worden geheven, maar ook dat hij die kans toen bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen); vgl. Hoge Raad 29 februari 2008, nr. 43274, LJN BC5346, BNB 2008/156.
3.7. Het derde en vierde middel kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank een vergoeding dient te worden toegekend.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 110, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1748 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, J.W.M. Tijnagel, M.W.C. Feteris en R.J. Koopman, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2010.