Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2005:AT7216
2005-06-10
Bestuursrecht; Belastingrecht
40601
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 18 september 2003, nr. 00/01412, betreffende na te melden aan X te Z opgelegde naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting en de daarbij gegeven boetebeschikking...
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (40)
- ECLI:NL:RBGEL:2026:6589 Rechtbank Gelderland 21-08-2026
- ECLI:NL:GHARL:2025:6992 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 04-11-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:3267 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27-05-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:1408 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 21-05-2025
- ECLI:NL:GHARL:2024:3649 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28-05-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:2162 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26-03-2024
- ECLI:NL:GHARL:2023:9442 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 07-11-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:5915 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11-07-2023
- ECLI:NL:GHAMS:2023:1687 Gerechtshof Amsterdam 27-06-2023
- ECLI:NL:GHAMS:2023:1255 Gerechtshof Amsterdam 16-03-2023
- ECLI:NL:RBNHO:2022:361 Rechtbank Noord-Holland 17-01-2022
- ECLI:NL:GHARL:2021:7709 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10-08-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2021:2251 Gerechtshof Amsterdam 22-04-2021
- ECLI:NL:GHSHE:2021:349 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 04-02-2021
- ECLI:NL:GHARL:2020:5439 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14-07-2020
- ECLI:NL:GHAMS:2020:1795 Gerechtshof Amsterdam 30-06-2020
- ECLI:NL:RBGEL:2020:2387 Rechtbank Gelderland 24-04-2020
- ECLI:NL:RBGEL:2020:7052 Rechtbank Gelderland 11-03-2020
- ECLI:NL:RBZWB:2019:4230 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 28-08-2019
- ECLI:NL:RBGEL:2019:3700 Rechtbank Gelderland 16-08-2019
- ECLI:NL:RBGEL:2019:3331 Rechtbank Gelderland 23-07-2019
- ECLI:NL:GHARL:2019:5760 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16-04-2019
- ECLI:NL:RBGEL:2017:2595 Rechtbank Gelderland 11-05-2017
- ECLI:NL:GHARL:2017:2310 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21-03-2017
- ECLI:NL:GHARL:2017:2098 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14-03-2017
- ECLI:NL:RBGEL:2016:4990 Rechtbank Gelderland 20-09-2016
- ECLI:NL:RBNNE:2016:3943 Rechtbank Noord-Nederland 04-08-2016
- ECLI:NL:GHARL:2016:4544 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 07-06-2016
- ECLI:NL:GHAMS:2016:2024 Gerechtshof Amsterdam 19-05-2016
- ECLI:NL:RBGEL:2015:1758 Rechtbank Gelderland 17-03-2015
- ECLI:NL:RBGEL:2015:1730 Rechtbank Gelderland 17-03-2015
- ECLI:NL:GHARL:2014:8772 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11-11-2014
- ECLI:NL:GHARL:2014:8775 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11-11-2014
- ECLI:NL:GHARL:2014:6458 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19-08-2014
- ECLI:NL:GHARL:2014:5994 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 22-07-2014
- ECLI:NL:GHARL:2014:4890 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17-06-2014
- ECLI:NL:GHARL:2014:4891 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17-06-2014
- ECLI:NL:GHSHE:2014:1770 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 13-06-2014
- ECLI:NL:GHARL:2014:3389 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23-04-2014
- ECLI:NL:GHARL:2014:637 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28-01-2014
Volledige tekst
Volledige tekst (4.323 tekens)
Nr. 40.601
10 juni 2005
FP
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 18 september 2003, nr. 00/01412, betreffende na te melden aan X te Z opgelegde naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting en de daarbij gegeven boetebeschikking.
1. Naheffingsaanslag, beschikking, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het motorrijtuig met kenteken AA-00-AA een naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting opgelegd, berekend over het tijdvak 15 september 1998 tot en met 14 september 1999 ten bedrage van ƒ 709, alsmede een boete van ƒ 709. De naheffingsaanslag en de boetebeschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de bestreden uitspraak betreffende de boetebeschikking vernietigd en de boete verminderd tot een bedrag van € 45,38. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van het middel
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Het motorrijtuig waarvoor de onderhavige naheffingsaanslag is opgelegd, was vanaf 25 augustus 1999 tot en met 6 april 2000 opgenomen in de bedrijfsvoorraad van belanghebbendes onderneming. Op 14 september 1999 is met de personenauto gebruik gemaakt van de openbare weg zonder dat aan de auto handelaarskentekenplaten waren aangebracht.
3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat sprake is van een wanverhouding tussen de verzuimboete en de ernst van het door belanghebbende begane verzuim. Het Hof heeft aan dit oordeel ten grondslag gelegd dat belanghebbende onweersproken heeft gesteld dat hij ten tijde van de controle nog maar juist met zijn bedrijf begonnen was, dat hij zijn bedrijf alleen uitoefende, en dat het hem - bij de grote drukte op de automarkt - niet steeds mogelijk was voldoende controle op het gebruik van de handelaarskentekenplaten uit te oefenen.
3.3. Het middel strekt in de eerste plaats ten betoge dat 's Hofs oordeel dat sprake is van een wanverhouding, onbegrijpelijk is, gezien enerzijds de uit de geschiedenis van totstandkoming van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 blijkende bedoeling van de wetgever dat, gelet op het relatief lage bedrag aan verschuldigde belasting en de gewenste preventieve werking, in beginsel een boete van 100 percent moet worden opgelegd, en anderzijds de ernst van de overtreding door belanghebbende, die immers bedrijfsmatig handelt.
Het middel faalt in zoverre. 's Hofs oordeel geeft, mede gelet op de omstandigheid dat het Hof - hoezeer ook met inachtneming van de in het middel vermelde bedoeling van de wetgever - tot taak had te onderzoeken, of, gelet op alle naar zijn oordeel in aanmerking komende omstandigheden van het gegeven geval, de Inspecteur terecht een verzuimboete van ƒ 709 heeft opgelegd, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk.
3.4. Het middel betoogt voorts dat 's Hofs oordeel dat in de gegeven omstandigheden een boete van ƒ 100 passend en geboden is, onbegrijpelijk is.
's Hofs oordeel is, gelet op de gegeven motivering, niet onbegrijpelijk. Het middel faalt derhalve ook in zoverre.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2005.
Van de Staat wordt ter zake van het door de Staatssecretaris van Financiën ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 414.
10 juni 2005
FP
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 18 september 2003, nr. 00/01412, betreffende na te melden aan X te Z opgelegde naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting en de daarbij gegeven boetebeschikking.
1. Naheffingsaanslag, beschikking, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het motorrijtuig met kenteken AA-00-AA een naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting opgelegd, berekend over het tijdvak 15 september 1998 tot en met 14 september 1999 ten bedrage van ƒ 709, alsmede een boete van ƒ 709. De naheffingsaanslag en de boetebeschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de bestreden uitspraak betreffende de boetebeschikking vernietigd en de boete verminderd tot een bedrag van € 45,38. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van het middel
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Het motorrijtuig waarvoor de onderhavige naheffingsaanslag is opgelegd, was vanaf 25 augustus 1999 tot en met 6 april 2000 opgenomen in de bedrijfsvoorraad van belanghebbendes onderneming. Op 14 september 1999 is met de personenauto gebruik gemaakt van de openbare weg zonder dat aan de auto handelaarskentekenplaten waren aangebracht.
3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat sprake is van een wanverhouding tussen de verzuimboete en de ernst van het door belanghebbende begane verzuim. Het Hof heeft aan dit oordeel ten grondslag gelegd dat belanghebbende onweersproken heeft gesteld dat hij ten tijde van de controle nog maar juist met zijn bedrijf begonnen was, dat hij zijn bedrijf alleen uitoefende, en dat het hem - bij de grote drukte op de automarkt - niet steeds mogelijk was voldoende controle op het gebruik van de handelaarskentekenplaten uit te oefenen.
3.3. Het middel strekt in de eerste plaats ten betoge dat 's Hofs oordeel dat sprake is van een wanverhouding, onbegrijpelijk is, gezien enerzijds de uit de geschiedenis van totstandkoming van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 blijkende bedoeling van de wetgever dat, gelet op het relatief lage bedrag aan verschuldigde belasting en de gewenste preventieve werking, in beginsel een boete van 100 percent moet worden opgelegd, en anderzijds de ernst van de overtreding door belanghebbende, die immers bedrijfsmatig handelt.
Het middel faalt in zoverre. 's Hofs oordeel geeft, mede gelet op de omstandigheid dat het Hof - hoezeer ook met inachtneming van de in het middel vermelde bedoeling van de wetgever - tot taak had te onderzoeken, of, gelet op alle naar zijn oordeel in aanmerking komende omstandigheden van het gegeven geval, de Inspecteur terecht een verzuimboete van ƒ 709 heeft opgelegd, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk.
3.4. Het middel betoogt voorts dat 's Hofs oordeel dat in de gegeven omstandigheden een boete van ƒ 100 passend en geboden is, onbegrijpelijk is.
's Hofs oordeel is, gelet op de gegeven motivering, niet onbegrijpelijk. Het middel faalt derhalve ook in zoverre.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2005.
Van de Staat wordt ter zake van het door de Staatssecretaris van Financiën ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 414.